banner
dec 17, 2020
818 Views

Vijfduizend kemels

Written by
banner

Crisis in Brugge
In Brugge is rond die tijd eveneens een crisis aan de gang. Met dank aan de dictatuur van de proost van Sint-Donaas die nu in Vlaanderen de lakens uitdeelt in naam van Clementia van Bourgondië en haar zoontje Boudewijn. De willekeur van de proost en de heersende wetteloosheid doen een zware oproer uitbreken in de stad. Het lijkt er wel op dat de inwoners er op uit zijn om elkaar uit te moorden. Vaders sparen hun zonen niet en die zonen aarzelen er niet voor om zich te besmeuren met het bloed van hun vaders.

Clementia probeert de gemoederen te kalmeren, iets waar ze maar heel moeizaam in slaagt. Ze heeft er zelfs de hulp van een ‘heilige’ bij nodig. De heilige Donaas, de patroon van de stad en in zijn tijd, lang geleden gekend als een vredesactivist, moet redding brengen tijdens een algemene processie. Clementia laat zijn relieken ronddragen tijdens de ommegang en slaagt er op die manier toch enigszins in om de rust wat te laten terugkeren. Het is in elk geval duidelijk dat dit primitieve Vlaanderen toch wel de harde hand van een graaf op zijn plaats mankeert.

In het oosten is het ook allesbehalve suiker en zeem. De stad Antiochië mag dan wel in westerse handen zijn maar het kasteel in de stad is dat zeker niet. Daar houden de meeste Turkse garnizoenen zich klaar om bij de eerste de beste gelegenheid uit te breken. De westerlingen moeten er absoluut zien binnen te breken. Het nieuws dat er 300.000 Turken op komst zijn onder het bevel van Eurpalan, de sultan van Perzië zorgt voor de nodige hoogdringendheid.

Op 3 juni 1098 maken Robrecht en co zich op om aan hun belegering te beginnen, maar daarvoor zijn ze eigenlijk al te laat. Eurpalan omsingelt de stad en toont zich erg gretig om de ‘christen honden’ hier in Antiochië af te maken. Het lijkt wel een IS-verhaal. Spijtig genoeg lijken die van ons – met inbegrip van de hele reeks geschiedschrijvers van dienst – niet te beseffen dat onze zogezegde christenen qua bloeddorst en imperialisme niet moeten onderdoen voor de ‘ongelovigen’.

Graaf Robrecht had nog voor de komst van het Turkse leger een versterking opgetrokken buiten de stad. Na een gevecht van zonsopgang tot na middernacht vertrouwt hij zijn bastion niet langer en keren zijn mannen terug binnenin de stad en zitten ze nu dus met zijn allen als ratten in de val, zonder enige hoop aan hulp van buitenaf of om aan levensmiddelen te geraken. De hongersnood laat niet lang op zich wachten. Tot de kemels en de ezels toe moeten opgegeten worden. Ik laat enkele miraculeuze toestanden i.v.m. de vondst van de fameuze lans die het lichaam van Jezus ooit doorboorde aan me voorbijgaan om me te focussen op de werkelijke toestand.

Het is voor de westerlingen nu wel duidelijk dat ze slag zullen moeten leveren als ze willen overleven. De voorbereiding duurt drie dagen. Een tijd van vasten (vermoedelijk niet zo moeilijk), biechten en ter communie trekken om de zielen te formatteren. Want blank zullen ze zeker niet meer zijn nu. De aanmoedigingen van Ademarus en de andere bisschoppen en priesters in priesterlijk gewaad, zwaaiend met kruisbeelden en psalmen komt over als een spionkop met God als roeper van dienst.

Vijfduizend kemels
De historici likkebaarden bij zoveel actie en dramatiek. Ik citeer hen even; ‘hun aanval was zo hevig dat ze op enkele uren tijd 100.000 ongelovigen in hun bloed deden zwemmen en de overige van dit ontelbaar leger op de vlucht dreven, welke al hun krijgstuigen, schatten en levensmiddelen achterlieten op hun legerplaats. Het aangenaamste van deze grote buit waren de 5.000 kemels geladen met alle slag van levensmiddelen, welke genoegzaam waren om de verhongerde christen te spijzen, van welke er niet meer van 4.000 in deze slag waren gesneuveld. De bevelhebber van het kasteel van Antiochië was door deze onverwachte overwinning zo sterk getroffen dat hij zich niet alleen seffens overgaf, maar ook met verscheidene van zijn soldaten het christengeloof aanvaardde.’

Graaf Robrecht is er zeker van. Niemand minder dan de apostel Andreas heeft deze overwinning gefikst. Hij stuurt onmiddellijk een boodschapper naar zijn echtgenote Clementia in Brugge met het nieuws van de victorie en met de dwingende eis om asap een klooster op te richten ter ere van die goede Andreas, zeg maar Andries. De gravin aarzelt niet en kiest hier de kapel, genaamd de ‘Betferkerk’ uit en ook in ‘Straeten’ bij Brugge laat ze een benedictijnenklooster optrekken, op de plaats waar de abdij van Sint-Andries ooit stond. Het is trouwens van die abdij dat de parochie van Sint-Andries zijn naam ontleend heeft.

De vreugde van de christenen na de overwinning is haast niet te beschrijven. De lol zal helaas niet lang duren en slaat om in dood en verderf. Korte tijd later sterft het grootste deel van hun leger door de pest. Zelfs de pauselijke gezant Ademarus sterft aan deze plaag. Na de nederlaag van de Turken nemen de Egyptenaren Antiochië over. Ze zijn zogezegd in verbond gegaan met de christenen. Die van Egypte verjagen de Turken uit al hun steden van Syrië en zelfs uit Jeruzalem, de hoofdstad van het Joodse land zodat de kruisvaarders zonder werk vallen.

Met de Egyptenaren krijgen ze wel last. Vooral omdat hun machtig leger door ziekte gedecimeerd is tot een fractie van voorheen. De tijd breekt aan om Antiochië achter te laten. De Normandische edelman Bohemond blijft achter als gouverneur van de stad. De tocht naar Jeruzalem verloopt vlot. De mannen omhelzen elkaar als ze in de verte eindelijk de muren en de torens van de heilige stad zien. Jeruzalem! Jeruzalem! De ridders springen van hun paarden, de voetknechten doen hun schoenen uit om met de nodige devotie deze gewijde aarde te betreden.

Pieter de Kluizenaar loopt er ook nog bij
7 juni 1099. De westerlingen staan nu aan de buitenkant van Jeruzalem en moeten die nu ook nog veroveren. Dat wordt best een pittige job, de stad is versterkt volgens de regels van de kunst en goed voorzien van mannen en materiaal. Het garnizoen binnenin is groter dan het christenleger dat nog nauwelijks 40.000 koppen telt en daarvan zijn er zeker 10.000 bij die niet bij machte zijn om te vechten. Het geeft een beeld hoezeer dat immense leger uitgedund is.

Ter plekke lijden ze aan een groot gebrek aan water dat ze wel vijf uur ver moeten gaan zoeken. Hout om stormtuigen te maken is al evenzeer schaars. Tijdens het beleg, terwijl honger en dorst de aanvalslust zwaar bemoeilijken bouwen de christenen drie zware stormtorens die zowat even hoog zijn als de vestingmuren van Jeruzalem. De toestellen zijn best ingenieus, bovenaan voorzien van een soort bruggen die ze op de muren kunnen laten vallen om zo via deze weg in de stad te kunnen binnendringen.

Godfried van Bouillon voert het bevel over de eerste toren die ze aan oostelijke zijde opstellen. Tancrede uit Normandië neemt het noorden voor zijn rekening terwijl Raymond van Toulouse dat doet aan de zuidkant. Pieter de Kluizenaar loopt er warempel ook nog altijd bij! Met de macht van zijn taal naait hij de kruisvaarders op om te vechten tot ze erbij neervallen. De aanval zal zo goed als twee dagen duren. De christenen vechten als verbeten en de belegerden laten zich niet zomaar doen. Ze vergasten de aanvallers op hagelbuien van pijlen, stenen en brandend pek. Toch zijn die van ons niet te stuiten.

Ik moet opnieuw door een hele litanie van goddelijke assistentie worstelen om dan toch maar ’to the point’ te komen: Robrecht van Vlaanderen en de andere heren, met vooral het drietal op de torens maken zich op vrijdag 17 juli 1099 om 15u meester van Jeruzalem. In het eerste vuur van de overwinning hakken en kerven ze als razende demonen in op de Saracenen. Ze liquideren er 20.000 tegenstanders, Jeruzalem verdrinkt in het bloed.

Na de ravage komen de mannen tot rust en inkeer. De soldaten leggen hun wapens af, wassen hun handen en voeten en gaan blootsvoets en in tranen op bezoek naar de kerk van het heilig graf. Andere heilige plaatsen benaderen ze op hun blote knieën. Hun godsvrucht loopt de spuigaten uit en is in feite misselijkmakend. En wij dan maar janken over de islam. Na de reeks bloedstortingen in de 11de eeuw kan er beter een toontje lager gezonden worden. Enfin. Acht dagen later roepen ze Godfried van Bouillon uit tot koning van Jeruzalem, maar die weigert deze titel omdat die enkel kan gedragen worden door Jezus zelf en hij laat zich als ‘baanderheer van het heilig graf’ aanspreken. Hij zal zijn werk hebben met de Egyptenaren en pas nadat hij met hen afrekent kan er eindelijk over de terugkeer van graaf Robrecht gepraat worden.

Tancrede en driehonderd ridders blijven ter plekke om Godfried van Bouillon bij te staan, de rest maakt zich klaar om naar het vaderland terug te keren. Graaf Robrecht keert met de bijnaam ‘van Jeruzalem’ in het jaar 1100 terug naar Vlaanderen. De inwoners ontvangen hem met grote vreugde. In Brugge concentreert hij zich vooral op de afwerking van het klooster van Sint-Andries dat hij onder het bestuur plaatst van Fulgentius de abt van Affligem. Baldericus, de bisschop van Doornik stemt er in toe dat de monniken een priester mogen aanhouden die de geestelijke zorg over de lokale parochianen voor zijn rekening zal nemen. De kerk en het kapittel van Sint-Donaas krijgen ook al extra privileges en ongehoorde vrijheden.

Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Het Oud Verhaal van Vlaanderen’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *