Menheere van ’t Ypertje, ‘k Was met de kermisse en keer naar Zoetenaaie gegaan om […]
M’ hoort soms de menschen al ‘en keer ruttelen tegen dit en pruttelen tegen dat; en dat ze niet verstaan ’n kunnen waarom op Godswereld dat er moeten luizen bestaan en vlooien, en mieren en muggen, jandorie!
+ De zottigheid is ’t land meêstre.
+ ’t Is beter in de gazette te stoan of in de regen.
+ Dronk’e zeid is nuchtr’e peisd.
In het jaar 1913 in de zomer had men de vijver beginnen herstellen en vermeerderen. Het was een grote onderneming. In 1913 had men niet veel kunnen verrichten. In de winter niets. Men herbegon in de lente 1914 maar voor de oorlog kreeg men veel te weinig werkvolk (omdat de lonen ingevolge de arbeid niet zeer groot waren.
Er is een boer en hij heeft drie zonen. Hij laat aan die zonen bij testament 17 paarden na
S’ JAN Bij IEPER. · We zijn in het uitdoen der aardappelen. Nooit hebben ‘er zo veel van die knollen opgedaan geweest als dit jaar. De landslieden zeggen dat het aardappels heeft geregend. Zo veel te beter; dit belooft veel eten voor de werklieden in de winter, bijzonderlijk om dat de plaag den aardappel, dit jaar, niet heeft aangedaan.