A-t-er entwaar nog menschen oes aandacht verdien’
’t Zijn zeker wel de mannen die met de vuilkarre riên:
Altijd ip toer, deur regen en deur wind,
Achter alles wat dat iedereen ’t bezien weird niet meer en vindt.
De velden zijn begroeid,
met kollebloemen. Rood.
Ze staren me aan.
Vurig met barstende botten die schreeuwen van pijn.
Met tinten van bloed die zich taai en moeizaam openen
en daarna weer wegvloeien tot de dood.