Anno 553. Dit jaer wierd’er byna geenen winter gevoeld; dog daer volgde eenen grooten hongersnood […]
Rijk zijn is ’t contrarie van arm Precies lijk koude is ’t contrarie van warm […]
Oktober nat en koele, de winter zochte en zwoele.
Houd’n de bomen hun blaren lang, wees dan voor een strenge winter bang.
Gift de herfst veel mist en neveldoagen, in de winter zal de sneeuw u ploagen.
Voor een zieke of iemand die enige rauwigheid in de keel heeft, of slijm of brand.
vroeg in bedde warm en rein
met een glasken goei wijn
uit het bed voor hen en hane
met uw pijpke op de bane
+ E’twieën ze toenge pelen (uithoren).
+ Z’et è karpeltoenge (ze heeft een spraakgebrek)
+ ’t Vier in je roeper hèn (dorst hebben)
Mens! Welk een weelde van kramen en -venters. Stoffen met gehele hopen: ‘ Drie ellen voor nen frank’ – Kramen met stokvis, rogge en haring: ‘Verse vis, verse geernaarts … ‘ – ’n Tapijt uitgespreid op de grond, met ’n hele vracht sigaren: Vijftig frank voor nen bak! Vijf en veertig! Veertig! Vijf en dertig frank!