Karel de Blauwer vertelt hoe hij op een nieuwjaarsavond op de kommiezen liep. Hij was de grens over geraakt met honderdentien pond tabak. Op een kilometer van Kwaadieper-dorp stopt hij bij een hoeve. Hij is moe en wil er even rusten.
Het was in de andere oorlog, een nicht van mij die betoverd geweest is, nè. En zij hielden café en ’t was een hofstede. En er gingen daar regelmatig bezoekers alzo, nè, om pinten te drinken en al. En er was daar een wijf dat alle dagen ging achter melk. En op een zekere dag, zij had chocolade gegeven aan haar, om op te eten.
Hoe meer da’j zaagt en hertefret, hoe langer da’j moe leven.
E probeerde te peinzen, mar d ‘er gebeurde nieten.
Hoe rapper da’j stapt hoe kleiner da’j zijt.
Ge kunt het niet al hebben in ’t leven, waar zou je ‘t trouwens al leggen?