Geen markten zonder ezels. – Waar veel volk is zijn er mensen die zich laten foppen.
Karel de Blauwer vertelt hoe hij op een nieuwjaarsavond op de kommiezen liep. Hij was de grens over geraakt met honderdentien pond tabak. Op een kilometer van Kwaadieper-dorp stopt hij bij een hoeve. Hij is moe en wil er even rusten.
‘E zit mi ze kop in ze schoôt’.
‘E zit in de patatten’.
‘E leeft tegen ze goeste’.
Ik verplaats me meteen naar 10 juni 1483. Boze Spanjaarden brengen zestien gevangen Franse soldaten binnen in de stad. Ze werden betrapt te Voormezele waar ze een brouwerij aan het plunderen waren.
Ze kwaamen were al zingen oek dikkers al wemelen
Een droppel wyg waeter maer oek een paere pintjes
De familie was daer en zelve “de kouzyntjes”
Die in ’t middel van ’n nacht hadde goeste van spelen!
Al wie zich eens goed wil verzetten, moet eens een reisje naar Voormezele doen. Daar is het altijd plezant. Bijna alle zondagen is er ringsteking, en dan nog een ringsteking voor ’t vrouwvolk. Zondag laatst trok ik er naartoe. Mijn verwondering was waarlijk groot toen ik tegen de avond inderdaad zag dat de jongelingen zich naast een poezelig meisje in een voiture en met kloeke hand de lans naar de ringen uitstaken.
‘Ik heb een heel aardig wijf’, zei Marus.