1 oktober 1304. De tijdelijke vrede wordt in Rijsel afgekondigd. De Vlamingen hebben zich blijkbaar goed laten rollen want de Fransen bezetten deze stad nu zonder tegenstand in afwachting van deze toegezegde 800.000 pond. De legers trekken zich terug, het gevaar voor Filips de Schone is geweken.
De Vlaamse ambachtslieden en boeren kunnen weer aan het werk. Er zal natuurlijk nog veel water door de Schelde moeten stromen om de betaling van die gigantische som goedgekeurd te krijgen in de diverse steden. En ondanks al de schone beloften van Marquette is de Franse koning helemaal niet gehaast om voortgang te maken met de onderhandelingen.
De volgende ronde gesprekken die te Parijs in het hol van de leeuw moeten doorgaan einde november 1304 gaat om onbekende redenen niet door. De Franse monarch heeft plots alle tijd nu hij verlost is van die ‘onbeschaamde poorters’. Zelfs na de bekrachtiging van dat tijdelijk akkoord door het Franse parlement blijft hij verder met de voeten van de Vlamingen spelen.
Zo verhoogt hij persoonlijk zijn eis van 800.000 pond schadevergoeding tot 1.200.000 pond en blijft hij talmen met de vrijlating van Gwijde van Dampierre en Robrecht van Bethune.
November 1304. Filips van Chieti die nog altijd het bestuur van Vlaanderen in handen houdt, bezorgt Brugge enkele open brieven waarin hun privileges en vrijheden vastgelegd worden. Belangrijke documenten voor de zielenrust van de poorters. Een van de voornaamste nieuwigheden is wel het feit dat de Bruggelingen uitspraken van hun eigen magistraat kunnen betwisten. Ze kunnen voortaan enkel nog in beroep gaan in de vier andere hoofdsteden van Vlaanderen: Gent, Ieper, Rijsel en Douai.
7 maart 1305. De afhandeling van het vredesverdrag blijft ondertussen maar aanslepen. De commissarissen van Filips de Schone blijven uitvluchten verzinnen als de Vlaamse afgevaardigden aandringen op resultaten. Louis van Evreux, Robert van Bourgondië, Amadeo van Savoie en Jean van Dreux wijzen vooral op het feit hoe traag de som voor de schadeloosstelling maar binnenkomt.
Dat bedrag is een harde noot om te kraken voor Jan van Cuyk, Jan van Gavere, Gerard de Moor en Gerard van Zottegem die de Fransen als Vlaamse commissarissen te woord moeten staan. Ze wijzen er op dat Vlaanderen momenteel een groot gebrek aan penningen heeft door de grote kosten van de voorbije oorlog. De koning mag daar trouwens ook geen punt van maken want hij heeft Rijsel, Douai en Orchies in onderpand. De oude graaf Gwijde van Dampierre zal het in elk geval niet meer meemaken want die 7de maart overlijdt hij in zijn gevangenis te Compiègne.
Na de dood van zijn vader is Robrecht van Bethune nu officieel graaf van Vlaanderen. Hoewel hij en zijn broer Willem van Dendermonde nog altijd vastzitten in Frankrijk. Nochtans zouden ze al vrij moeten geweest zijn vanaf 1 oktober 1304. Hoezeer Robrecht van Bethune en de Vlaamse onderhandelaars ook aandringen op de uitwerking van het vredesverdrag, blijft het antwoord van de koning altijd identiek: de voorwaarden zijn voor wat betreft de Vlamingen niet ingevuld. Filips de Schone blijft trouwens maar nieuwe eisen stellen.
De Franse koning haalt op 5 juni 1305 zijn slag thuis. Robrecht van Bethune is natuurlijk behoorlijk van zijn melk na die lange gevangenschap en wil natuurlijk niets liever dan eindelijk zijn ambt van graaf van Vlaanderen opnemen. Hij laat zich overhalen om de vrede van Athis-sur-Orge te ondertekenen. Een ‘allerschandelijkst verdrag’. Zo zegt Robrecht toe dat Vlaanderen voortaan jaarlijks 20.000 pond zal betalen aan de Franse schatkist, nadat er eerst zal gezorgd worden voor een aanbetaling van 400.000 pond.
De Vlamingen zullen 600 ruiters ter beschikking stellen om in dienst te treden bij de koning. 3.000 klauwaards uit Brugge en het Brugse Vrije zullen als straffen voor hun misdaden overzees met de Fransen moeten vechten tegen de Turken. Gent, Brugge, Ieper, Rijsel en Douai moeten hun stadsmuren afbreken en elke Vlaming die voortaan nog een Fransman beledigt zal bestraft worden met een kerkban.
Na de acceptatie van dit verdrag door Robrecht, Willem en de vier Vlaamse afgevaardigden (die van Brugge waren geweerd uit de onderhandelingen) komen de gevangenen in de zomer van 1305 eindelijk op vrije voeten.
Robrechts terugkeer naar Vlaanderen heeft niets weg van een blijde intrede. Integendeel. De nieuwe graaf is zelf al 64 jaar, de aankomst van de graaf en zijn edelen verloopt ingetogen want ze brengen het lijk van de oude graaf Gwijde van Dampierre met zich mee. De intocht binnen Vlaanderen begint zo met een begrafenisplechtigheid in Flines.
Op dat moment weten de meeste edelen, de poorters en de dorpelingen van Vlaanderen nog niet wat de nieuwe graaf overeengekomen is in Athis-sur-Orge. Bij het betreden van de Vlaamse bodem sijpelen de schandelijke afspraken druppelsgewijs naar de oppervlakte. De verontwaardiging is meteen algemeen. Hebben de Vlamingen daarvoor zo veel bloed opgeofferd? Het is verdorie de graaf zelf die het land van Vlaanderen overgeleverd heeft aan Frankrijk en zijn trouwste onderdanen verraden heeft om nu als prooi van de Franse koning te dienen.
De steden verklaren zich onvoorwaardelijk tegen deze deal die ze nooit of te nimmer zullen aannemen. Hun afgevaardigden zijn zonder meer hun boekje te buiten gegaan, geen Vlaamse edelman noch magistraat had deze Franse eisen mogen goedkeuren. De algemene verbolgenheid van zijn onderdanen is dermate groot dat Robrecht van Bethune ervoor huivert om de bepalingen van de overeenkomst officieel aan te kondigen.
En toch gaat de show nog een stuk door voor Robrecht van Bethune. Tijdens zijn verblijf in Frankrijk heeft hij gezien welke dankbetuigingen Filips de Schone organiseerde om Maria te danken voor zijn redding op de Pevelenberg. En nu de Vlaamse graaf terug is wil hij niet onderdoen voor de Franse kwezelarij. Hij heeft ondertussen vernomen hoe onverschrokken de Bruggelingen zich hebben gedragen tijdens diezelfde veldslag en dat ze toen ook al hun hoop en vertrouwen gelegd hadden bij de heilige moeder van God.
Om die reden en ongetwijfeld ook om de Bruggelingen te paaien laat hij een houten kapel (O.L.V. van Blindekens) bouwen met daarnaast een godshuis voor blinde mensen waarbij fondsen vrijgemaakt worden voor een jaarlijks inkomen. Robrecht laat een gele wassen kaars van maar liefst 18 kilo dragen naar Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie en uit daarbij de wens om dat gebruik jaarlijks te herhalen op de dag van haar hemelvaart.
Zo ontstaat het jaarlijks gebruik om op 15 augustus vanaf 10u in de processie te stappen tussen O.L.V. van Blindekens en O.L.V. ter Potterie. Die laatste kapel zal in latere tijden helemaal in steen heropgebouwd worden onder impuls van de heer van Pamele.
1306. De Vlamingen en vooral de Bruggelingen blijven zich verzetten tegen de deal van Athis-sur-Orge. De graaf blijft veiligheidshalve in Vlaanderen en waagt zich niet meer op Frans grondgebied. Filips de Schone is natuurlijk niet geamuseerd dat de Vlamingen de voorwaarden van de ondertekende vrede niet wensen na te leven.
Na heel wat verdere onderhandelingen laat hij de voor Brugge onhaalbare eis om 3.000 van hun streekgenoten uit te leveren dan toch vallen. Enfin, niet volledig, hij maakt er een financiële boete van 300.000 gulden van. Dergelijk bedrag is natuurlijk opnieuw een van de pot gerukte aanspraak. De Bruggelingen blijven echter bij hun verzet: alleen de Rijselse akkoorden van 1 oktober 1304 tellen en ze zelfs bereid om eerder te sterven dan af te stappen van het verdrag van Rijsel.
September 1307. De graaf en de gedeputeerden van de Vlaamse steden worden naar Parijs ontboden om tekst en uitleg te geven of ze nu al dan niet de vrede van Athis zullen gaan naleven. Daar krijgt Filips de Schone voor uitleg dat de Vlamingen het vredesakkoord van Rijsel willen naleven maar dat ze in geen geval gemachtigd zijn om andere afspraken te maken. Voor de Franse koning een perfect alibi om nu de volledige afstand van Rijsel, Douai en Orchies als schadevergoeding op te eisen van de Vlamingen. De onderhandelingen lopen dus verder.
Terwijl de eisen van de Fransman dwingender worden groeit de tweespalt tussen de klauwaards en de leliaards dagelijks aan. In Gent en Ieper dringen de Fransgezinde patriciërs er op aan om zich te onderwerpen aan de Franse monarch. Alleen de fiere Bruggelingen die trouwens de grootste slachtoffers van deze onderwerping zouden worden, verzetten zich tegen elke vorm van inschikkelijkheid tegenover de koning.
Wordt vervolgd …
Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek – Het Oud Verhaal van Vlaanderen –


