Karel de Blauwer vertelt hoe hij op een nieuwjaarsavond op de kommiezen liep. Hij was de grens over geraakt met honderdentien pond tabak. Op een kilometer van Kwaadieper-dorp stopt hij bij een hoeve. Hij is moe en wil er even rusten.
Een Oudejaarsavond
Karel de Blauwer vertelt hoe hij op een nieuwjaarsavond op de kommiezen liep. Hij was de grens over geraakt met honderdentien pond tabak. Op een kilometer van Kwaadieper-dorp stopt hij bij een hoeve. Hij is moe en wil er even rusten. Hij gooit zijn pak in het wagenkot en nadert het huis. Door een spleet ziet hij wat er gaande is …
‘k Keek en ‘k loerde door de splete en ‘k zag de boerinne; ze zat bij de tafel en sneed koekeboterhammen. ’t Water liep langs mijnen kin, ‘k horkte en ‘k hoorde dat ze aan twee tafels bezig waren met kaarten; maar ‘k en koste ze niet zien; de splete was te nauwe. De boerinne hadde al twee groote hoopen gesneden en geboterd; ze stond op, ging naar de stove, kwam weêre en schonk eenige theekommen vol.
‘Komaan!’ riep ze, ‘is uw spel haast uit? De chocolade is geschonken, en ’t is al gereed.’ Kerlamenten, mijne kijte kwam uit. Het was om te bewaaien; ‘k en koste het niet meer uithouden; ‘k ging tot aan de deure en krak! ‘k Was binnen. Ze verschoten allen dat ze ophutsten om mijn plotseling binnen-komen; maar ik verschoot, kerlamenten, al meer.
Nauwelijks hadde ik gezeid: ”k Wensche u allen elk een gelukkig en zalig nieuwjaar, en nog vele navolgende, als ’t u zalig is, of ik bemerke daar in den hoek van den heerd den brigadier van de kommiezen, Berloot, die mij bekeek met zijne twee grijsde oogen, alsof hij mij wilde doorkijken.
‘k Radde wel willen duizend uren van daar zijn; maar ‘k was nu ingescheept, ik moeste varen, en met de meeste gerustheid van de wereld, sloeg ik twee, drie koekeboterhammen binnen, die de boerinne mij aangeboden hadde.
De brigadier liet alle achterdenken varen, of hij scheen het toch en zat ook hertelijk te eten en chocolade te drinken, dat zijn grijsde knevels er van leekten. Ja maar, verduiveld, ’t spel verbrodde: juiste op den oogenblik als ik te wege was den boer en de boerinne te bedanken, de deure gaat open en daar komen nog twee kommiezen binnen, ‘ook om een nieuwjaar te wenschen en hunne here te vullen. Die duivels hadden mij herkend en zij gingen rèchte naar den brigadier en vezelden hem eenthoevele fransch in zijn oore. Maar ik en verbeide ’t niet en ‘k sprong buiten; en zij achter mij.
De hond sprong uit zijn steenen kot, omdat de deure zoo geweldig openvloog, en begost een geruchte te maken van d’andere wereld; hij snakte bijna zijnen keten aan stukken. Ik en verlette niet, en ‘k schoot mij er rechte naar toe en ‘k dook mij in zijn kot. ‘k Zat er juist in, als de brigadier met de twee kommiezen buiten kwamen al roepen en tieren: à moi! à moi! De hond vergat dat ik in zijn kot zat, en baste als een bezetene op de kommiezen die zulk een lawijt mieken.
‘Waar den drommel zou hij zijn?’ riepen zij. ‘Hij en kan buiten de gebouwen niet zijn’, riep er een, ‘want hij was pas eenige schreden voor ons: wij zouden hem moeten zien loopen hebben.’
En de hond altijd voort bassen! De kommiezen doorzochten koei- en peerdenstal, kalverskot, kafkot en schure.
‘Och Heere!’ peisde ik, ‘k ben mijnen pak kwijt: hij stond bloot en bluts op den wagen.’ Ja maar, is ’t gelooflijk? Zij gingen naar ’t wagenkot en die domme duivels en zagen nooit mijnen pak. ’t Enden alle markten en straten, dwaas en dom gezocht, en zeker ook wel begoest op de koekeboterhammen, ze keerden weêr naar binnen.
‘Die duivelsche blauwer is een tooveraar’, zei de brigadier.
‘Voorzeker en is hij in de gebouwen niet’, zei een der kommiezen, ‘wij hebben alles wel doorzocht, hij moet al achter de schure weg zijn, peis ik, en nu is hij reeds verre: ’t ware verloren moeite gedaan. Laat ons maar binnen gaan, ’t is verduiveld koud hier.’
‘Ja maar’, zei de slimste van de drie, ‘is de blauwer weg en uit de voeten, zijn pak moet hier ievers omtrent verdoken zitten. Laat ons zoeken; vinden wij hem, ’t is toch alsan dat.’
‘Hij en zal niet weêre keeren achter zijnen pak’, sprak de brigadier, en hij lekte de verstevene chocolade van zijn knevels – ‘hij en zal niet weêre keeren; hij is verschrikt en weet wel dat wij hier zijn en goed de wacht houden.
Morgen, als ’t klaar is, zullen wij den pak wel vinden, en den naasten nacht stekken wij den vogel, is ’t dat hij durft weêre komen.’ Zij vonden die reden goed, en ze trokken binnen.
‘k Peisde: nu geenen tijd verloren. De hond baste altijd voort naar de deure van ’thuis. ‘k Zegge bij mijn zelven, ze gaan peizen dat ik ievers verdoken zitte, en ze gaan weêre uitkomen. En ook, de hond koste mij verraän met naar zijn kot te bassen. Ik kroop voorzichtig uit binst dat de hond nog altijd in verwoede dulheid katoen gaf om te bassen, en ‘k ging naar ’t wagenkot.
‘k Nam mijnen pak op en ‘k zette mijnen weg voort, en eer dat ’t klaar wierd, ‘k was al te Bollezeele, op de hooidilte van Broozen Lammens en ‘k sliep tot dat het noene was. ‘k Was daar wel gekend en ’s noens wel onthaald. ’t Zijn zeer brave menschen, die de blauwers genegen zijn.
–
Jules Leroy uit ‘Karel de Blauwer’


