Denk nu maar niet dat het de boer in de eerste plaats om de vruchten ging, al werden die niet versmaad, noch om de sierlijkheid van de boom zelf. Neen, de notelaars waren er hoogstnodig.
Notenbomen, waren in mijn kinderjaren, vaak het mikpunt van onze kwajongensstreken. Met stokken en stenen geselden wij hun kruinen om de vruchten in ons bereik te krijgen. Niet alleen in de boomgaarden, maar ook in de omgeving van de hofsteden trof men toen notenbomen aan, want ze brachten voor de boer hun nut op.
Denk nu maar niet dat het de boer in de eerste plaats om de vruchten ging, al werden die niet versmaad, noch om de sierlijkheid van de boom zelf. Neen, de notelaars waren er hoogstnodig. Hun bladeren, waarvan de insecten afkerig waren, bewezen een grote dienst aan het vee, dat tijdens de zomer in hun nabijheid in de weiden graasde. Koeien en paarden, met bladeren van de notelaar ingewreven, bleven gevrijwaard van deze gevleugelde diertjes.
Het sap van de bladeren werd in de spleten van de bedsteden gewreven als ontsmettingsmiddel tegen ongedierte, bijzonder tegen de wandluizen. Maar nog andere eigenschappen werd de noot toegeschreven. De bolster, gemengd met water en aluin gaf een mooie bruine kleur aan de plankenvloeren.
Grootmoeder zaliger vertelde me dat de jonge meisjes, in haar tijd telkenjare met verlangen uitkeken naar de pluktijd van de okkernoten. De meisjes uit eenzelfde wijk kwamen dan in een bepaalde plaats bijeen. Een aantal noten werden van hun binnenste ontdaan, met eiwit terug aaneengeplakt en op de vloer uitgespreid. Een paar bleven intact. Vervolgens mengde een oud buurvrouwtje de noten doorheen.
Wie een ongeschonden noot, na een geharrewar van belang, kon bemachtigen, was verzekerd binnen het jaar in het huwelijk te treden. ‘Ik heb nooit een dergelijke geluksnoot in handen gekregen’, vervolgde metje, ‘maar ge ziet, ik ben niettemin toch in het bootje geraakt.’
Gelukkig maar, anders was ik er niet geweest.
–
A. Dawyndt in ‘Bachten de Kupe’ van 1982


