Ik verplaats me meteen naar 10 juni 1483. Boze Spanjaarden brengen zestien gevangen Franse soldaten binnen in de stad. Ze werden betrapt te Voormezele waar ze een brouwerij aan het plunderen waren.
Ik verplaats me meteen naar 10 juni 1483. Boze Spanjaarden brengen zestien gevangen Franse soldaten binnen in de stad. Ze werden betrapt te Voormezele waar ze een brouwerij aan het plunderen waren. De volgende dag al worden ze voor hun daden bestraft, hun krijgswetten kunnen maar zo duidelijk zijn: de doodstraf door ophanging. De galgen worden direct opgesteld. Het schavot op de Grote Markt heeft zo zijn aftrek. Je kan je wel inbeelden dat de massa drumt om het beste zicht te krijgen op de show. Als de beul aan zijn zestiende slachtoffer wil beginnen, verrast deze hem met de mededeling dat hij geen man is maar een vrouw en dat ze om vergeving vraagt.
Na deze verrassende melding wordt ze terug in het gevangenhuis geleid waar ze een onderzoek ondergaat. Onze jonge dochter is inderdaad een meisje. Ze geeft toe dat ze zich al jaren voordoet als manspersoon, soldaat bij de Fransen, en dat ze in die hoedanigheid al aan verscheidene veldslagen heeft deelgenomen. De heren van justitie worden er bij gehaald en stellen de vrouw op vrije voeten. Korte tijd later biedt de dame zich aan om dienstmeid te worden bij een rijke inwoner die ingaat op haar voorstel.
‘Zij werd aanvaard’, staat er geschreven, ‘en na verloop van tijd maakte de zoon des huizes de vrijer’. Hoe mooi gezegd toch. De zoon maakte de vrijer. Het koppel wil trouwen en moet hiervoor de toestemming krijgen van hun respectieve ouders. Als dat in kannen en kruiken is, kan de trouw doorgaan in de kerk van Sint-Jan en pas achteraf komt de bruid af met het verhaal dat haar vader eigenlijk raadsheer is bij het parlement van Parijs en dat haar ouders tot de voornaamste edellieden van Frankrijk behoren. ‘In mijn jonge jaren had ik een relatie met een kapitein van de Franse troepen’, bekent ze, ‘maar hij liet me zitten.’ Dat bleek uiteindelijk de reden te zijn waarom ze zich als manspersoon vermomd had: ze wilde dicht bij haar gewezen vlam blijven. De pasgetrouwde Française blijkt een ordinaire stalkster geweest te zijn.
De jonge Ieperling besluit het verhaal van zijn vrouw te controleren, stuurt een brief naar het parlement van Parijs, krijgt er de bevestiging dat zijn madame Angeline Marillac heet en dat haar vader inderdaad een man van adel is geweest. Thomas Marillac is op zijn tachtig overleden op 7 december 1481. De erfenis is een niet onaardige surplus voor het kersvers koppel: twee kastelen in de buurt van Senlis, een kapitaal van 2 miljoen stuivers en een inboedel van nog eens een half miljoen. Angeline en haar man zullen in Ieper blijven wonen tot aan haar dood op 20 augustus 1499.
Een sprookje met vijftien opgeknoopten en een rijke erfgename. Mijn Iepers dagboek is met de nodige allure aangevangen. Precies wat ik kon gebruiken om in het jaar 1500 binnen te treden, waar ik onmiddellijk in een nieuw fictie-verhaal terecht kom. De wereld van de mirakels opent zich nog een keer voor ondergetekende. Een religieuze, een nonnetje van het begijnhof heeft een wonderbaarlijk antwoord gekregen van haar kruisbeeld. Alles begon met een geweldige bekoring om op Vastenavond vlees te eten, iets wat volledig in strijd is met de statuten van de begijnen in deze stad.
Goesting in vlees? Het zal je maar overkomen op een moment dat het niet mag. Mijn non haast zich naar de kerk om er te bidden. Smeken tot God om toch maar van haar bekoring af te raken en van haar kwelling verlost te worden. En zie nu toch; ze wordt toch wel niet aangesproken door de crucifix! ‘Ga recht naar de grote jonkvrouw en verklaar openlijk de begeerte van uw hart. Habetur in Vita Sancta Begga’. Vrij vertaald: er zit leven in de Heilige Begga en met deze wetenschap heb ik op zich eigenlijk geen problemen, hoewel deze Begga al dood is van in het jaar 693.
Anno 1490 is er in heel Vlaanderen door een schromelijke pest ontstaan die in Ieper alleen al zorgt voor de dood van duizend inwoners. De pestaanval duurt maar liefst 18 maanden en tijdens deze periode sterven hele huisgezinnen letterlijk uit, de straten vallen zonder hun bewoners zodat het gras er groeit als op een weide. Pas wanneer de pest uitgeraasd is, kan men beginnen met het zuiveren van de straten en het doorzoeken van de huizen.
Een verschrikkelijk en luguber werk. In nogal wat woningen worden tal van lijken gevonden, vaak in verregaande staat van ontbinding. De stank is er niet te doen, de wormen lopen in en uit de rottende kadavers. In de Sterrestraat ontdekken ze een dood koppel waarbij de vrouw nog altijd haar klein kindje tegen de borst praamt. Ze zijn samen geveld door de pest. Het is niet de enige verschrikking. In de keuken komen ze oog in oog te staan met een slang van wel vier meter lang met de dikte van een menselijke bil. De musketten zijn nodig om het beest te doden. Met sabels wordt het reptiel achteraf in mootjes gehakt. Waar de reuzenslang vandaan komt, is me een raadsel, misschien wel uit de ‘corruptie van de dode lichamen’ suggereren de kroniekschrijvers, iets wat me vrij onrealistisch lijkt.
In de Klierstraat wordt het lijk van een jonge dame aangetroffen waarvan de buik omgebouwd werd tot een nest vol jonge ratten waarbij twee volwassen exemplaren het vlees van de buik tot op het been hebben doorgeknaagd. In een andere woning in de Antwerpstraat wordt het lichaam gevonden van een devote weduwe. Ze zit nog altijd geknield met een paternoster in de hand en eigenaardig genoeg geeft haar kadaver niet de minste stank af. Haar man en haar drie kinderen waren zeven maanden eerder al overleden aan de pest.
De opkuisploeg blijft maar details spuien. In een ander huis op de Houtmarkt worden de lichamen van twee dode kinderen gevonden. Op bed. Samen met het lichaam van een in vrouw verklede Engelse edelman. In zijn kleding vinden ze twee brieven waaruit blijkt dat de man een of andere misdaad gepleegd heeft in eigen land en feitelijk op de vlucht was in Vlaanderen. Bij het verbranden van zijn kleding blijkt de dode man trouwens nog twee gouden kettingen en een diamanten ring van grote waarde bij zich te hebben.
In een ander huis in de Zuidstraat, nu is dat de Rijselstraat, treffen de onderzoekers het lijk aan van nog een andere weduwe. De vrouw wordt aangetroffen op bed met overgesneden keel. Vermoedelijk het werk van valse reeuwers want in haar woning wordt geen spoor van geld of waardevolle zaken gevonden; alles is er gestolen. In de achterkeuken hangt het lijk van haar dienstmeid met samengebonden handen en benen opgehangen aan de balken van de zoldering.
In de Montstraat waar een echtpaar overleden is aan de pest, wordt hun dochter met de borsten afgesneden teruggevonden in de waterput. Weer het werk van die reeuwers. Ze hebben het meisje van het leven beroofd omwille van de erfenis die het echtpaar enkele tijd geleden te beurt gevallen was. Het was blijkbaar een publiek geheim dat de overledenen drie jaar geleden een som van 14.000 gulden gedeeld hadden.
Ook in de Lange Meersstraat zijn de vondsten weerzinwekkend. Een dood echtpaar, overleden aan de pest met in hun gezelschap het lijk van een kindje van een jaar of twee, gestorven van de honger en op de zolder als toemaatje nog het dode lichaam van een oude man van 103 jaar die halfnaakt uit het zolderraam hangt. De zoektocht door de verlaten huizen resulteert alles te samen in de vondst van 260 dode lichamen. De pest heeft inderdaad lelijk huis gehouden.
Dat er zich nog zoveel lijken in de huizen bevonden, heeft alles te maken met de wetenschap dat er op het einde van de epidemie bijna niemand meer beschikbaar was om de doden af te voeren en buiten de stad te begraven. Na de berging van de overblijvende kadavers worden ze allemaal ter aarde besteld buiten de Boezingepoort en worden de getroffen huizen helemaal ontsmet en gezuiverd. In de hele stad zijn er geen 20 kinderen meer overgebleven.
En toch heeft men er alles aan gedaan om de verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Van zodra met er gewaar van werd, spijkerden de ordediensten een witte plank aan de voordeuren van de besmette huizen als signaal dat die niet meer betreden mochten worden. Elke dag opnieuw reed de lijkwagen door de stad, met zijn ellendig klinkende bel die aangaf dat de mensen hun dode familieleden mochten meegeven met de kar. Enfin, ik schrijf het met nogal wat schroom en mededogen terwijl de schrijvers van de Ieperse kronieken het nogal scrupuleus en gevoelloos hebben over het smijten van de dode lijken op de karre.
De met een laken toegedekte wagen rijdt zo met zijn volle lading tot buiten de stadsmuren en kiepert al die dode lichamen in grote putten die langs de vaart gegraven werden. Ieper moet een spookstad zijn in 1490 en 1491. De straten zijn er leeg en verlaten, niemand waagt zich nog buiten zijn woning, tenzij in gevallen van uiterste nood. In de zomer moeten de mensen ketels water op de straat sproeien om voor wat koelte te zorgen. Ieper is dood, er is niemand aan het werk. De vrees voor het einde is zowat het enig overgebleven sentiment, naast uiteraard de obligate rouw voor de overleden familieleden.
–
Dit is een fragment uit boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


