Januari 1477. Karel de Stoute is gesneuveld. Alle ogen zijn nu natuurlijk gericht op Maria van Bourgondië, Karels enige dochter en erfgename van Vlaanderen, Holland, Henegouwen, Brabant en Bourgondië. Ze moet nog 20 jaar worden volgende maand. Het onervaren meisje zit in diepe shit. Het leger is vernield, de schatkist leeg en het ongenoegen van het volk zit diep. De mensen hebben het moeilijk gehad om het harde juk van haar overleden vader te dragen.
Aan de andere kant zijn de mensen verschrikt voor de dreigende inval van de Fransen want met die valse Lodewijk XI zal het vermoedelijk alleen maar slechter worden. Na het vernemen van het nieuws van zijn dood laat Maria de belangrijkste figuren van haar staten bij zich roepen. Ik som even hun namen op: Adolf van van Kleef-Ravenstein. Guido van Brimeu, de heer van Humbercourt. Willem Hugonet, kanselier van Bourgondië en heer van Middelburg. En daarnaast nog de bisschoppen van Luik en Utrecht en nog enkele andere personaliteiten.
Ze moeten onder elkaar uitmaken wat ze moeten doen om de welvaart van het land in stand te houden. De jonge vorstin begint al direct met een opmerkelijke actie: ze laat Adolf van Gelderland vrij die nu nog altijd gevangen zit in Kortrijk en daarmee wint ze al direct de sympathie van de Gelderlanders. Daarna roept ze de Staten van Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en Holland bijeen die in die dagen nog omschreven worden als ‘de Vier Landen’. De vergadering zal doorgaan in Gent.
3 februari 1477. De vergaderde Staten erkennen Maria van Bourgondië tot hun wettige vorstin en beloven haar te steunen. Tijdens de vergadering is er al sprake van onrust in de straten van Gent. De Gentenaars ruiken het natuurlijk dat hun nieuwe minderjarige gravin in een moeilijk parket zit en in zowat alles de tegenpool is van haar snoeiharde vader.
Voor hen is de tijd aangebroken om de oude voorrechten die ze verspeelden tijdens de slag van Gavere terug te eisen. De ambachten scharen zich achter hun dekens, nemen de wapens op en eisen luidruchtig dat ze hun voorrechten en vrijheden uit 1385 terugwillen. Deze onverwachte manifestatie brengt de hertogin/gravin in grote verlegenheid. Ze beschikt niet eens over een eigen leger en ze moet dus wel leven met de goodwill van Gent.
Op 7 februari gaat ze in op de lokale eisen en komt de rust terug. Na het nemen van de eerste maatregelen tijdens de staatsvergadering moet er nu eerst contact opgenomen worden met Frankrijk. Maria stuurt een delegatie naar Lodewijk XI in Péronne. Bij het gezelschap zie ik nogal wat schoon volk figureren; kanselier Hugonet, de heren van Humbercourt, Gruuthuse en Vere (Guido van Brimeu, Lodewijk van Brugge en Wolfaerd van Borsele) samen met de burgemeesters van Brugge en Ieper en de Roeland van Wedergrate, de voorschepen van Gent. En natuurlijk ook nog enkele kerkelijke topfiguren.
De ontmoeting in Frankrijk verloopt allerminst zoals gewenst. De delegatie vertelt de koning dat ze gekomen zijn om in de naam van hun hertogin manschap af te leggen voor haar landen en verzoeken hem om het negenjarig bestand tussen beiden te blijven respecteren. Van de ontvangst kunnen de heren zeker niet klagen. Lodewijk toont zich best bereid om in te gaan op de wensen van zijn nicht, maar dan wel op voorwaarde dat ze bereid is om in het huwelijk te treden met zijn zoon, kroonprins Karel VIII, op het moment van de ontmoeting een kind van amper 6 jaar.
Als ze dat weigert zal hij de wapenstilstand niet respecteren. Tenzij ze bereid is om de graafschappen van Artesië, Boulogne en Bourgondië aan hem af te staan. Onmogelijke eisen dus. De delegatieleden geven te kennen dat ze niet over de nodige volmachten beschikken om in te gaan op deze voorstellen maar dat ze zijn wensen zullen overmaken aan hun bazin.
15 februari 1477. Maria van Bourgondië verplaatst zich met een groot gevolg van edele heren en vrouwen naar Zwijnaarde, waar ze zoals gebruikelijk 700 ballingen in vrijheid stelt. ’s Anderendaags zien ze haar terug in Gent en legt ze in de kerken van Sint-Pieters en Sint-Jan nu officieel haar eed af als gravin van Vlaanderen, een identieke eed zoals haar grootvader Filips de Goede hier ooit aflegde. Ze kan zich nu weer volop focussen op haar relatie met Frankrijk. Maar welk antwoord moet ze geven aan koning Lodewijk XI?
Maria huivert van een huwelijk met die kleine Fransman en verfoeit zijn vader te zeer om zich onder zijn gezag te willen plaatsen. De hele vergadering schaart zich aan haar zijde, met uitzondering van de Fransgezinde Hugonet die voorstander is van dat huwelijk en goed genoeg beseft dat al haar landen dan onmiddellijk zullen opgeslorpt worden door Frankrijk. Tijdens deze meeting ontstaat er nu ook beroering in Brugge. Het nieuws dat de Gentse ambachten hun vroegere vrijheden terugkregen inspireert hun Brugse collega’s om op te komen voor gelijkaardige rechten. Ze ventileren hun eisen via hun burgemeester van de schepenen Jan van Nieuwenhove.
Alle verdwenen voorrechten dienen terug in ere hersteld te worden. Maria verwerpt de Brugse eisen en dat heeft tot gevolg dat de ambachten zich op 24 februari in de wapens stellen. Van Nieuwenhove vlucht verschrikt de stad uit. Zijn collega-burgemeester (van de gemeente) Joos van Halewijn slaagt er in de oude voorrechten van onder het stof te halen. Hij gaat na waar de Bruggelingen mogelijk in hun vrijheden beknot werden.
Maria toont zich welwillend zodat de voor Brugge negatieve zaken uit de vrede van Atrecht uit 1437 definitief uitgewist worden, met inbegrip van de laatste taksen en accijnzen opgelegd door Karel de Stoute. De vreugde in Brugge is groot, met hun prinses Maria willen ze leven en sterven. Vreemd genoeg trekken de inwoners van het Vrije nu naar Brugge om er hun eigen vrijheidsbrieven in stukken te scheuren en verzoeken ze weer deel te mogen uitmaken van de echte Brugse vrijheden, een verzuchting waar de hertogin ook op ingaat.
Terwijl de Bruggelingen hun zin krijgen is kanselier Hugonet volop aan het lobbyen om de deal met Frankrijk er door te krijgen. Hij probeert Maria op alle mogelijke manieren te bewilligen om in te gaan op Lodewijks voorstellen. Het lijkt er op dat zijn pogingen op een succes kunnen uitdraaien en dat ze stilaan begint in te zien dat dit huwelijk een elegante oplossing is om haar problemen op te lossen. Ze beseft natuurlijk dat Brabant, Holland, Henegouwen en vooral Vlaanderen zullen daar helemaal niet mee opgezet zijn en regelt stiekem met Hugonet hoe ze ongezien uit Vlaanderen zou kunnen vertrekken zonder de adel en het volk op te schrikken.
De kanselier kent natuurlijk wel de nodige middelen om ook dat laatste obstakel uit de weg te ruimen en regelt al de details van haar clandestien vertrek naar Frankrijk. Maria van Bourgondië ziet dat persoonlijk allerminst zitten maar de plicht gaat voorop. In haar depressiviteit vertelt ze de oorzaak van haar droefheid aan Adolf van Kleef-Ravenstein die zijn gravin zo goed mogelijk troost en daarna de hulp inroept van Adriaen van Raveschoot, de voorschepen van Gent.
8 maart 1477. Het is meteen groot alarm. Dat nieuws van de onderkruiperij van Hugonet zorgt voor grote agitatie bij de dekens van de Gentse ambachten. Adriaen van Raveschoot vond het nieuws belangrijk genoeg om dat met hen te bespreken. De topmannen schieten direct in actie. Om 23u bellen ze aan bij de woning van Hugonet onder het voorwendsel van enkele belangrijke zaken in verband met hun hertogin mee te delen. Dat is natuurlijk een voorwendsel om hem gevangen te nemen. Hetzelfde lot wacht ook voor Guillielmus van Clugny.
De heer van Humbercourt, ook al een hevige voorstander van de Franse deal vlucht weg uit Gent en verschuilt zich in het kartuizerklooster tot ook hij opgepakt wordt. De drie toplui zitten nu gevangen in het Gravensteen. Pas nu blijkt welke smeerlapperij en manipulatie ze gebruikt hebben om hun doel te bereiken. De volgende morgen staat heel Gent in rep en roer. De stedelingen nemen de wapens op en nog voor zonsondergang vatten ze enkele medeplichtige wethouders bij de lurven. Roeland van Wedergrate, Philippe Sersanders, Pieter Boudins, Pieter Huereblock, Jan van Poucke en Olivier de Grave mogen de pot uitlikken.
Ze ondergaan een nacht vol pijnigingen tot ze uiteindelijk bekennen dat ze op basis van persoonlijke haatgevoelens nogal wat poorters uit Gent hebben verbannen, beboet of gestraft. En dat op basis van blanco – door de hertogin ondertekende – documenten die ze kochten van Hugonet en waar ze gelijk wat op konden op noteren. Na deze onthutsende bekentenis staat hen allemaal de onthoofding op het schavot voor het Gravensteen te wachten. Jan van Melle, de gewezen schatbewaarder vlucht naar Aalst maar keert op 18 maart als een gevangene naar hier terug. De drie notoire hovelingen blijven ondertussen achter slot en grendel.
Een tweede gezantschap vertrekt naar de Franse koning, dit keer zonder Lodewijks poulains wel te verstaan. De abten van Sint-Pieters te Gent en van Sint-Bertijns in Sint-Omer en nogal wat Vlaamse en Brabantse heren. Ze krijgen een behoorlijk onthaal van een koning die zit te popelen om verder nieuws te vernemen, vooral nu hij op de hoogte is van de rellen in Brugge en Gent.
De gezanten leggen uit dat ze zich volledig distantiëren van de oorlogen die hun overleden hertog Karel tegen hem gevoerd heeft en dat ze daar nooit mee akkoord waren gegaan. Het parlement aan Mechelen heeft daarbij alle maatregelen in het nadeel van Frankrijk ongedaan gemaakt. Vlaanderen wil niets liever dan de vrede met Frankrijk te onderhouden. Dat is natuurlijk niet het antwoord dat Lodewijk XI wil horen, de Vlamingen proberen tijd te winnen, meer niet. De waarheid ligt er niet ver vandaan: nooit of nooit zouden ze toestaan dat hun hertogin met de kroonprins van Frankrijk zal trouwen en zo al haar gebieden in Franse handen zal stellen.
De Vlaamse gezanten keren terug met de boodschap dat ze op korte termijn gaan ondervinden wat de Franse wapens zullen vertellen. Een dreigement dat diepe indruk maakt op de afgevaardigden en natuurlijk ook bij de jonge hertogin wanneer ze haar de boodschap overmaken. Er wachten ons grote moeilijkheden. De inlandse oproer verhindert de opbouw van een fatsoenlijk leger zodat Maria zich niet eens zal kunnen verdedigen tegen deze heerszuchtige koning.
16 maart 1477. Trammelant in Brugge. De ambachten lopen te wapen en nemen 16 van de aanzienlijkste poorters gevangen. Allemaal mensen die de voorbije jaren functies hebben uitgeoefend als wethouder of tresorier in het Brugse stadsbestuur. Ze eisen een volledige verantwoording van hun vorig bestuur. Jan De Baenst, Jan van Overtveldt, Jan Barbesaen, Maerten Lem, Anselmus Adornes, Pieter Metteneye, Jacob De Vooght, Lodewijk Greffinck, Jacob De Witte, Cornelius Breydel, griffier Jacob D’Hont en zijn zoon Jan, Jan Ghyns, Hieronymus Van Vyve, Jan Van Riebeke en Jan Van Nieuwenhove.
Op voorspraak van hun vrienden komen ze allemaal terug op vrije voeten. Maar de dekens en het gemeen blijven met een wrang gevoel achter. Waar zitten dan al die heren die als gatlikkers van hertog Karel de bewoners van Brugge hebben uitgeperst om zijn oorlogen te financieren? Ze plaatsen een beloning van 80 pond op het gevangennemen van de gevluchte burgemeester Jan Van Nieuwenhove. De Bruggelingen benoemen daarbij ook nog de heer van Pamele tot bevelhebber van de kastelen in Sluis. Hij zal de plaats innemen van de overleden Simon De Lalaing.
27 maart 1477. Geruchten dat er pogingen aan de gang zijn om Hugonet & Co los te laten zorgen voor negatieve reacties bij de ambachtslieden. Ze lopen met de wapens in de hand naar de Vrijdagmarkt om de berechting van de drie topmannen te eisen. Zolang dat niet gebeurt, blijven ze hier netjes staan. Een krachtdadig statement van het Gentse volk dat de rechters een ‘sense of urgency’ aanmeet.
Ze kunnen dit probleem niet eeuwig voor zich uit blijven schuiven. Hugonet komt eerst aan de beurt. Op de pijnbank beschuldigen ze hem van valsheid in geschrifte met de bedoeling om grof geld te verdienen met al die blanco getekende en gezegelde papieren. Dat de beschuldigde papieren van hertog Karel achtergehouden heeft waardoor hij deels mee de oorzaak van zijn dood was. En dat hij Maria van Bourgondië aan de Franse koning heeft verkocht en haar binnenkort op verraderlijke manier aan hem wilde uitleveren. Vreselijke beschuldigingen die door Hugonet ook bekend worden, uiteraard pas nadat er vreselijke pijnigingen aan te pas kwamen.
Ook Humbercourt en Jan van Melle bekennen wonderlijke zaken tijdens hun marteling. Het vonnis kan maar zo duidelijk zijn: de doodstraf voor elk van hen. Wanneer Maria van Bourgondië het nieuws van de uitspraak verneemt stapt ze naar de rechtszaal en zoekt ze hulp bij haar raadsheren om die straf ongedaan te laten maken. De rechters blijven echter onverbiddelijk, het vonnis moet daarbij nog binnen de drie uur uitgevoerd zijn.
Maria verschijnt bij het schavot op de Vrijdagmarkt. Met losse haren, getooid in rouwkleding en met groot verdriet werpt ze haar vrouwelijke charmes in de weegschaal. Dat ze haar vrienden moeten sparen en patati en patata, tranen die hier en daar wel zorgen voor sporen van genade bij enkele inwoners. Maar de meeste Gentenaars blijven fanatiek en schreeuwen naar de beul dat hij aan zijn taak mag beginnen.
De hertogin beseft dat haar aandringen geen zin heeft en vertrekt treurend naar haar hof. Kanselier Hugonet betreedt als eerste het met zwart laken bekleed schavot. Hij knielt, vouwt zijn handen samen en spreekt geen woord. De Bourgondiër kent trouwens geen woord Vlaams. Zijn biechtvader, een karmeliet die hem bijstaat laat weten dat hij vergiffenis vraagt. Na de onthoofding komen enkele karmelieten hoofd en romp afhalen om te begraven in hun kerk. Dan is Jan van Melle aan de beurt, zijn lichaam vindt een rustplaats in de kerk van de augustijnen.
Voor de terechtstelling van de heer van Humbercourt vervangen de Gentenaars de zwarte aankleding van het schavot door een rood laken. Ze gaan hier zo meteen een ridder van het Gulden Vlies een kopje kleiner maken. De man moet naar boven gedragen worden, hij werd zo sterk gemarteld dat hij niet eens meer kan stappen. Zittend op een stoel hakt de beul hem het hoofd af. Humbercourt zal volgens zijn laatste wens naar zijn heerlijkheid in Atrecht gevoerd worden, hier zal hij zijn laatste rustplaats vinden. Deze drie heren sterven hun trieste dood op Witte Donderdag, 3 april van het jaar 1477.
De wraakzuchtige Gentenaars zijn pas nu tevreden. Ze verlaten de markt waar ze acht dagen gestaan hebben en leggen de wapens neer. Alleen Guillielmus van Clugny redt zijn vel. Gewoon omdat hij priester is mag hij zijn straf uitzitten in de gevangenis. Later zal hij er kunnen ontsnappen en wegvluchten naar Frankrijk.
Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek


