Ieper. Maurice was op jacht zo gelukkig geweest twee schone moortelvette patrijzen te schieten, en daar hij wist zijn beste vriend ermee plezier te doen, besloot hij hem ’s anderendaags een aangename verrassing te bezorgen.
E je frites g’eten tè? Dat zegt men tegen iemand die het vertikt om goedendag te zeggen. En als die man dan vraagt waarom, luidt het antwoord ‘omdat je moend nog toeplakt van ’t vet’.
Zijn verstand zit in een schuimspaan, ’t beste loopt er deure.
Hertefretters worden niet geboren maar gemaakt.
è Vrouwe zwijgt de dingen die ze niet weet.
Nu mezen en robaers hen honger, koud en durst
Ze kommen ieder dag en pekken e bitje vet
Der zijn ossan oortjes aan d’n anderen kant van de meur.
‘T is nie gemakkelijk om ol joen vingers even lank te maken.
Geen goe memorie? Probeert een keer etwot te vergeten!
Gierigoards zijn gin plezante menschen, maar wel plezante voorouders.
Sommige pelgrims waren door het water en de ratten uit hun woningen verdreven, anderen door werkloosheid; sommigen handelden uit wanhoop, anderen uit geloof en bijgeloof; maar al deze dolende stumperds hadden slechts een doel voor ogen: sterven in de schijn van een gewijde kaars en in de schaduw van een vermaard heiligdom.
Over de prijs van de boter Waar zijn de gelukkige tijden op de welke de […]