‘De vrouwen hebben de naam, de mannen de daad’. Met zo’n dooddoener tracht menig vrouwelijk […]
De dood op getepoten (graatmager)
Met een poot in de pit zijn (heel erg oud zijn)
Te dom om dood te doen (niet zeer snugger)
’t Droogt hier zoo ongenadig dat de puiden vergaan van den dorst, en heet dat ’t is, brandend heet. De vlasschaards en bloote stoppels liggen hard lijk Judas zijn voorhoofd, op loof zaaien valt niet te denken, en dat is bitter jammer, want de tijd is er.