De kasselrij van Ieper heeft zijn eigen rechtspraak. Ik heb er ooit een uitgebreid hoofdstuk aan gewijd. Wanneer een man of een vrouw al voor de derde keer van overspel beticht wordt, wordt de veroordeelde verbannen op galg en put. Het is eigenlijk een heel simpele straf: ze moeten maken dat ze uit de streek verdwijnen en als ze alsnog opduiken en betrapt worden in het Ieperse, dan weten ze welke straf hen boven het hoofd hangt. Eigenlijk heeft de verbanning iets weg van een voorwaardelijke straf.
Het plakkaat van Keizer Karel op 4 oktober 1539 is duidelijk: ‘voor wie die mede ware in wille of in varde waar men wijf verkrachtte zoude men bannen uit het land van Vlaanderen, zes jaar, de man op de galg en ’t wijf op den put levende te delven.’ Vrouwen uit alle standen, van de geringste tot de deftigste burgerklasse, jeugd en ouderdom zonder onderscheid, worden op deze wijze gedurende ruime tijd om het leven gebracht. De voetnoot van de schrijver is duidelijk. De straf is bepaald schrikaanjagend en er zijn nogal wat verdachten die smeken om dan toch maar verbrand te mogen worden in plaats van levend begraven te worden.
De misdaad van valsheid wordt afgerekend met de strop. In Ieper, Brugge en Gent straffen ze de valsaards met ‘den pelorijn, sleutelen in ’t aangezichte ende met banne.’ Die ‘pelorijn’ blijkt een pellerijn te zijn, een frame in hout op dewelke de dader blootgesteld werd aan de spot en de belediging van het volk. De schandpaal van lang geleden is blijven leven in de term van ‘aan de kaak stellen’. Bij de pellorisatie worden vaak brandtekens aangebracht in het gezicht. Ook het afhouwen van de rechterhand en het afsnijden van de oren vervolledigen dikwijls de straf aan de schandpaal.
Meinedige en valse getuigen worden in de kasselrij van Ieper getrakteerd met een gloeiende sleutel op één van hun wangen. Een straf die in het oude Vlaanderen regelmatig toegepast wordt. Het zal dus wel op iemands gezicht te lezen staan dat het een valsaard is. Gwijde van Dampierre maakt eveneens gebruik van deze bestraffing; ‘Zo wie valse waarheden zegt of valse oorkonden voor de schepenen brengt, zal men drie dagen in de kooi zetten en daarna tekenen aan zijn kaak met een slotele en dan uit het land verbannen voor een periode van zes jaar op straffe van de galg en nimmermeer geloofd te worden daarna.’
Met overspel wordt er niet gelachen. Een uitspraak in Gent op 9 november 1554 bewijst dat vreemd gaan in Vlaanderen niet zo’n goed idee is. In naam van de justitie moet stadsbeambte Jan de Paepe in zijn ondergoed naar de kerk van Sint-Baafs stappen. Door de Hoogpoort met een kaars van twee kilo in de handen, geflankeerd door twee deurwaarders van de rechtbank. Hij dient er om vergiffenis te bidden, knielend op één knie. Zijn dienaarschap van de stad Gent is hij voor altijd kwijt.
Daarbovenop krijgt de man een boete van 20 gulden aangesmeerd plus de kosten van de gevangenis. De waarschuwing van het hof is duidelijk: de Paepe mag binnen zijn huwelijk geen andere meisjes of vrouwen boven zijn getrouwde huisvrouw verkiezen, oneerlijk te converseren op straffe van gegeseld te worden en nog zwaardere straffen te krijgen.’ Het houden van lichte vrouwen wordt anno 1459 door Filips de Goede bestraft met het afhouwen van de vuist en een verbanning van 10 jaar.
Dat is toch het geval in Brabant. In Gent wordt dergelijk vergrijp bestraft met het afsnijden van de neus, ‘want zij useerden van den neuse niet!’ Van deze straf is er trouwens al sprake in 1228: ‘Deerne of koppelaar die wijf of jonkwijf daar toe uitlokt dat zij met mannen ontschaken, die zal men de neus afsnijden.’ Het afhakken van lichaamsdelen is bijzonder populair in Vlaanderen.
Cannaert probeert wat structuur te brengen in zijn verhandeling. Hij maakt een lijst van de belangrijkste bestraffingen. Verlies van lijf en goed. Soms alleen het lijf. Mutilatie van lichaamsdelen: het afhouwen van leden. Dat kan een vuist zijn, een oor, een vinger. Een vierde strafmogelijkheid is de geseling met daarbovenop de verbanning. Nummer vijf is een eeuwige ban met confiscatie van de eigendommen. De zesde is de pellerijn, de schandpaal. Uiteindelijk is er nog een zevende straf: een verplichte bedevaart naar een plek die ingeschreven staat in het rode boek.
Verbanning is een veelgebruikte straf in Vlaanderen. ‘In de stad, buiten de stad of verplichte verhuizing naar welbepaalde plaatsen zoals Cyprus, Rhodos of Hongarije. In Gent ligt de termijn het meest op vijftig jaar. In Brugge zijn ze iets milder, de termijn is korter en soms staat er zelfs geen termijn op maar dan gaat de straf gepaard met het aanslaan van de eigendommen van de veroordeelde.
Een verbanning binnen de stad wordt ‘bannen in der stede’ genoemd of ‘confinement’. Het wordt aan een delinquent verboden om zich buitenshuis te begeven. Huisarrest. De straf is eigenlijk een voorzorgsmaatregel. Vrienden en buren van de gestrafte krijgen de opdracht om zijn omgang met anderen in de gaten te houden en te beperken. Wie zich buitenshuis begeeft riskeert gegeseld of extern verbannen te worden. Of soms nog zwaardere straffen.
Gillis Hertogh en Tanneke van der Varent leefden in overspel en worden hiervoor door de vierschaar veroordeeld tot uitgaansverbod. Het verdict luidt als volgt: ‘omdat gijlieden niet tegenstaande tvoorgaande verbod uwlieden respectievelijk gedaan, uwlieden vervoorderd hebt andermaal te samen vleselijk conversatie te nemen. Uutter name van de justicie mogen ze nu voor vergiffenisse bidden op beide knieën, zeggen u Tanneke van der Varent uutter stede en twee mijlen in ’t ronde van hier, ten tijde van drie jaren. Ende confineren u Hertogh binnen de poorten der zelve, up pene van geeseling.’
De man krijgt nog extra maatregelen aan zijn broek. Hij vliegt voor zes weken in het gevangenhuis, wat indertijd nog omschreven staat als de ‘chastelette’. De hele tijd op water en brood en achteraf wordt hij verplicht om gedurende drie maanden de vroegmis van Sint-Niklaas bij te wonen. De kosten van de gevangenis moet hij trouwens eveneens voor zijn rekening nemen.
Lysbette van Wachtebeke heeft het kot voor zich alleen als haar man op bedevaart naar Jeruzalem vertrekt en misdraagt zich tijdens die tijd met andere mannen. Ze mag het ook aantrappen richting Heilig Land en als ze het waagt om eerder terug te keren, dan zal ze haar hand verliezen.
Het afhouwen van lichaamsdelen, het beroven van zintuigen. Beeld u dat toch eens in? Het zijn schrikwekkende vergeldingen die noodlottige gevolgen met zich meedragen voor de slachtoffers. En toch worden ze om de geringste redenen uitgesproken, dat, samen met bedevaarten naar verafgelegen streken. Geen enkele menselijk lichaamsdeel lijkt er aan te ontsnappen. De gelijke wedervergelding, de ‘paena talionis’ is een basisprincipe dat diep ingebakken zit in de wetten.
‘Zo wie anderen een lid afslaat, alzulk zal hij verliezen: hand voor hand, oor voor oor, oog voor oog, voet voor voet, en bij de gratie van de Heer zal alles vergeven worden en dan zullen de gekwetsten een boete krijgen van 10 pond en de heer eveneens 10 pond.’ In de hele uitgestrektheid van Vlaanderen en Brabant leidt het hervallen in een vroegere fout sowieso tot het afsnijden van een oor. Landlopers, leeggangers die de maatschappij hinderen of verstoren worden in het gebied van Cassel verbannen op de ‘verbeurte van een oor’. De oude uitspraken tonen een weelderige woordenschat als het om dat soort crapuul gaat: ‘rabauwen, loddegen, truwanten, cocquinen en botters’. Het lijkt er wel op dat hier een rauwe en realistische versie van het spreekwoord ‘wie niet horen wil, zal voelen’ in de praktijk wordt omgezet.
De geseling of de kastijding met roeden wordt zeer gevarieerd toegepast. In lichte zaken en vaak voor een eerste fout. Uitspraken die meestal vallen in ‘beslotene camere van schepenen’. In zwaardere gevallen wordt de misdadiger naar de ‘opene camere’ gebracht waar zijn proces openbaar wordt gevoerd. De gestrafte krijgt al te maken met geselingen in de open kamer zelf. Daarna wordt hij boven een open wagen aan een paal vastgebonden en processiegewijs door de voornaamste straten van zijn gemeente gevoerd. Een ommegang waarbij hij met verse roeden wordt geslagen. Sommigen moeten de geseling zelfs twee opeenvolgende dagen ondergaan. Het geschiedt allemaal met een onvoorstelbare wreedheid waarvan men zich heden ten dage amper nog een denkbeeld kan vormen. In 1537 vindt er een zeldzaam geval plaats. Jan Sutterman, de Gentse schepen van der keure, zeg maar eerste schepen, wordt in de open kamer van zijn collega-schepenen gegeseld. Hij heeft een begijn onteerd. ‘Daaromme dat hij hadde sententie van schepenen.
Zijn medegezellen ontdeden hem van zijn zwarte tabbaard en daarna werd bij in de vierschaar openbaar gegeseld tot den bloede en verder opgesteld op een wagen aan een staak, ende gevoerd langs alle vier de weegscheden en aldaar ook gegeseld met roeden.’
In 1539 wordt een publieke ontvanger wegens knevelarij en het misbruik van gemene gelden op dezelfde manier gegeseld. Eerst voor het schepenhuis, dan in de voornaamste plaatsen van de stad. Zijn pijnlijke rondgang eindigt op het galgenveld waar hij met één oor aan de galg wordt genageld. Jan de Wevere die in 1587 een gelijkaardige misdaad op zijn kerfstok krijgt, wordt deelachtig aan hetzelfde wrede lot. Hier speelt de geseling zich af rond de vier pilaren van de vismarkt. De man blijft echter in het bezit van zijn oor.
Fraude met stadsaccijnzen wordt meestal beteugeld met de roede. Op 10 april 1609 worden twee brouwers veroordeeld wegens sluikhandel en gegeseld. Kort daarvoor was een wijntavernier voor gelijkaardige fraude eerst door de vierschaar gefolterd. Achteraf wordt de man op de wagen vastgemaakt en voorzien van een opschrift op de borst en door de voornaamste straten rondgevoerd, geshowd en gemarteld.
Een aannemer van publieke werken die constructies heeft opgeleverd die niet conform waren met de aanbesteding ervan wordt op 20 juli 1578 voorgeleid en daar met open deuren tot bloedens toe gegeseld, en van daar geleid naar het werk dat hij had verlaten en waar hij nog eens zijn pijnlijke straf moet ondergaan.
Openbare fustigatie is hoe dan ook slechts de straf voor de dieven, de beurzensnijders, de landlopers, bedriegers en gelukzoekers die de schrijver ook omschrijft met de algemene term van ‘diepers’. Diepers of deepers zijn mensen die zich bezighouden met bedrieglijke spelen, ‘diefverijen of dieperijen, dewelke gegeseld ende gebrandmerkt worden. De voorbeelden zijn zo talrijk en Cannaert is wat bang om zijn boek te vullen met ‘wijdlopigheid’.
Hij beperkt zich tot het geval van twee dames, onder hen een valse gravin. Ze worden allebei als openbare bedriegsters ontmaskerd en vreselijk geteisterd met de roede. Anna Souhieres, een van deze gelukzoekers, ‘vagabonderende achterlande van stede te stede had zich toegeëigend de titel van grote huize, fleur ende extractie, ende onder ’t deksel van deze gehanteerd in huizen van personen van kwaliteit.’ Ik moet er geen tekening rond maken; ‘van welke zij door alle soort van leugens, geld, kleren en andere voorwerpen had weten te verkrijgen.’
Ze was al eerder op gelijkaardige feiten betrapt in Bergen en in Brugge waar ze zelfs gegeseld en gebrandmerkt werd. Te Gent wordt ze op 31 januari van 1561 voor de open kamer van de schepenen tot bloedens toe gegeseld. Daarna ondergaat ze dezelfde straf voor het stadhuis waar haar rug gebrandmerkt wordt waarna ‘ze in deze staat al verder gevoerd en gegeseld wordt in de vier principale weegscheden der stede.’
De tweede madam waarvan sprake is een speciaal geval. Een Gelderse vrouw met de naam van Petronilla van de Velde. Het lijkt wel een personage die weggelopen is uit een Jommekesverhaal. Ze blijkt verschillende namen van het edel geslacht geüsurpeerd te hebben. Een werkwoord dat ik omschreven vind als ‘inlijven, overweldigen, toe-eigenen, veroveren of zich aanmatigen’ en ik laat u vrij om te kiezen uit dit menu. Petronilla doet zich voor als Gabrielle, de dochter van een heerlijk huis in Gelderland. Ze laat een track record achter van bedrog en dieverij en die komt pas naar boven wanneer ze in het huwelijk treedt met een edelman uit Maastricht.
Die ontdekt het bedrog van zijn bruid en laat onmiddellijk de trouwverbintenis door het geestelijk hof van Luik tot ‘nul en van onwaarde’ verklaren. Daarbij heeft de vrouw zich nog aangesloten bij de hervormde godsdienst. Ze wordt opgepakt in Brussel waar ze publiekelijk afstand doet van haar nieuw geloof en zo weer op vrije voeten raakt. Onder de naam van Maria Zwarts duikt ze nu op in Kortrijk waar ze haar bedriegerijen verderzet. Tijdens de junimaand van 1564 wordt ze alsnog opgepakt in Gent waar ze gegeseld, gebrandmerkt en opnieuw gegeseld wordt.
Het korte leven van Israël Uuterwulghen omvat één rode draad van misdaad, veroordeling en kastijding. ‘Hij werd gedurende zijnen korten levensloop bijna onophoudelijk met roeden beproefd. Na vele malen, op allerlei wijzen en met alle slag van bijwerk, gegeseld en gebrandmerkt zijnde, eindigde deze in den jeugdigen leeftijd van slechts 21 jaren, zijn ellendig leven aan de galg.’ De beschrijving van Uuterwulghens’ leven is hallucinant. Ik probeer de tekst wat in te korten. Zijn omgang met dieven en ander kwaad gezelschap en de daarmee gepaard gaande resem diefstallen brengen hem negen keer tot bij justitie. 1633,1634 en 1635 vormen een ‘file rouge’ van martelingen.
Hij wordt drie keer uit het land verbannen. Een eerste keer voor 20 jaar, later voor 40 jaar en uiteindelijk voor 50 jaar. En toch blijft hij ongestoord verder stelen tot de galg een einde maakt aan zijn misdadig traject. De straf van de geseling wordt nu en dan gevolgd door het aanbrengen van een brandmerk. Die wordt vaak aangebracht op de rechterschouder van de misdadiger. Maar ook de rechterwang wordt in aanmerking genomen. Emerentiana Andelin, een Walin, werd medeplichtig verklaard aan een gewelddadige maagdenroof en wordt op die manier, na voorafgaande geseling en met de strop om de hals, op de ‘rechter kake’ gebrandmerkt en voor 50 jaar verbannen.
Een zekere Joos Hallaert heeft enkele schromelijke en abominabele feiten gepleegd. Zowel ten opzichte van manspersonen als van vrouwen, op de straten en in de kerken. De rechters van die tijd voelen zijn gegeneerd en durven geen verdere details prijsgeven. Zou het misschien een streaker kunnen geweest zijn? De omschrijving van de uitgevoerd straf brengt me weer bij de werkelijkheid. De man wordt ‘gelijkelijk, na ondergane geseling tot den bloede, met een gloeiend ijzer in het aangezicht gebrandmerkt en gebannen.’
Op 6 september 1527 wordt blinde Anekin (Jantje) van Laarne gegeseld. De volgende dag wordt zijn haar afgebrand en wordt hij in het gezicht gebrandmerkt. Hij ontvangt deze straffen voor waarzeggerij, en hij had, zegt een oud handschrift, zijn ziel overgeleverd aan de vijand om dat hij hem zou hebben geholpen bij het waarzeggen.’
‘Vrees God! Nu in onze moderne tijden ligt er niemand nog wakker van dit door de mens uitgevonden natuurelement. In de middeleeuwen is dat wel enigszins anders. God mag je in de oude tijden zeker niet beledigen of uitschelden. Dat is godslastering. Een grote doodzonde, de grootste van allemaal.
Ik vraag me af of vloeken ook tot die categorie behoort, maar ga dan vlug verder. De straf op godslastering of blasfemie is het doorsteken van de tong, met gloeiend ijzer of een priem. ‘Blasfemie tegen den almogenden God die ons geschapen heeft, blasfemie gedaan der moeder Gods, is te punieren arbitrairelijk in de tonge, bij banne. Zo is ook de blasfemie gedaan tegen de heilige santen en santinnen.’ Bovenstaande wettekst staat zo neergeschreven in het wetboek van Veurne anno 1517. Misschien moet ik toch wat vaker mijn mond houden…
Maar toch kan ik het niet laten, ik denk daarbij terug aan mijn vaders vader die zijn colère of tegenslag zijn plaats kon geven met een uitgesponnen ‘god verhemelde, geslegen, gekruiste, gestekte, verhemelste, verdomde, miljaarde godverdomde nom de dieu….’ en nog veel meer gemeende verwensingen. Vooral als hij zichzelf met een hamer op de vinger had geslagen.
Gentenaar Pieter Aerens is zo’n horribele en onverbeterlijke blasfemist. De voorbeelden zijn talrijk in zijn stad, maar hij spant toch wel de kroon. Pieter krijgt de straf waar hij om gevraagd heeft. Hij wordt op 16 maart 1539 naar de schandpaal gebracht waar hij tot de middag in positie moet blijven en waar zijn tong doorstoken zal worden. Daarna mag hij het ophoepelen naar Santiago de Compostella. Hier moet hij een vol jaar blijven. Welgeteld drie dagen krijgt hij om plaats te ruimen in zijn stad en in Vlaanderen. Doet hij dat niet, dan zal hij onthoofd worden. De uitgesproken vloekwoorden die aan de basis liggen van de misdaad, de ‘corpus delicti’, zijn van die aard dat de rechters ze zelf niet meer durven te herhalen. Ik blijf dus met de vraag zitten of die kunnen tippen aan wat grootvader zelf ooit tegen de keien sloeg.
Verschillende getuigen passeren de revue bij dat proces van Aerens. De vijftigjarige Jacob de Crachtele schetst geen al te mooi beeld van de veroordeelde: ‘hij verklaart onder ede dat de voornoemde Pieter dagelijks grote horribele eden zwerende is, als bij de kracht van de heer, dewelke d’alderminste is dat hij dagelijks zwerende is en hierbij zijn buurt beroert en zelfs zijn dochter en vrouw buitenjaagt, stellende alzo de voornoemde gebuurte in rep en roer. Hij verklaart ook dat hij hem nooit messe heeft zien horen en dat dagelijks leeggaande is en niet werkt.’
Hardleerse misdadigers die keer op keer hervallen en gegeseld worden, zullen vermoedelijk wel erg op de zenuwen werken van de schepenen. Na acht geselingen worden ze zonder veel boe of ba ‘met een gloeiend ijzer de tong doorstoken’. Joos Meganck bijvoorbeeld. Op 6 november 1561 veroordeelt de open kamer hem om alhier ‘in opene kamer gegeseld te worden up ’t bloot lijf totten bloede ende voorts gesteld te worden op een wagen voor het schepenhuis, ende aldaar met ene gloeiende ijzer gestoken te worden door uwe tonge en daarna op dezelfde wagen gevoerd en gegeseld te worden tot aan de keizerpoort.’
Het is de manier waarop de eerste aanhangers van de hervormde godsdienst gestraft worden. Joos de Backere, een van de aanzienlijkste burgers van de stad Gent wordt in 1528 omwille van zijn geloofsgevoelens naar de brandstapel geleid. Maar eerst wordt nog eens zijn tong doorstoken. Die brandstapel moet een afschrikkingsmiddel zijn, lees ik want het vonnis verklaart omstandig dat Joos de drie komende zondagen met een brandende toorts moet verschijnen in de processie. Bovendien moet hij gedurende één jaar een rood kruis op zijn rechtermouw dragen.
Het doorsteken van de tong met een gloeiend ijzer is zowat de standaardstraf voor godslasteraars en voor het uitspreken van smaad- en scheldwoorden. De jaarboeken van Brugge maken gewag van een man, Gisbrecht Wauters, die op 10 juli 1477 binnen de zelfde stad veroordeeld wordt wegens zijn oproerige en kwade scheldwoorden. Zo heeft hij gezegd dat die van Gent muitmakers zijn, die van Ieper ongelove ketters (heretijken) en die van Brugge heeft hij uitgescholden voor ‘buggers’. Die laatste term staat voor het verspreiden van de slechte leer.
De journalist van de ‘Excellente Vlaemsche cronycke’ geeft een online verslag door: ‘ende een uur op het scavot gestaan hebbende, zo kwam die hondeslagere en verbant hem zijn oogen, en stak hem met eene scerpe elsene deur zijn tonge’. Het beroep van hondenslager heeft ter info niets te zien met het afmaken van honden, maar alles met het doen verwijderen van honden uit kerken. Het ambacht van de hondenslagers is in Brugge verantwoordelijk voor het beulschap.
Het afsnijden van oren en neuzen, het brandmerken in het gezicht en het doorboren van de tong zijn lachertjes in vergelijking met het uitsteken van de ogen. Die straf overtreft alles. In de ‘Cronykje van Antwerpen’ staat genoteerd dat twee ‘botters’ op 13 juli 1523 die wrede straf mogen ondergaan. Ik leer hier dat ‘botters’ mensen zijn die met ‘kwade teerlingen’ spelen. Ook in Amsterdam wordt in 1461 iemand veroordeeld wegens vals spelen en dobbelen op verbeurte van beide de ogen. In 1531 wordt deze gruwelijke straf uitgevoerd op sommige schrijvers, drukkers en uitgevers van nieuwe en gereformeerde werken.
Eigenlijk is de vaste straf voor dobbelaars het verlies van het voorste lid van de duim. Een straf die ook in bepaalde steden als standaardpunitie geldt bij verbanning. De ban voor lange termijn geeft hier en daar aanleiding tot het afhakken van de volledige duim. Het spelen met valse teerlingen en het gebruiken van valse maten en gewichten wordt op dezelfde manier bestraft. ‘Wi oec qualike mate hi verliest den dume’.
Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


