banner
Jun 4, 2019
1349 Views

Matruzalems gat

Written by

Ik meende hier te Lissewege ook een afstammeling te moeten raadplegen van de ingeweken havenarbeiders. Moes, onze eerste zegsman, wees me de weg naar zijn oude buurman Tobbe, die ons heel vriendelijk ontving. Tobias Coene woont hier rustig met zijn vrouw in een ruim net pachthuis met grote achterplaats en hof langs de staatsbaan naar Zeebrugge.

banner

Tobbe van Oelem

Ik meende hier te Lissewege ook een afstammeling te moeten raadplegen van de ingeweken havenarbeiders. Moes, onze eerste zegsman, wees me de weg naar zijn oude buurman Tobbe, die ons heel vriendelijk ontving. Tobias Coene woont hier rustig met zijn vrouw in een ruim net pachthuis met grote achterplaats en hof langs de staatsbaan naar Zeebrugge. Hij vertelt gemakkelijk, doch onderbreekt een paar maal zijn herinneringen om een grof voorvalletje te vertellen en voegt er aanstonds aan toe: ‘Ge moet dat niet opschrijven iefrouw, ’t past niet voor uw boek!’ Natuurlijk liggen zijn oudste herinneringen in zijn geboortedorp Oedelem.

‘Mijn vader Pieter Coene en moeder Wantje Werrebroek komen van Oelem, tegen grootvader Sissen Werrebroek zeiden ze gewoonweg Siestje Pree omdat hij heel zijn leven ketser geweest is aan achttien te maande bij de molenaar Sissen Pree aan ’t Vliegende peerd, langs de Brugse kalsij. Sissen Pree was zoals veel molenaars een rare Tiesten en hij plaagde een keer een grote boer: ‘Baas gij die zo goed weet uit wat voor een gat de wind waait, zoudt ge mij kunnen zeggen in wat voor een gat dat hij het langst gezeten heeft…’ En de boer aan ’t raden… ‘Neen, neen… ‘k ga het ik je zeggen: in Matuzalems gat, hij is driehonderd zestig (!) jaar geworden’.

Siestje Werrebroek woonde in een tweewoonste een boogscheut van de molen en moeder was vroeg meisen bij de molenaar. Zij heeft mij veel verteld want zij is 98 jaar oud geworden, och ’t was toch zo een fraai wijvetje en van jongs af had zij een goed herte. Als de patatten uitgedaan waren bakte de molenarin koeken als naar gewoonte en een arbeider had veel koeken geëten en zegt hij tegen ’t meisen – mijn moeder – ‘Dat is toch wat hé Wantje, dat ik zoveel koeken mag eten als ik wil en dat mijn kinders t’avond schier zonder eten naar bedde moeten.’ Zegt moeder daarop: ‘Wat zou je willen?’ – ‘Kunt gij mij enigte meegeven in ’t duikertje, ‘k ga ze onder mijn slaaplijf (baai) steken.’

Hij sloofde seffens ’t slaaplijf op en moeder stak er de nog domende hetekoeken onder, maar ze waren zodanig warm dat hij er ongemakkelijk van werd. En de molenarin vroeg: ‘Wat scheelt er dan?’ – ‘Och bazinne die hetekoeken steken op mijn herte!’. En daarmee was hij buiten en in een vlucht naar zijn kinders.

Vader, Pier Coene, woonde op een klein postje, een gemet eigendom, in de Witte moer bij de Bokken te Oelem, tegen Maldegem. Het postje werd later verkocht en vader erfde zijn deel en ging met zijn vrouw als beestesnijer te Maldegem wonen in ’t Vossenhol. Ja en hoe gaat dat hé!’t geld niet baas, geern eentje klaaien en ’t erfdeel was vertureluut en vader werd boerenarbeider.

Door de grote daghuur aangetrokken kwam hij, als zoveel andere, in ’t jaar 1899 naar Lissewege om op d’have te werken, maar hij probeerde algelijk voorzichtjes aan. Hij pachtte eerst een leegstaand werkmanshuizetje aan de schaapboer Clais tegen Heistsas en de boer kwam ons halen met peerd en wagen en heel ’t menaze kost er op verhuizen, we hadden nog plaats over. In ’t pachthuizetje waren we al half geïnstalleerd als we toekwamen met een ingemaakte spinde en koetse, nog een stove, een tafel, een bank en wat stoelen en we woonden.

Dat was eigenlijk een driewoonste waar wij toekwamen, ’t Paddenhol genoemd, zodat wij van het ene hol naar het andere verhuisden. Wij zijn met zes kinderen geweest, doch Leon was toen al gestorven, hij was in de mazels gebleven. Mijn zuster Bertha stierf in ’t jaar drie van ’t fleurus, ze had een verhitting opgedaan van patatten te rapen in de regen, en de boer voerde ze met de wijtewagen naar ’t kerkhof.

’t Jaar nadien gaf vader de boerestiel op, hij verhuisde naar ’t dorp om in de koksfabriek te gaan werken aan 36 centiemen per uur. Wij pachtten het Apertje bij de Poermolen, vijf frank te maande, ’t was herberg en kloefewinkel meteen, omdat de Brugse eigenaar Viele stromarsjang en kloefemarsjang was. Doch wij hebben daar niet lang gewoond, ’t Apertje werd openbaar verkocht en Lewie Kloef kwam hier, als nieuwe eigenaar, herbergier spelen.

Wij verhuisden een eindetje verder achter ’t Dudzeels kalsijtje daar waar ’t Lisseweegs vaartje uit ’t land gedraaid komt; ’t was een nieuw gezet huizetje van een stasie-en-half en we pachtten aan de keunemarsjang Piekevet: negen frank te maande in het jaar zeven, dat was om te bezwijken en schier niet op te halen. En zeggen dat het maar een gewoon proper werkmanshuizetje was van de tijd, ge weet wel: met de voordeur in de grote woonplaatse, een achterkeukentje en nog een vautekamertje.

Wat dat vader moest doen in de koksfabriek? Hij werkte in de koolkelder bij de kooltrachter: ’t was kolen laten lopen, regelen – niet te dikke – op de riem die naar de kooltoren gedreven werd om daar zo fijn als koffie gemalen te worden en koks voor te maken. Dat was eigenlijk een koolmengeling: twee deel engelse kolen die veel gaze geven en een deel duitse kolen die terre gaven. Mijn broer Kamiel, zestien jaar oud, werkte daar als kaleier, ge verstaat dat hé de ovendeur was wel toegeplakt met kleite, maar de vlamme zou nog durven door een borste slaan. Kamiel moest die borsten kaleien: met een borstel aan een lange steert al de garren met lichte kleite toesmeren, en als jongen verdiende hij al dertig centiemen per uur.

Zij werkten daar wel met 250 mensen voor een duitse kompajie: Rombagute geloof ik (later Solvee) die in gang gekomen is als ’t eerste schip in d’have kost varen met engelse kolen. De waalse ploegbaas kommandeerde op zijn vlaams: ‘’t Ies iek zeg boot ies kom.’ Als de koolboot de Foelsend binnenkwam moest-je zesendertig uren aan een stuk, over dag en nacht, doorwerken en je eten laten brengen op d’have.

Warm eten in een keteltje? Ja-je! ge kunt dat pein-zen! warm eten van’t broomes: een zak stuiten en een krui-ke koffie. Ik zegge wel kruike, omdat mijn broer alzo aan zijn bijlap kwam: moeder, van ’t Zuiden, riep nog bezorgd: ‘Kamiel g’hebt je pulle koffie vergeten!’ En daar zie, Kamiel bleef Pulle Coene gelapnaamd voor heel zijn leven.

‘k Sprak daar pas van de Waal hé? Jaz’ de ploegbazen waren bijkans al Walen, ze moesten zelfs niet geleerd zijn. Kijk Jan de Fransman kwam hier als dierentemmer met een sierk toe en met zijn franse tonge gerocht hij seffens sef de foer, en daar hij met een Brugse getrouwd was, sloeg hij er zich op zijn gebroken vlaams ook door en werd zelfs baas van de sefs, bovendien woonde hij in een huis binnen de fabriek.

Rond die tijd draaide de ‘Bruzooize’ (metaalfabriek Brugeoise) ook al bij Brugge en veel vakmannen kwamen naar de koksfabriek over om als smid, timmerman, metsenaar in de ateliers te werken voor een hoger daghuur, want die Bruggelingen kregen ook de voorkeur en liepen met de schoonste plaatsen weg. Hoe dat ze zulke hoge daghuren kosten geven?

Wel ze beweerden, dat zolang de fabriek niet volledig opgedaan was, moest zij geen lasten betalen en alzo kosten zij goed uitbetalen, zelfs om naar een begravinge te gaan. ‘k Gelove dat de inzenieur Delecluse van aan de Bassing te Brugge in ’t jaar twintig gestorven is en ’t was gezeid: al die kost een doodsantje togen zou uitbetaald worden. Zo je moet niet vragen: velen trachtten een doodsantje te krijgen van een kennis en gingen naar de begraving niet.

Van de school moet gij mij niets vragen iefvrouw, ‘k was voor geen leren, ‘k hielp veel liever aan kraweitjes in ’t gebuurte, maar bij Liks Pitte een metsenaar uit de Zinderdreve waren we algelijk gefopt. Zegt hij alzo op een loze manier: ‘Als gij die hoop stenen helpt wegvoeren krijgt ge elk twee schone niemedalletjes.’

Maar wij verstonden nieuwe medalies. En als het steen vervoerd was zei hij: Wel bedankt… ge moest beter hurken (luisteren). Bij bakker Keschaver, de bakker achter ’t Dudzeels kassijtje, vaarden wij beter. Na school hielpen wij ’t voer uitgeklaaid hout voor de deur, al door het huis naast de bakkerij dragen, elk drie fasseel met een keen en door de bakker werden ze opgeklast: ‘Hier zie jongers, zei hij, elk een kluite drinkgeld’ en weg waren we rechte naar de spekkewinkel.

Stantje de bakker deed goede zaken met ’t opkomen van d’have, ge verstaat dat wel: zoveel vreemdelingen die hier toegestuikt kwamen en over geen ovekotje beschikten, ze kochten een brood van een kilo en half voor vier kluiten. De bakkerinne – een vievrouwe (vroedvrouw) had ook een handje weg om klanten aan te trekken.

Na de zondagsmis mochten de klanten in de grote keuken een kommetje koffie drinken met de twee gekochte platte suikerkoektjes: een wijf of tiene, en heel de parochie werd overlegd eer dat elk zijn zeg gezeid had. Moeder telde ook bij de klanten en de kinders kregen binst de week een zakstje suikerblek (brokkeling van die taartjes).

Ik was dan juiste eerstekommunie-oude en de bakkerin hield ook kermistafel voor de eerstekommuniekanten van de klanten, boeljongsoep, grote schellen boelie met patatten en goede dikke botersaus en daarna nog een stuk pudding uit een visvorm. In het jaar achte zaten we met zeven eerstekommuniekanten aan tafel, het achtste Ko Marius uit de Poermolen en de oudste van zeven, werd geweigerd omdat zijn moeder te veel plak staan had. Mijn moeder had zodanig veel kompassie: ‘Kom Kootje zei ze, ge moogt gij bij ons aan tafel zitten’. En ik zelf zat aan de kermistafel bij de bakkerin.

Hoe ik gekleed was? Zo profijtig mogelijk: moeder kocht een kostuumtje bij de Sneuk te Brugge, en leende een bolhoedje. Van Tuur van Eke, een soorte van ploegbaas op de vaart, die bij ons op lozement lag, mocht ik de zakhorlozie aandoen met een keten op mijn buik van ’t ene vestezakstje naar ’t andere.

De maandag, tweede kommuniedag, na de mis van dankbaarheid mochten we met de meester de hoge kerktoren opklimmen en hij gaf uitleg: ‘daar ligt Dudzele en gunter Heist en de zee enne…’ Maar wij waren op zoek naar ons eigen huizeke daar dichtbij en… met een windruk vloog mijn geleend bolhoedje naar beneden. Al de jongens stormden de trappen af en op zoek tussen de graven van ’t kerkhof… maar ’t geleend bolhoedje was al gerobberd, zorap was het gegaan.

’s Achternoens trokken we met meester Retsieng naar de zee naar Blankenberge: Klerk, een misdienaar die wat drinkgeld op zak had van trouwers te stroppen in ’t portaal, kocht een soevenir en hij had nog geld over. Al met eens leest hij op een venster in de Kerkstraat iets van ‘Engelsche spoken’ en de jongen ongevraagd de winkel binnen:

‘Voor een kluite Engelsche spoken.’ En toen hij beteuterd buitenkwam kost de meester nog niet spreken van ’t ingehouden lachen. In die tijd van ’t jaar was dat nog gewoonweg te Blankenberge, dat was maar zomerseizoen binst de vakantie voor rijke mensen die kwamen baden. ‘k Weet wel dat er nog een af spanning in de Kerkstraat was waar dat ze koeien molken, en in ’t uitgaan hadden de koeien een zak onder ’t gat om de straten niet in ’t grasgroen te besmeren.

De dinsdag achter de eerste kommunie was het opgeschept, ik was volleerd en kost lezen noch schrijven, ik was verhuurd als koeier op ’t Groot ter Doest bij boer Michel Vande Berghe.

Die grote hofstee lag niet ver van t’onzent en ik had als jongen dikwijls horen vertellen van dat oud hof: ‘Dat is een patershofstee en… ’s nachts komen ze lezen en spoken.’ Zo ge moet niet vragen, die eerste nacht dat ik alleen in de koetse in ’t peerdstal sliep: ik hoorde de paters komen en de paternosterbeiers ruttelen, de peerden werden bereden… Ho! ’t was wreed, ’t zweet brak mij tallenkanten uit, ik schreemde en schoof de koetsedeur open om te schruwelen, maar ‘k zag niemand en ’t was stil. Toen schoot dat ander vertelseltje mij te binnen van de verzonken koeier: ‘Over vele jaren moest de koeier met de stuitemande naar d’arbeiders op ’t land en onderweg had hij al ’t vet van de boterhammen afgeschreept en koeistront opgesmeerd. De boer ranselde de jongen af en hij loochende en zei: Baas ‘k mag hier verzinken als ’t waar is… en subiet zonk de koeier door de grond.’ Daarom hebben ze de koetse gezet op die plaatse in ’t peerdstal.

Ik hield mijn koetse vaste en liet de schuifdeur open om aantijden uit bed te springen… slapen kost ik niet. Ik was zo blij als de boerin van uit haar kamer door ’t vierkant venstertje in ’t peerdstal riep: ‘Opstaan!’ ’t is viere! de koeien halen!’

Magda Cafmeyer in Biekorf uit 1971

Article Categories:
vergeten geschiedenis
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *