Blij zijn ze er niet mee in de Westhoek. Elke oorlog met Frankrijk betekent opnieuw […]
’t Is geen vetlap vandaag (het weer is regenachtig)
Ik ga geen Blankenbergse rekening maken (niet nodeloos uitweiden)
Werken dat zijn hart watert
Ik spring niet lijk hij gaapt
+ E’twieën ze toenge pelen (uithoren).
+ Z’et è karpeltoenge (ze heeft een spraakgebrek)
+ ’t Vier in je roeper hèn (dorst hebben)
Ik zien Cassel op ’n berg van ’n venster van men huus
T’ is lyk een kleen eiland in ’t middel van de zee
Schittooge (anus)
Schobbeln (slordig en rap werken)
Schoedn (melkkruiken reinigen)
Schof (deurgrendel)
Men moet geen hooi in d’eyze (ruif) laten (zijn glas uitdrinken)
Ik heb er niet bij gestaan met een keirse (ik was geen getuige)
Duveltjesdomdag (zeer druk in de zaak)