Op een zomerdag volle zonne van ’t jaar Onzes Heren 1350 rijdt de eerste burgemeester van Brugge over de Steenstrate, verder de Brugse Heerweg genoemd, naar de hoge heuveltop van Aartrijke. Hij zit te monkelen van kontentement. Want hij ziet Aartrijke geerne. Het is zijn familiedorp. Hij heet immers Simon van Aartrijke.
Daar waren ne keer twee soldaten, Crabbe en Sparre, die te oud waren om nog in het leger te dienen en te lui om te werken. Daarom gingen zij bedelen; maar ze werden omtrent overal slecht ontvangen; ze en kregen bij kan niet: men zei hun dat ze kloek en gezond waren en maar en moesten werken om de kost te winnen
Het Oosterse Rijk, uiteindelijk, of het Oster-Rike, kwam aan Sigebert die in zijn deel Auvergne, het noordoosten van Gallië en Germanië tot aan de grenzen der Saksen en Slaven bezat’. Vlaanderen, met de Westhoek als uiteinde aan de grote zee was de ooit de tegenhanger van de oostelijke gebieden van Gallië. Ons land kon dus net zo goed Westenrijk genoemd zijn en net zoals Oostenrijk de tanden van de tijd overleefd hebben.