Ondanks al die strenge maatregelen lopen er in Vlaanderen toch nog altijd figuren rond die volharden in de boosheid. Het zijn zelfs niet van de minsten. De kroniekschrijvers van die dagen komen aandraven met enkele gevallen. Dat bijvoorbeeld van de drie oosterse kooplieden die onderweg naar de jaarmarkt van Torhout een middagmaal verorberen in herberg ‘De Sleutel’ te Brugge. In de Steenstraat om precies te zijn. Hun gesprek over de kostbare edelstenen die ze met zich meedragen wordt opgepikt door een groepje edellieden die daar ook aanwezig zijn. Ook ridder Hendrik van Calloo behoort tot dit gezelschap.
Die edelstenen kunnen best eens interessant zijn en daarom geraken ze in de drank met de kooplieden. En zoals jullie lezers dat vermoedelijk ook al ondervonden hebben loopt elk drankgelag in de herberg wel eens langer uit dat verwacht. De oosterlingen vinden het ondertussen wel nodig om de mensen in de herberg waar ze verwacht worden in Torhout te verwittigen om alvast te beginnen met het avondmaal. Ze sturen enkele knechten voorop om de boodschap over te maken. Als de oosterlingen dan eindelijk zelf naar Torhout vertrekken krijgen ze tijdens hun doortocht van het bos van Ter Leepe in Zedelgem de kwaadaardige bende edelen op hun dak.
Calloo & Co beroven en vermoorden de drie en ook hun dienstknecht overleeft de roofpartij niet. Daarna vluchten ze weg met de edelstenen. De knechten die voorop waren gereden krijgen in Torhout van toekomende gasten te horen dat daar aan Ter Leepe blijkbaar enkele reizigers vermoord werden en keren toch wel ongerust op hun stappen terug. Ze vinden er tot hun ontzetting de lijken van hun meesters. De mannen vertrekken in zeven haasten naar Wijnendale om hun beklag te doen bij Boudewijn Hapkin. Op zijn vraag wie deze moorden kan gepleegd hebben wijzen ze in de richting van de bewuste edellieden.
Om dat lang verhaal kort te maken kan ik vertellen dat de graaf hen op heterdaad betrapt met de gestolen edelstenen bij zich. Hij laat de daders allen arresteren. Hun vurig pleidooi dat ze van hoge adel en goede afkomst zijn interesseert hem helemaal niet. Hij laat de elf mannen naar Wijnendale voeren. De volgende dag mogen ze met zijn allen plaatsnemen op een tafel, elk met een strop om de hals, vastgemaakt aan een balk in het plafond. Als ze klaar staan stampt Boudewijn met zijn voet gewoonweg de tafel onderuit zodat al die schone edelmannen er nu blijven bengelen tot het laatste zuchtje lucht uit hun lichaam verdwenen is.
Boudewijn Hapkin kent geen medelijden
Dat is dus Boudewijn Hapkin. Het verloopt geen haar beter voor een zekere Pieter, de zoon van de heer van Oostkamp. Hij had aan de weduwe van een van hun pachters twee koeien gekocht maar wil die niet betalen. Nadat deze mevrouw haar beklag gedaan had bij de graaf liet hij de jonkheer van Oostkamp bij zich roepen. Na een ondervraging laat hij hem in het gezelschap van twee valsmunters levend in een ketel kokende verf gooien. Hun dode lichamen moeten er blijven sudderen tot de weduwe weer in het bezit van haar koeien gesteld wordt. Dat Boudewijn Hapkin geen normale graaf is ondervinden ze ook in Gent waar hij een ridder laat onthoofden omdat een van zijn onderdanen zich schuldig maakte aan een diefstal van alweer koeien. Wanneer hij achteraf verneemt dat allerhande crapuleuze types en baanstropers zich schuilhouden in verscheidene kastelen die ze gebruiken om de kooplieden te bespieden om die dan achteraf te beroven, laat hij de bewuste burchten met de grond gelijkmaken.
De graaf is zelfs zo maniakaal dat hij op bezoek gaat naar Oudenaarde, Ieper, Rijsel, Kortrijk en verder naar alle andere steden van zijn graafschap om onrechtvaardige schepenen, baljuws, ontvangers en andere ambtenaren te straffen en te vervangen door eerlijke en deugdzame mannen. Hij drijft het zover dat de mensen het niet eens meer aandurven om verloren of verlaten schatten weg te nemen uit vrees voor zijn maatregelen. Die repressieve aanpak brengt Vlaanderen alleszins in rustiger vaarwater waardoor de koophandel weer gaat kiemen en de nijverheid op gang schiet. Buiten de agressieve aanpak van de graaf valt er hier en daar wat komkommernieuws te noteren. In het jaar 1113 wordt de aartsketter Tranchelinus uit Brugge verbannen. Twee jaar later schenkt de bisschop van Utrecht, Godefridus de relieken van de heilig Bonifaas aan de tweede proost van het O.L.V.-kapittel. En in 1116 ontstaat er in Brugge een zodanig grote brand waardoor de stad voor een groot deel in de as wordt gelegd.
Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Het Oud Verhaal van Vlaanderen’


