De kasselrij van Ieper heeft zijn eigen rechtspraak. Ik heb er ooit een uitgebreid hoofdstuk […]
12 januari 1568. Wat een hondenweer. Regen en wind geselen de Westhoek. Het noodweer houdt […]
Op 22 augustus 1567 arriveert Alva in Brussel. Hij wordt er verwelkomd door Margaretha, de […]
Op een toonbank, in ‘De Zwane’ Zie ‘k een koopren vuurpot staan, Blinkend, lijk een […]
De dood op getepoten (graatmager)
Met een poot in de pit zijn (heel erg oud zijn)
Te dom om dood te doen (niet zeer snugger)
M’ hoort soms de menschen al ‘en keer ruttelen tegen dit en pruttelen tegen dat; en dat ze niet verstaan ’n kunnen waarom op Godswereld dat er moeten luizen bestaan en vlooien, en mieren en muggen, jandorie!
Het hoofd scharten zonder jeuken (zich in verlegenheid bevinden, radeloos zijn)
Hij heeft het hoofd van een geirnoare (hij heeft niet veel verstand)
Hij heeft een hoofd lijk een ijzeren pot (hij heeft sterke hersenen)
Hij kamt hem het hoofd met een stoel (hij rost hem af)
De middelen om den snik te keere te gaan zijn velerhande en onder die middelen bestaan bij ’t volk de volgende:
– een klont suiker eten in azijn gedoopt – vrees aanjagen – duim en kleine vinger in de vuist knellen – een mes tusschen de tanden houden en niet verademen – de pols spalken en den asem ophouden – den snikker onverwachts een kaaksmete geven – een glas water traagzaam uitdrinken en de neusgaten stoppen,