De Toekomst Anno 1872, op de 10de augustus. De kermis van Ieper was maar weinig begunstigd geweest door het schoon weer. De eerste dag – ondanks dreigende wolken – liet men de processie uittrekken. Men hoopte zonder twijfel op een mirakel, maar die tijd was voorbij want halverwege gekomen moest iedereen het op een lopen zetten wilde men niet doornat worden. Het vuurwerk werd uitgesteld tot zondag 11 augustus. Het veldfeest in de Concorde (buiten) was maar half geslaagd. Omdat de dansers en danseressen hadden moeten schuilen in de zaal om het bal af te werken. Het was alleen maar de luchtbal van de heer Glorieux die geslaagd was.
Het was al lang geleden dat er hier geen luchtbal was kunnen opstijgen in goede voorwaarden. Maar afgelopen dinsdag was dat helemaal anders. Om 17u30 tijdens stil en aangenaam weer steeg hij omhoog in de richting van het noord-noordoosten en hij was neergekomen bij de boskant van Poelkapelle. Om 22u was Glorieux al terug in Ieper, zeer tevreden over zijn luchtreis. Door de schuld van het aanhoudend slecht weer waren de vreemdelingen ook maar zeer schraal geweest zodat dit jaar het Ieper-Thuyndagfeest maar half gelukt was. Volgens men beweerde zouden er volgend jaar festivals, schijfschietingen en een hele hoop feesten worden ingericht in het belang van de neringdoeners. Hopelijk zou het weer dan wat meehelpen.
Het Nieuwsblad van Yperen Anno 1872, op de 10de augustus. De feesten van Ieper Thuyn waren voorbij. Dat het slecht weer geweest was, dat de spelen van het programma afgelopen waren, en hoe, dat de ballon goed opgestegen was en hoog gekomen en dan gevallen te Merkem, enzovoort, enzovoort. Dat er wel gegeten en veel gedronken werd, dat de markt bezet werd met kotjes van Hamburgse, daar moest ik niet over schrijven want ge had het allemaal gehoord en gezien.
Maar…! Er was wel iets dat moest geweten zijn buiten Ieper. Dat er op de markt een liedjeszanger was geweest die op een bijzonder manier bijval had gevonden bij de grote heren van de stad en dan vooral bij onze senator van Couthove. Deze liedjeszanger zong er een meesterstuk van dwaasheid en onbeschoftheid, zonder rijm of maatvoering. Over de romance van Proven, op de tonen van de Brabançonne. En zeggen dat deftige (?) staatslieden dit beluisterden. Het was een schande. Oh, wat was dat gemakkelijk om een deftige en ijverige priester te omschrijven als ‘De Kromme’, omdat hij zich van zijn plicht gekweten had!
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


