banner
mei 1, 2026
3 Views
Reacties uitgeschakeld voor Confrontatie op de Pevelenberg

Confrontatie op de Pevelenberg

Written by
banner

Augustus 1303. Die van Rijsel zitten ermee verveeld dat Doornik nog altijd een Franse enclave gebleven is in Vlaanderen en dringen er op aan dat de eigen milities ook daar orde op zaken zullen stellen. De Vlaamse legerbenden ondernemen tijdens deze augustusmaand een tweede aanval en verschijnen voor deze versterkte Scheldestad onder leiding van Willem van Gulik. Gedurende een periode van zes weken slaan de dappere stedelingen elke aanval met heldenmoed af.

Aan de zijde van de Fransen onderscheidt de Vlaamse edelman en notoire leliaard Frans van Stepelen zich als een te duchten tegenstrever. Hij heeft spijtig genoeg voor de Vlamingen de kant van Filips de Schone gekozen i.p.v. die van Gwijde van Dampierre. Terwijl de Vlamingen hun tanden stukbreken op Doornik zijn er tussen Rome en Frankrijk grote meningsverschillen ontstaan.

Paus Bonifacius VIII denkt van zichzelf dat hij zich ook moet moeien met politieke zaken en komt daarbij in conflict met Filips de Schone. Het zit hem natuurlijk hoog dat de Franse koning een belangrijk deel van zijn leger financiert met kerkelijke middelen. De etterbuil barst open in de zomer van 1303. Bonifacius verklaart openlijk dat hij Filips de Schone in de ban van de kerk slaat en dat deze koning niet langer bekwaam is om Frankrijk te besturen.

De paus schenkt met de allure van een onvervalste Romeinse leider het leengebied Frankrijk aan de Roomse keizer Albrecht van Oostenrijk.

Filips de Schone reageert daarop met een reeks beschuldigingen aan het adres van de paus. Bonifacius zou zijn voorganger vermoord hebben en kan daardoor onmogelijk de rechtmatige bezitter van de heilige stoel zijn. De Fransman gaat zelfs zo ver om een aanslag tegen de paus te plannen. Hij geeft daartoe de opdracht aan Guillaume Nogaret, een professor in de godgeleerdheid die op zijn beurt een hele samenzwering opzet.

Op 1 september 1303 stormt een gewapende bende de pauselijke zomerresidentie Anagni binnen. Ze bezetten zonder noemenswaardige tegenstand het pauselijk paleis en houden er paus Bonifacius drie dagen gevangen. De tachtigjarige paus kan die hele toestand niet langer aan en wordt zenuwziek. Hij zal er op 11 oktober aan overlijden. Zijn plan om Albrecht van Oostenrijk in de wapens te laten treden tegen Filips de Schone mislukt zo helemaal. De Habsburger was zo verstandig om niet in te gaan op het vergiftigd geschenk van deze paus.

Begin oktober 1303. De morele overwinning van Filips de Schone maakt de Franse koning nog zelfverzekerder en zeker nog sluwer. Hij mag Vlaanderen dan wel door militair geweld kwijtgeraakt zijn maar misschien kan hij het bezit van het graafschap op diplomatieke manier terugwinnen. Ik zou het eerder omschrijven als ‘op een gehaaide manier’.

Hij laat uitschijnen dat hij bereid is om het gezag over het graafschap Vlaanderen terug te schenken aan het huis van de Dampierres. Via zijn afgevaardigde, graaf Amadeo van Savoie biedt hij nu plots een bestand aan dat tot 1 mei 1304 mag duren. ‘Ondertussen’, zo zegt hij, ‘kunnen we over de voorwaarden van een vaste vrede onderhandelen’. Gwijde van Dampierre mag persoonlijk aanwezig zijn tijdens de onderhandelingen. Wel met de belofte dat hij naar Parijs zal terugkeren als die mislukken.

Veel riskeert de Franse monarch natuurlijk niet. Gwijdes dochter Filippa zou op dat moment al overleden zijn tijdens haar gevangenschap maar Filips de Schone houdt nog altijd Robrecht van Bethune en Willem van Dendermonde in verzekerde bewaring. De oude Gwijde wordt met vreugde en hoop ontvangen door zijn onderdanen. Tot ze de voorwaarden vernemen die Filips de Schone stelt.

De Vlaamse verontwaardiging kent daarbij geen grenzen. Vlaanderen mag dan evengoed vrede willen maar toch allerminst tegen dergelijke vernederende voorwaarden. Veel zal er niet onderhandeld worden, dus vertrekt Gwijde teleurgesteld naar Wijnendale om tenminste te kunnen profiteren van een half jaar verblijf op Vlaamse bodem. Hij laat het grafelijk bestuur verder over aan zijn zoon, ruwaard Filips van Chieti.

Maart 1304. Nog voor het aflopen van het bestand met Frankrijk komt er al een einde aan het staakt-het-vuren met de Waal Jan II van Avesnes. Die wil al direct zijn verloren grondgebied ten westen van de Schelde in Zeeland op de Vlamingen heroveren. Gwijde van Namen krijgt de informatie dat er een Hollands-Henegouws leger op komst is en probeert te anticiperen.

De Vlamingen proberen andermaal Zierikzee in te nemen maar die poging mislukt opnieuw. Op 21 maart volgt een slag op Duivenland en die verloopt dan wel gunstig voor Gwijde van Namen. De verenigde krijgsmacht van Holland en Henegouwen krijgt er zwaar van langs. Meer dan 3.000 Vlaamse vijanden schieten er het leven bij in. Bisschop Gwijde van Utrecht valt met het grootste deel van zijn vloot in handen van de overwinnaars. Van Duivenland vertrekt de Vlaamse vloot nu naar Holland en Utrecht waar ze al de steden tot in de buurt van Haarlem veroveren. De krijgsgevangen Hollandse edelen verhuizen naar Gent.

26 april 1304. Lang duurt deze Vlaamse bezetting niet. Nog voor het einde van april verjagen de Hollandse poorters de Vlamingen uit de meeste van hun steden. Delft, Leiden, Gouda, Schiedam en Schoonhoven zijn weer vrij. Gwijde van Namen verlaat Utrecht en mag wat later zelfs blij zijn als hij als vluchteling kan afdruipen na een aanval in IJsselmonde. De gefrustreerde bevelhebber waagt nu een derde aanval op Zierikzee. De burgers van die stad kunnen echter opnieuw weerstaan aan al dat Vlaams geweld en daarbij sneuvelen honderden Vlamingen.

Eind april 1304. Het bestand met Frankrijk is afgelopen en Gwijde van Dampierre haast zich naar Parijs om daar zijn gevangenschap verder te zetten. Filips de Schone heeft nu weer de handen vrij om in actie te treden. Hij zakt nu zelf af naar Vlaanderen en tezelfdertijd laat hij een machtige Franse vloot naar Zeeland zeilen, onder het bevel van de notoire zeeman, de Genuees Rinaldo Grimaldi.

Dat de Vlamingen weldra op twee fronten zullen worden aangevallen lijkt hen allerminst te ontmoedigen. Integendeel: hun zelfvertrouwen neemt zelfs toe. Hoe belachelijk is daarbij de wedijver die ontstaat tussen de poorters van de diverse steden om op kop van het leger te mogen meestappen. Filips van Chieti heeft er in Kortrijk behoorlijk wat moeite mee om de Bruggelingen, de Gentenaars, de Ieperlingen, de Kortrijkzanen te verenigen en de onderlinge meningsverschillen te temperen tot ze zich uiteindelijk allemaal verenigen achter de slogan van ‘Vlaanderen, de leeuw!’

Filips de Schone profiteert ondertussen ruimschoots van de Vlaamse strubbelingen door al een eerste aanval te plaatsen in het Vlaamse Pont-à-Wendin dat zwaar te lijden krijgt van plunderingen en brandstichting. Wanneer de Vlamingen oprukken om orde op zaken te stellen trekken de Fransen zich haastig terug over de Artesische grenzen.

Zowel in Frankrijk als in Vlaanderen staan de zenuwen gespannen. Het moment van de confrontatie nadert nu met rasse schreven. De vijandelijke legermachten zullen straks op elkaar losgelaten worden. De Vlamingen kijken reikhalzend uit naar die beslissende slag maar de Fransen blijven met hun kat-en-muisspel toch maar altijd deze confrontatie ontwijken.

Filips de Schone vergenoegt zich ermee om de Vlaamse grenzen hier en daar te bedreigen, de leliaards op scherp te houden en tijd te rekken tot de klauwaards echt wel weer naar hun families willen terugkeren. Daarbij verbranden de Fransen lelijk hun vingers in de buurt van Douai. De Fransen die er nog maar eens haastig vanonder muizen om het gevecht met de Vlamingen te vermijden moeten daarbij heel hun kamp achterlaten. De Vlamingen krijgen al hun proviand en voorraden op een schoteltje gepresenteerd, maken zich meester van La Bassée en branden de voorsteden van Lens plat.

10-11 augustus 1304. De Vlamingen mogen dan wel verblijd zijn met hun zege bij Douai, maar op de wateren van de Schelde verloopt het heel wat minder voorspoedig. Voor Zierikzee gaat de Vlaamse zeevloot de strijd aan met de verenigde Franse en Hollandse vloten. Gwijde van Namen posteert 10.000 Vlamingen voor de stad Zierikzee. De eerste dag blijft alles onbeslist. De tweede dag is andere koek.

Een deel van de Vlaamse schepen loopt zich tijdens de nacht vast op een zandplaat en dat zorgt op zijn beurt voor een verschrikkelijke nederlaag voor het smaldeel van de jonge Gwijde van Namen. Veel van onze schepen worden in brand gestoken, Gwijde en zijn voornaamste bevelhebbers vallen daarbij in Franse en/of Hollandse handen. Later zal Gwijde omgeruild worden tegen de bisschop van Utrecht en weer op vrije voeten komen.

Jan van Renesse vlucht weg van Utrecht en krijgt de troepen van Willem van Ostrevant achter zich aan. Bij de oversteek van de wateren van Beusichem zinkt zijn schip echter roemloos en verdrinkt de hooghartige Jan van Renesse in de golven van de Lek. Het nieuws van de nederlaag komt hard aan bij de Vlamingen. Het menselijk leed moet bijzonder groot zijn maar daar hebben de geschiedschrijvers niet de minste interesse voor.

15 augustus 1304. De Vlamingen zinnen op wraak. Maar Filips de Schone zit ook niet stil. Hij laat plots de defensieve houding van zijn troepen varen en rukt via de Pevelenberg, gelegen tussen Rijsel en Douai op. In een poging om binnen te vallen in het hart van Vlaanderen. Voor deze belangrijke confrontatie zoeken die van ons de steun op van Jezus’ moeder Maria.

De Bruggelingen bekostigen een wassen kaars van vijftien kilo zodat de heilige maagd ons de overwinning zou willen schenken. Ook de Brugse vrouwen doen hun duit in het zakje. Als hun mannen de overwinning behalen zullen ze voortaan elk jaar in het wit gekleed en met een grote kaars ter processie gaan naar haar miraculeus beeld aan de Potterie.

18 augustus 1304. Op deze bloedhete dag stoten de Fransen op het leger van de Vlamingen en krijgen we dan eindelijk de langverwachte veldslag. Onze troepen hebben zich in de loop van de 17de in goede slagorde opgesteld. Die van Brugge, onder het bevel van Filips van Chieti bezetten de rechtervleugel. Gwijde van Namen en de Gentenaars de linkervleugel.

Willem van Gulik met die van Ieper, Kortrijk en Rijsel staan centraal opgesteld. De gevechten beginnen al om 6u in de morgen en duren tot ’s avonds wanneer de Ieperlingen, de Kortrijkzanen en de Gentenaars zo afgemat zijn door de hitte of van zuivere uitputting dat ze het veld moeten ruimen. De Bruggelingen vechten verder en het scheelt geen haar of ze kunnen daarbij koning Filips de Schone doden.

Ook veel Fransen druipen af van zuivere vermoeidheid. In de hele omgeving van de Pevelenberg heerst een ongelooflijk geharrewar van gevluchte soldaten uit beide kampen. Aan Vlaamse zijde sneuvelen 4.000 soldaten met inbegrip van Willem van Gulik. De verliezen aan Franse kant zijn duidelijk groter: 18 baanderheren, 300 ridders en 9.000 voetknechten en zelfs hun koninklijke standaard is foetsie.

Op het eerste zicht lijkt het op een grote overwinning voor de Vlamingen, maar de Dampierre-mannen en hun volgelingen krijgen alsnog de rekening gepresenteerd terwijl ze de Franse legerplaatsen aan het plunderen zijn. Terwijl ze bezit nemen van het zilver van de koning krijgen ze een charge van de Fransen te verwerken. Hun gulzigheid zorgt nu voor dood en verderf.

Veel van de plunderaars verliezen hier het leven, zodat het resultaat van de slag uiteindelijk meer lijkt op een remise. Genoeg voor Filips de Schone om zichzelf op de borst te kloppen als morele winnaar van de confrontatie. In Brugge eren ze hun strijders bij hun terugkeer naar huis. Filips de Schone is de oorlog in elk geval nog niet moe, reorganiseert zijn leger en mobiliseert nieuwe soldaten om direct daarna aan te vangen met het beleg van Rijsel.

De belofte dat de soldeniers de stad naar hartenlust zullen mogen plunderen zorgt ervoor dat de Fransen op scherp staan.

Jan van Namen is er niet gerust in en verliest geen tijd. Hij laat in alle Vlaamse steden afkondigen dat de ambachtslieden hun winkels moeten sluiten, met uitzondering van de wapenmakers.

De boeren moeten het land achterlaten en alle rechtszittingen worden tot nader order opgeschort. Eenieder, groot en klein moet ten oorlog trekken om het vaderland nu voor eens voor altijd van het Franse juk te verlossen. Een omvangrijk Vlaams leger komt zich in de loop van september bij Rijsel aanbieden voor een nieuwe confrontatie met de Fransen. Naar verluidt is dit het grootste leger dat ooit gezien werd aan Vlaamse kant.

Hun uitrusting en tenten maken grote indruk op Filips de Schone. Dat ontlokt hem de uitspraak ‘me dunkt het dat het hier Vlamingen regent!’ Het is dan ook vrij normaal dat hij plots weer bereid is om te onderhandelen. Hij stuurt de hertog van Brabant en de graaf van Savoie naar de Vlamingen om in zijn plaats te onderhandelen over een vredesverdrag. De gesprekken gaan door in de abdij van Marquette.

23 september 1304. De Franse onderhandelaars komen met een aantal concrete voorwaarden. Het graafschap Vlaanderen kan blijven bestaan met al zijn steden en districten als voor de oorlog. Aan weerszijden zullen de krijgsgevangenen zonder losgeld losgelaten worden. En de koning verwacht een schadeloosstelling van 800.000 Parijse pond. In afwachting van die betaling zou Vlaanderen hem de steden Rijsel, Douai en Orchies verpanden.

De Vlamingen eisen het behoud van al hun vrijheden en voorrechten, de permissie om hun steden naar goeddunken te versterken. En natuurlijk ook de vrijlating van de opgesloten graaf en zijn zonen. De partijen gaan akkoord om over deze voorwaarden verder te onderhandelen en intussen een voorlopig akkoord te sluiten met de ambities om voor 6 januari 1305 tot een bindende overeenkomst te komen.

Wordt vervolgd ….

Dit is een fragment uit Boek 9 van De Kronieken van de Westhoek – Het Oud Verhaal van Vlaanderen –

Article Categories:
fragment uit deel 9
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.