De zeven namen van onze dagen zijn vermoedelijk de woorden die door ons mensen worden […]
Oktober nat en koele, de winter zochte en zwoele.
Houd’n de bomen hun blaren lang, wees dan voor een strenge winter bang.
Gift de herfst veel mist en neveldoagen, in de winter zal de sneeuw u ploagen.
Rode baard, Duivelse aard. Men zei dat Judas een rode baard gehad heeft, en hield daarom een rode baard voor een merkteken van een kwaadaardige mens.
O’je ter wèreld komt zy’j kleëne
bykan’ blend en bloöt.
En ’t deurt froai lange voö da’j kut
up eigen voeten stoan.
Het hoofd scharten zonder jeuken (zich in verlegenheid bevinden, radeloos zijn)
Hij heeft het hoofd van een geirnoare (hij heeft niet veel verstand)
Hij heeft een hoofd lijk een ijzeren pot (hij heeft sterke hersenen)
Hij kamt hem het hoofd met een stoel (hij rost hem af)
O’m kleene woar’n leerd’n m’eest drinken en achternoars oek eten.
Doarom meugen’n m’om ouder zyn dat drinken nooit vergeten