‘De vrouwen hebben de naam, de mannen de daad’. Met zo’n dooddoener tracht menig vrouwelijk […]
Zo verward zijn lijk ne zuigeling met honger en dorst in een topless bar.
Hij is al zo content lik een zwijn in de mooze.
Hij is al zo welgekomen lik een schete in een telefoonkotje.
Die kwaal, die hedendaagse pest, is de achterklap of langtongerij, en de bespiederij. De tong, dat werktuig dat ons door onze schepper geschonken werd, en waarmee we ons boven de redeloze dieren kunnen verheffen om onze gewaarwordingen aan anderen mee te delen, om onze gedachten aan vrienden en kennissen, ja aan familieleden bekend te maken, ja dat edel zintuig wordt maar al te vaak en al te dikwijls benuttigd om de faam en de faam en de goede en eerlijke naam van onze naasten te bezwadderen en door het slijk en de modder te sleuren.
‘’n Zeg geen kwaad van mijnen hond; hij ’n heeft maar de sprake te kort’… En, inderdaad, de huishond verdient zijn faam van aanhankelijkheid en trouw, en de lof van zijn meester. Hoe echter de hond aan zijn naam komt is nog met veel geheimzinnigheid omhuld. Vroeger was de naamgeving nauw verbonden met de kleur, de gestalte, en andere uiterlijke kentekenen. Nu is het een loutere kwestie van naäpen, modegril of welluidendheid geworden.