banner
sep 17, 2018
2391 Views

Bidden dat de stukken er vanaf vliegen

Written by

Ik pik de draad van de gebeurtenissen weer op ergens in de zomer van 1579. De Nederlanden bevinden zich nog altijd in een roetsjbaan van geweld en repressie. Hoe is het toch zo ver kunnen komen?

banner

De dorpspastoor van Vladslo
Johannes-Petrus van Male. De dorpspastoor van Vladslo in het begin van de jaren 1700. Ik heb nog altijd mijn kamp opgeslagen in zijn handschriften. Zijn werk werd in 1843 getransformeerd door de befaamde priester-historicus Ferdinand Vande Putte die het als ‘Geschiedenis van Vlaenderen van het jaar 1566 tot aan de vrede van Munster’ op de markt bracht. Ik pik de draad van de gebeurtenissen weer op ergens in de zomer van 1579. De Nederlanden bevinden zich nog altijd in een roetsjbaan van geweld en repressie. Hoe is het toch zo ver kunnen komen? Filips II, de rooms-katholieke zoon van keizer Karel weigerde rond 1566 begrip op te brengen voor de calvinisten en de protestanten hier te lande. Zijn halfzuster Margaretha van Parma die de Nederlanden bestuurde, liet maar betijen en dat was niet naar zijn zin.

De ketters moesten aangepakt worden als terroristen, duivels, baarlijke vijanden van het geloof. De Vlaamse autoriteiten smeekten hem om gematigd te zijn, maar daar had de koning geen oren naar. Hij verving de gematigde landvoogdes door de bloedige hertog Alva die de de predikers en de aanhangers van het nieuw geloof meedogenloos aanpakte. Zijn bloedig revanchisme zorgde daarna voor een hevige reactie van vooral Willem van Oranje die de rollen helemaal omdraaide, de Spanjaarden buitenbonjoerde en zich baas maakte over de grote Vlaamse steden. De calvinisten beloofden met de pacificatie van Gent een algemene godsdienstvrijheid, maar dat liep helemaal anders dan verwacht.

De Gentse republiek zorgde voor een treurige repressie van het katholiek geloof en nestelde zich daarna netjes in buurstad Brugge. De hele mallemolen van actie en reactie hebben jullie kunnen lezen in mijn vorige kroniek ‘de paternosterknechten’. Ik vertel er ook nog bij dat de landvoogd Juan van Oostenrijk in oktober 1578 omkomt tijdens een veldslag en vervangen wordt door de hertog van Parma. Beter bekend als Alexander Farnese, de zoon van de vroegere landvoogdes Margaretha van Parma. De Nederlanden zullen binnenkort te maken krijgen met de kleinzoon van keizer Karel. Maar voorlopig weigert de Staten-Generaal de vertegenwoordiger van het Spaanse hof als grote baas te erkennen.

De Nederlanden op eigen benen
Ondertussen leef ik in de zomer van 1579. Willem van Oranje heeft heel wat moeite gedaan om de Gentse bevelhebbers en opper-calvinisten Jan van Hembyze en François van Ryhove tot maar meer gematigdheid te dwingen en zich te laten aansluiten bij de unie van Utrecht, de voorloper van de Nederlanden als zelfstandige staat. Daarmee volgt Gent het voorbeeld van Antwerpen die al eerder in alliantie ging met de noordelijke provincies.

Brugge dat overwegend katholiek gebleven is weet het zo niet. Ik mag niet vergeten om er bij te vertellen dat hier een minderheid van nieuwgezinden de politieke plak zwaait over een mistevreden katholieke bevolking die dat calvinisme helemaal niet ziet zitten. Willem van Oranje popelt vol ongeduld om voluit te regeren over Vlaanderen en Brabant. Zijn medestanders Noël De Caron en Jacobus Broucsaulx wachten om hun functies op te nemen. Er is echter nog heel wat overtuigingskracht nodig om het zo ver te krijgen. ‘Ze hadden geprobeerd om de gemeente van Brugge ertoe te bewegen om net zoals Gent en Ieper de vereniging te omhelzen’. Brugge vreest om met deze unie zijn grip op het Brugse Vrije te verliezen en staat weigerachtig ten opzichte van een deelname.

De bedoelingen van Willem van Oranje zijn volgens de Bruggelingen vals en geveinsd en er alleen maar voor bedoeld om de katholieken te verstrikken. Ik moet daarbij ook nog meegeven dat het stadsbestuur deze unie, in tegenstelling tot zijn bevolking, goedgezind is omdat de meerderheid van de schepenen van calvinistische strekking is na hun machtsgreep van 19 maart 1578. ‘Kijk maar naar Utrecht zelf’, roepen de Brugse ingezetenen. ‘Ze hadden gezworen om de katholieken met rust te laten en met de hoogdag van Pinksteren hebben ze als gekken de kerken aangevallen en vernield. We willen niet dat dergelijke toestanden zich nog eens bij ons zullen voordoen.’ De Bruggelingen kunnen het niet meer verdragen. Na al die droeve verwoestingen van hun schone landgouwen waar hun kerken geplunderd, de huizen en de stallen verbrand, het vee geroofd en de ingezetenen vermoord of verjaagd zijn.

De malcontenten uit het zuiden
De Brugse burgers voelen zich nauw verwant met de zuidelijke provincies Artesië en Henegouwen waar de oude en vertrouwde kerk nog gerespecteerd is gebleven. Ze delen hun standpunt om goed overeen te komen met de Spaanse koning. Die is vast en zeker van plan om binnenkort die unie van Utrecht aan te pakken. Hij zal er alles aan doen om de hele Nederlanden weer in zijn bezit te krijgen. Nee. In Brugge wilden ze zich liever geen nieuwe zware belegering op de hals halen. ‘Ze dachten in Brugge om heel voorzichtig te zijn. Te kiezen voor het minste kwaad en overeen te komen met de malcontenten uit het zuiden, ook wel de paternosterknechten genoemd.’

Op 2 juli 1579 stapt een uitgebreide delegatie met onder andere de heren Caron, de Gryse, Nans, Broucsaulx en Casembroot naar het stadhuis om er hun eisen hard te maken. Burgemeester Joris Van Braekele moet enkele figuren van katholieke strekking opnemen in de beveiliging en het bestuur van Brugge om de stad van verdere malheuren te vrijwaren. Ze eisen de aanstelling van een zekere Hieronimus De Mol als kolonel over de beveiliging van de stad. De burgemeester stelt voor om hun voorstellen te bespreken en wil hiermee vooral tijd winnen. Hij weet goed genoeg dat de Oranjegezinde leden van zijn college het daar niet meer eens zullen zijn. De Brugse delegatieleden moeten niets van weten van uitstel en de volgende dag staan ze al opnieuw aan de Burg om hun kolonel aan boord te krijgen.

De Mol heeft zelfs zo lang niet kunnen wachten. ‘Nog voor de confirmatie ontsloeg hij de stadscompagnies van Vleys, Aoulterman, Aerdyke en Reyvaert en met hen de hele krijgsraad. En daarna begon hij direct met het vervolgen van de gereformeerden. Hij viel binnen in het huis van de Waalse minister Jan Haren met de bedoeling om die te doden. Maar die was niet thuis en dus stortte hij zijn gramschap uit over zijn vrouw die hij sloeg en stampte.’

Verhitte gemoederen aan de Burg
Erg slim is deze voorbarige en impulsieve houding van de katholieken niet. ‘Ze hadden zich beter eerst meester gemaakt van de poorten van de stad want dan zouden ze hun medestanders hebben kunnen binnenlaten. Maar dit verzuim heeft hen in grote verlegenheid gebracht.’ Ik geef ten behoeve van mijn lezers nog even aan dat alles wat tussen aanhalingstekens staat (door mij wat aangepaste) citaten zijn van schrijver van Male zelf. Geschreven in de verleden tijd, net zoals heel zijn boek trouwens. Kolonel De Mol heeft inderdaad het vel van de beer willen verkopen voor die geschoten was. Het magistraat wil van geen wijken weten en zwaait met volmachten van de prins van Oranje.

De man die zijn nek heeft uitgestoken voor de kolonel is Noël de Caron en die is nu zelf kop van jut. ‘Men nam Caron gevangen, als zijnde dat hij met die van Gent samenspande om het Vrije te vernietigen.’ Iets wat achteraf pertinent onwaar zal blijken. Het schepencollege haast zich om de afgedankte stadscompagnies weer in functie te stellen en vooral de Ezelspoort extra te gaan bewaken. ‘Sergeant-majoor Wynckelman bezette de Ezelsbrug, Resneeuws van Aerdyke het Westvleeshuis met de Steenstraat en Antonius Aoulterman plaatste zich aan de Eeckhoutbrug en in de Wollestraat.’ Aan de Burg zelf lopen de gemoederen hoog op.

Er wordt zelfs naar de wapens gegrepen. Met groot gedruis valt het volk binnen in de raadzaal waar de schepenen vergaderd zitten. De autoriteiten kunnen zich echter tijdig uit de voeten maken en blijven in de wapenen. Samen met hun officieren en procureurs. Zowel binnen het landhuis van het Brugse Vrije als in de Burg. De katholieken hebben met hun ongeduld de hele situatie verkeerd ingeschat en zien zich nu geconfronteerd met een nest verschanste schepenen en kapiteins. In de vroege morgen van de volgende dag klaart de situatie echter uit en komen de partijen er onderling dan toch uit.

De burgers houden zich gedeisd
Maar van dat laatste ben ik toch niet zeker als ik het zo allemaal verder lees. Veel katholieken en calvinisten blijven op hun stellingen wachten. Ook de kolonel verschanst zich in zijn huis aan de Gruuthusebrug terwijl zijn volk de Mariabrug bezet. De burgerij houdt zich angstvallig gedeisd. Ze hebben wel vertrouwen in het magistraat, maar men kan nooit weten hoe het hier zal uitdraaien. Beide partijen gaan op zoek naar hulp van buitenaf. Kolonel De Mol vraagt de assistentie van de heer De la Motte die al met zijn krijgsvolk te Roeselare aangekomen is. De nieuwgezinden roepen de heer De la Noue ter hulp. Die staat aan het hoofd van het leger van de Staten zelf.

Om middernacht bereikt dit laatste leger de stadspoorten. De Schotse kolonel Balfour wordt door Ingelbrecht Reyvaert, de hoofdman van de Ezelspoort binnen gelaten samen met zijn regiment van acht vendels. ‘Dit volk, met honderdvijftig paarden, bezette direct de Burg waar de burgerlijke wacht het op een lopen had gezet, en positioneerde zich eveneens op de grote markt en andere plaatsen.’ Jonkheer De Mol probeert in paniek te vluchten. Via de stadsvesten, ‘maar hij werd achterhaald en gevangen genomen. Jan Haren, hierboven nog vermeld, schoot dan de wapenen aan, met een roudasse aan de arm voor de Walen, en de andere soldaten kwamen erbij om het huis van de nieuwe kolonel te plunderen.

De magistraat deed met de hulp van de nieuwgezinde burgers veel aanzienlijke heren vangen. Onder andere de meeste schepenen van het Vrije die de dag voordien nog de wapens hadden opgenomen. Enkelen werden in de gevangenis gelegd en anderen in het landhuis van het Vrije bewaard. Er werden er ook belast om in hun huizen gevangen te blijven. Achteraf werd een gezelschap onder de Waterhalle in schuiten weggebracht naar het kasteel van Sluis waar ze gevangen bleven tot dat de prins van Oranje de zaken te Brugge zou bijleggen.’

Actie zorgt altijd voor reactie
Die regeling komt er inderdaad. De mannen komen vrij mits het betalen van een ferme som losgeld. De vrijgelaten schepenen worden voor vier jaar uit elke bestuursfunctie geweerd. Zo wordt een punt gezet achter deze amateuristische aanslag van de katholieken in Brugge. Allemaal zonder bloedstorting, vertelt de schrijver erbij, met uitzondering van de aanstichter Cornelis Arremarre die op 18 augustus onthoofd wordt. Er wordt even gedacht aan de vernietiging van het Brugse Vrije. Omdat Ieper en Gent hiervan veel te veel zouden profiteren wordt dit snel vergeten. De katholieken in Brugge krijgen natuurlijk nog hun weerbots.

Actie zorgt altijd voor reactie. De nieuwgezinden spuwen hun gal uit over de katholieken. De kerken gaan weer op slot en de geestelijken die al een tijd met burgerkleren rondlopen, verlaten de stad uit vrees voor erger. Het kapittel van Sint-Donaas verhuist naar Sint-Omer waar de geestelijken zullen verblijven tot in het jaar 1584. Veel prominente katholieken slaan eveneens op de vlucht of worden verbannen. ‘Vele van deze vluchtelingen en ballingen voegden zich, zoals al zo dikwijls gebeurd was in het verleden bij de vijanden, met dewelke zij om zich te wreken dagelijks rond de stadspoorten rondzwierven en niet nalieten om bedenkelijke schade en hinder toe te brengen aan hun ongelukkige en onschuldige medeburgers. Die burgers werden sowieso al genoeg gepluimd door de nieuwgezinde overheid want die verzon wel elke dag iets nieuws om hen te verdrukken en onder de voet te houden.’

De smerige praktijken van Hembyze
Rond deze tijd speelt jonkheer Jan van Hembyze nog altijd de hoofdrol in Gent. Zijn krijgsvolk blijft maar doorgaan met het beroven en het plunderen van kloosters en kerken. Hembyzes mannen steken het vuur aan de kastelen en de lusthoven van katholieke heren in hun buitengebieden te Zottegem, Herzele, Oosterzele, Hooidonk, Gavere en op andere plaatsen. ‘Al die soldaten waren zeer bekwaam tot dergelijke boosheden maar als het op een treffen aankwam, waren ze de eersten om weg te spurten. Zoals in Maria-Lierde bijvoorbeeld. Hembyze probeerde vooral de vaste huizen, woningen en kastelen rondom de stad Gent te vernielen zodat die onbruikbaar zouden worden voor de vijand.

Hij verpatste de landerijen, pachthoven en bossen van de kloosters en kapittels en joeg allen die hem niet aanstonden uit de stad, hoewel ze net zo gereformeerd waren als hijzelf. En om zich volkomen meester te maken van de situatie heeft hij op 28 juli met een hoop ruiters en voetvolk de boeren van Merelbeke aangevallen. Zonder dat zijn medestanders hiervan op de hoogte waren Hij heeft hun huizen beroofd en de onrijpe vruchten op hun akkers bedorven.’ Hembyze kondigt aan om het stadsbestuur te herschikken. Zijn vertrouwelingen zullen nog meer te zeggen krijgen. Willem van Oranje wordt op de hoogte gesteld van deze vermetele plannen en deelt mee dat hij voordien zeker nog persoonlijk naar Gent zal afzakken. Jan van Hembyze ziet dat uiteraard niet zitten en probeert de prins buiten te houden. Maar op aandringen van Ryhove bij de drie leden van Vlaanderen wordt Oranje dan toch in Gent binnengelaten om bepaalde gesprekken te voeren betreffende die aanpassing van het Gentse magistraat.

Oranje is niet opgezet met de Gentse demarche
Willem van Oranje arriveert er op 18 augustus 1579. Hij is erg verwonderd dat Gent zo zwaar versterkt is. Nieuwe borstweringen, grote nieuwe bolwerken, diepe grachten voorzien van opendraaiende bruggen. Bij sommige stadspoorten waren de spitsen van de torens weggehaald en vervangen door stukken geschut. ‘Er waren ook veel bedekte wegen, onderaardse loopgrachten, moordgaten en nieuwe sluizen om het water in de vesten te houden, bastions en redouten om aan elke mogelijke aanval te kunnen weerstaan.’ Van Oranje toont zich helemaal niet opgezet met wat hij hier ziet. De stad klaagt altijd maar dat het zijn aandeel in de gemene lasten van het land niet kan betalen terwijl ze dat geld allemaal spenderen aan hun eigen versterkingen. Hembyze ontkent dat. ‘Weet de prins wel hoeveel het kost om al dat krijgsvolk in dienst te houden?

Allemaal mensen aangetrokken om zich te beveiligen tegen de malcontenten.’ De prins moet hoe dan ook niet weten van die Gentse buitensporigheden. Er komt op 20 augustus een nieuw schepencollege, maar dan zonder Jan van Hembyze. Die wordt afgezet. Er is een eind gemaakt aan de wurgende dominantie van de nieuwgezinden. Nogal wat burgers hebben er geen vertrouwen in en vertrekken. Pieter Dathenus wordt ervan verdacht om een lastercampagne te hebben gevoerd tegen de prins van Oranje en zijn Staten. Hij kuist voorzichtig zijn schup af.

Jan van Hembyze, de stichter van al deze rampen hier, wil via het Sas van Gent inschepen voor Zeeland maar hij wordt opgehouden door een vrome man die ermee dreigt om hem dood te schieten. Hij raakt achteraf toch nog buiten en slaat op de vlucht naar het graafschap van Palts aan de Rijn. De malcontenten proberen handig gebruik te maken van de aanwezigheid van Willem van Oranje te Gent. ‘Ze verzochten om logement voor wat Vlaams paardenvolk. Maar terwijl dit van het magistraat al was toegestaan en men klaar was om de poorten te openen, werd daar geen ruiterij opgemerkt en zag men het bedrog. Oranje zond – bijna te laat – het bevel om de poorten absoluut gesloten te houden, waardoor de malcontenten stillekens vertrokken.’

De katholieken zien het niet erg zitten
Nu de zaken hier wat gekalmeerd zijn, besluit de prins om de stad op 1 september 1579 te verlaten. Hij vertrekt met de graaf van Büren, de hoogbaljuw van Brugge en met Gillis Borluut met een koets naar Brugge. Hier wordt hij zonder veel enthousiasme ontvangen. Zijn krijgsvolk blijft buiten de stad. Alleen enkele vendels Schotten en een paar edellieden te paard worden onder het afschieten van de stadsafweer binnengehaald en naar hun herberg gebracht. Hier is er in elk geval geen sprake van uitbundige vreugdetekens zoals in Antwerpen, Brussel en Gent. De voornamelijk katholieke stedelingen hebben weinig vertrouwen in zijn komst. Hij is en blijft een grote voorstander van de ketterij die hij in Holland en Zeeland heeft doen opbloeien en dit nu in Brugge zou willen herhalen.

Wat de prins hier komt doen vertelt van Male er niet bij. Ik kom alleen te weten dat hij vrij snel naar Gent terugkeert voor een vergadering van de Staten-Generaal. Die behandelt een vredevoorstel van de koning van Spanje. De vierentwintig artikelen van het document worden één na één voorgelezen. Maar een deal ziet de calvinistische fractie binnen Gent niet zitten. Filips II wil alleen maar de katholieke godsdienst hersteld zien en al de andere religies weren. Het koninklijk voorstel wordt dat ook begrijpelijkerwijze afgewimpeld op 25 september 1579. ‘Weinige tijd daarna hebben de malcontenten gepoogd om Kortrijk via een krijgslist te verrassen.

Maar ze verloren Menen, een plaats die ze nochtans helemaal versterkt hadden en voor hun centrale wapenplaats hielden. Een zekere Menense brouwer, Pieter Vercruyce werd ervan beschuldigd om een calvinistische prediker te hebben gehuisvest en hij werd hiervoor erg vervolgd door de Walen. Ze bedreigden hem met de dood. Hij verkleedde zich als boer, bemachtigde de hellebaard van een schildwacht, overviel twee wachters en vluchtte naar Brugge waar hij bij burgemeester Jacobus Broucsaulx te kennen gaf dat dit het perfecte moment zou zijn om zich meester te maken van Menen.’

De Schotten van kolonel Balfour
‘Het is een ideaal moment’, beweert Vercruyce, ‘de bezetting is miniem om Menen per direct te kunnen innemen. De Staten hebben er wel oren naar. Burgemeester Broucsaulx geeft zijn zonen Pieter en Joos alvast de opdracht om in hun pachtgoed een groot aantal stormladders te laten vervaardigen. En voorzien van dit tuig trekken ze op 21 oktober 1579 van Brugge naar Menen. De mannen lopen onder het bevel van kolonel Balfour. ‘Ze waren ’s anderendaags onder de vesten van Menen, op de steenweg die naar Roeselare loopt. Op de steenweg naar Kortrijk bevonden zich ook vier vendels Vlaamse soldaten die per schip en via de Leie uit Kortrijk gearriveerd waren.

Als de klok vier uur sloeg, vielen ze de stad aan. Langs twee kanten en met zoveel geweld dat de schildwachten hun posten verlieten en de stad zonder enige tegenstand overmeesterd werd.’ De situatie is best wel komisch. De malcontenten die op dat moment voor Kortrijk staan onder leiding van de heren d’Alleines en Van der Erp, hadden wel degelijk het vertrek van de Vlaamse soldaten opgemerkt. Ze leefden in de veronderstelling dat het tot een clash ging komen hier voor Kortrijk. Het is maar pas wanneer ze in de verte schoten horen dat hun frank begint te vallen. ‘Waarop ze er met al hun volk naartoe snelden, maar de stad was al veroverd en niet meer te redden. Aldus vond Menen het leuk om Kortrijk te bedriegen, maar Kortrijk bedroog Menen.

De Walen die nu verstoken waren van hun nest, begaven zich dan maar naar Wervik waar ze na korte tijd door de troepen van de heer De la Noue overvallen en verslagen werden’. Het hoofdstuk eindigt met een wijze raad van pastoor van Male dat het erg onvoorzichtig is om te proberen een anders goed in te pikken als men niet eens zijn eigen goed weet te bewaren. De herovering van Menen betekent zonder meer een opsteker voor de nieuwgezinden. Voor de bevolking oogt het allemaal een stukje minder. De lasten en de schattingen die er dagelijks maar blijven bijkomen, swingen de pan uit. Het land wordt altijd maar verwoest. Als het niet van de ene partij is, dan wel van de andere.

Met als gevolg natuurlijk dat de prijzen van de levensmiddelen en de etenswaren de hoogte inschieten. De kerken dienen nu nog alleen maar om de soldaten te slapen te leggen en de inkomens van de geestelijken worden nu besteed aan de oorlog. Het jaar 1579 eindigt allesbehalve aangenaam. Voor mijn schrijver-priester komt er nog eens bij dat de mensen het moeten stellen zonder geestelijke bijstand van enige priesters.

We hebben een nieuwe meester nodig
Nog voor het jaareinde, op 18 december, pleit Willem van Oranje ervoor dat geen enkele staat welke vrede dan ook zou aangaan met de koning, tenzij als er kan gepraat worden over vrijheid van religie. De kans dat Filips II dat zou toestaan mag dus best als nul beschouwd worden. Zou het eigenlijk niet beter zijn om hem voor eens en voor altijd af te zweren? De koning was nu eenmaal vervreemd van zijn Nederlandse onderdanen en zou zich altijd blijven opstellen als een verbitterde vijand van de hervormde godsdienst. De Nederlanden hebben een nieuwe meester nodig. Zo bijvoorbeeld de koningin van Engeland of de hertog van Alençon die nu al staat te zwaaien met vrijheid van religie.

Van Oranje ziet zichzelf als leider van de Nederlanden onder het bestuur van een of andere vreemde mogendheid. Hij biedt in elk geval zichzelf aan. De Staten moeten er geen tekeningetje rond maken, ze kennen de machtshonger van hun prins ondertussen al goed genoeg. Hij had al eerder bewezen in Holland en Zeeland van al het gezag over de katholieken en de nieuwgezinden naar zich toe te willen trekken. In Gent zien ze die van Alençon alvast niet zitten.

Want dan komen de Nederlanden weer in Frans vaarwater en dan zou ‘de heerschappij van de Fransen mogelijk nog erger zijn dan die van de Spanjaarden, omdat ze de opkomst van het nieuw geloof in eigen land al eerder bestreden hadden en daarbij in hun eigen vaderland zeer veel steden en dorpen hadden verwoest. Na veel palaver, ‘veel zeggens en wederzeggens’, besloten de Staten om toch eens te praten met die hertog van Alençon. Een hele delegatie biedt zich aan bij de 24-jarige Frans van Anjou, want zo heet die paljas. Hij is de enige broer van Hendrik III, de koning van Frankrijk.

Een wanstaltig gedrocht
Ze bieden hem de heerschappij aan over onze landen. Schrijver van Male reageert erg cynisch. Een land die verzaakt heeft aan zijn wettige heer en veranderd is in een wanstaltig gedrocht zonder stabiliteit of rust, bestuurd door ruziemakers en woelgeesten die niet veel anders uitsteken dan het zoeken naar persoonlijke voordelen tussen het algemeen verderf. De Nederlanden zijn best te vergelijken met een paard die zijn eigen oude meester niet meer wil dragen, net het paard van de Romeinse prefect Seianus waar geen nieuwe berijder zonder schade af geraakte. Aartshertog Matthias heeft dat al aan den lijve kunnen ondervinden en ook paltsgraaf Casimir is er met zijn ballen af gedonderd.

De hertog van Alençon zal ongetwijfeld het volgende slachtoffer worden van de sluwe Willem van Oranje. Meer vertelt van Male niet. Hij concentreert zich weer op de toestand in Vlaanderen. Hij kijkt naar Brugge, Gent en de andere steden. ‘Ze raakten allengskens in meerdere benauwdheden terwijl de Walen het land afliepen en alles vernielden. De steden werden werkelijk volgepropt met landslieden die met karren en wagens, koeien en paarden, zwijns en schapen, met alles wat ze konden slepen en dragen, in zulk een grote menigte naar de stad gevlucht kwamen. Ze kwamen in zo’n grote massa toegestroomd dat de poorten het nauwelijks konden slikken. Sommige kloosters en kerken waren veranderd in boerenwoonsten, schuren, stallen en mesthopen. Het was een vreemde mengeling van mensen en beesten, oud en jong, allemaal door elkaar, waarbij velen onder hen droefelijk klaagden dat alles hen ontnomen was. Ze hadden werkelijk niets om zich tegen de honger en kou te verhelpen.’

Van Male met zijn plastische beschrijvingen
En dan zijn er nog de nieuwgelovigen. ‘Van de andere kant braken de sekteleden in en rond Gent binnen in de kerken van Sint-Maarten op Ackergem, Sinte-Catherine te Wondelgem, het achterste deel van Sint-Michiels en de kerk van Sint-Pieters. Ze schonden er de graven en verontrustten de beenderen van de overledenen. Om een paardenstal te maken voor de ruiters van Ryhove namen ze de zerkstenen weg en vulden ze de graven met aarde.’ In Brugge gaat het er niet veel beter aan toe. Van Male blijft me verbazen met zijn plastische beschrijvingen. Dank zij hem beleef ik al die dramatische taferelen wel op een heel erg realistische manier.

‘De lieden die in Brugge de overhand hadden, joegen tijdens de laatste week van februari 1580 enkele priesters en veel goede katholieke burgers weg uit de stad. Ze deden dit naar verluidt om verraad te voorkomen. Diegenen die de plaats moesten ruimen en zonder begeleiding uit de stad wegtrokken, vielen dan in de handen van de soldaten die hun alles afnamen wat ze hadden en ze daarenboven nog mishandelden. De tweeëntwintig Franse vendels die op kosten van Gent te Deinze lagen, leefden nog slimmer met de mensen die ze niet alleen beroofden. Uit baldadigheid schonden ze hun oren en neuzen en verbrandden ze hele delen van Petegem en Tielt waar ze de rijke mensen tot de uiterste armoede brachten. En dan keerden die zogezegde soldaten dan in hele konvooien zegevierend terug naar Gent.

Velen gekleed in priesterkleren, kazuifels en alben waarbij ze spottend het volk zegenden. Andere roekeloze nietsnutten hadden de kap en de scapulieren van de religieuzen aangetrokken en kronen en kransen op hun hoofden gezet. Allemaal gestolen uit de kerken natuurlijk. Dit goddeloos huichelspel bedroefde de katholieken en maakte de sekteleden blij. Maar hun blijdschap zou snel gaan veranderen in grote droefheid.’

Vlaanderen siddert bij de chaos
Kortrijk valt weer in handen van de malcontenten. Mechelen dan weer in de handen van de Nederlandse Staten. Vlaanderen siddert bij al die chaos en krijgt tot overmaat van ramp ook nog te maken met de Hugenoten. Dat zijn de Franse calvinisten die zich natuurlijk fel keren tegen de malcontenten. Frankrijk werd hierdoor bijna helemaal verwoest. Het lijkt er wel op dat de Hugenoten hun vijanden overtreffen in goddeloosheid, wreedheid en beestachtige ontucht.

‘Men hoorde dat de Hugenoten te Wichelen waar ze alles breed en wijd hadden verbrand een man en een vrouw die acht arme kinderen achterlieten hadden vermoord en in de Schelde hadden geworpen. Veel van die Franse soldaten boden zich aan in Brugge, Mechelen, Dendermonde en andere plaatsen. Maar die van Gent wilden geen Fransen binnen nemen. Daarop hebben die van Brugge hun krijgsvolk gezonden om de rest van de kerken en de kloosters te vernietigen, en ook de kastelen van Tillegem en Male werden gemolesteerd zodat ze niet meer in vijandelijke handen konden geraken.’

Op 6 april 1580 beeft de aarde in Vlaanderen. Dit keer niet figuurlijk maar wel letterlijk en dan nog wel de zwaarste aardbeving die West-Europa ooit zal kennen. Het epicentrum ligt onder de zee in de buurt van Calais. Met een kracht van 6.0 op de schaal van Richter zorgt de aardschok voor een ravage in Frankrijk en Engeland. Maar ook Vlaanderen krijgt te maken met scheurende muren en vallende schoorstenen die op hun beurt zorgen voor doden en gewonden in Ieper, Gent en Brussel.

Een tijd vol van verwarring
Ik leef in een tijd gevuld met verwarring. Niemand weet nog waar hij aan toe is. En daarbij komt nu nog dat schudden van de bodem. De nieuwgezinden zien het fenomeen als een duidelijk signaal van de Heer, een voorteken van grote veranderingen. En dat met al die malcontenten hier in Vlaanderen. Wat zijn ze toch bijgelovig. Met pak en zak vertrekken veel calvinisten uit Gent richting Holland, Zeeland en andere plaatsen in het noorden. De bevende grond wordt te heet onder hun voeten. Tussen Pasen en Sinksen van 1580 blijft het rommelen in Brugge. Een figuurlijke naschok als het ware.

Theologische zever tussen predikanten over de interpretatie van het juiste geloof. Ik kan met moeite weerstaan aan de verleiding om hier het woord ‘sprookje’ te plaatsen in plaats van ‘geloof’. Tijdens de julimaand proberen de malcontenten met vele duizenden Gent te veroveren, maar hun pogingen mislukken door de gietende regen. Maar toch is er sprake van politieke veranderingen in Gent. Filips II, de koning van Spanje laat nog eens van zich spreken. Door het afwijzen van de calvinisten is hij zijn gezag over de Nederlanden kwijtgespeeld. De katholieke notabelen hebben allemaal hun eed aan hem gezworen, maar wie van calvinistische strekking was, werd daar nooit om gevraagd.

Maar veel van die zogezegde katholieke eedafleggingen waren nep en dat was ook de reden waarom zoveel verstokte calvinisten toch in het bestuur van de steden geraakt waren. Eventjes de schijn van katholiek ophouden bij de eedaflegging was niet moeilijk en niemand kon per slot van rekening in hun ziel kijken. Filips II wil nu iets doen aan al die ‘geveinsde personen en sekteleden die een onwettige rechtzegging hebben afgelegd’. Door die praktijk is de Raad van Vlaanderen te Gent volledig onwettig en wordt die nu ook officieel ‘van gener macht en waarde verklaard’.

Bidden dat de stukken er vanaf vliegen
Er wordt een nieuwe raad opgericht die zal zetelen in Douai. Het wordt aan iedereen in Vlaanderen verboden om nog verder zaken in te leiden bij de nu illegaal geworden Raad te Gent. De raadsheren van de oude Raad kunnen verder in functie blijven en hun ambt behouden, maar dan dienen ze zich eerst aan te melden in Douai. De weerspannige Staten van de Nederlanden lachen natuurlijk met deze koninklijke manoeuvres. Ze stellen op hun beurt een provinciale raad samen te Gent en dat ondanks hun voornemen om alle provinciale raden af te schaffen en te laten vervangen door een algemene raad die zou bestaan uit edelen van het land; een keure van ouderlingen en rechtsgeleerden.

Op 10 augustus 1580 wordt er een bijzondere biddag uitgeschreven. De calvinisten richten een aantal vragen tot God en zullen eens een hele dag bidden dat de stukken ervan af vliegen. Ze vragen hem drie zaken. Dat onze landen goed bestuurd zouden mogen worden, dat de vijand zou mogen gekrenkt worden en dat de nieuwe Gentse raad over de nodige wijsheid zou kunnen beschikken. God zal zich er vermoedelijk niet te veel van aantrekken. Enfin, dat is toch wat ik er zelf over denk. Ik ben getuige van een politieke stoelendans. Gevluchte en verbannen raadsheren worden vervangen door nieuwe namen.

Van Male boomt enkele bladzijden verder over al deze veranderingen van griffiers, ontvangers, notabelen en raadsheren in de nieuwe Raad van Vlaanderen. Veel palaver op papier natuurlijk. Wetten die geen steek houden, tegenstrijdig in deze rebelse staten want Willem van Oranje installeert wat later een eigen rekenkamer voor zijn staten. De leiding van deze rekenkamer wordt opgenomen door de heren Taffin en door de Gentenaar Lieven Dierix. Ik vertel er nog even bij dat de officiële koninklijke rekenkamer voor de officiële Nederlanden zich in Rijsel bevindt.

Die zotte geschiedenis toch
In Douai gaat het ander parlement van start. Die zotte geschiedenis toch. ‘De koninklijke raad’ wordt geleid door de in Brugge geboren Willem van Pamele, algemeen gekend als ‘de Jezuïet’, zoals hij genoemd werd toen hij nog voorzitter was van de Raad te Gent. Maar dat was in 1575. Samen met de raadsheren L’Espinoy, Snoeck, Coornhuyze en enkele andere ballingen spraken ze recht over Waals Vlaanderen. Met in hun zog natuurlijk een nest advocaten, procureurs en deurwaarders. In de staten van Oranje komen er nieuwe magistraten. In Gent, Brugge en de andere steden. De nieuwe raad in Brugge wordt op 14 augustus 1580 geïnstalleerd.

De vernieuwde colleges worden operationeel op 2 september. Als burgemeesters zie ik Jacobus Broucsaulx en Joos De Cabootere. Er zitten volgens van Male ongetwijfeld oprechte katholieken tussen. Maar de nieuwgezinden zullen, samen met de krijgsraad opnieuw alles ondersteboven halen. Tijdens de julimaand van 1579 had Willem van Oranje zijn staten officieel vervallen verklaard van de heerschappij van de koning van Spanje. Alle hoge officieren, rechters, magistraten werden officieel ontslagen van hun eed die ze ooit aflegden aan Filips II. De nieuwe beschermheer wordt vanaf 20 augustus 1580 officieel deze Franse hertog van Alençon. Oranje behoudt het bestuur over Holland en Zeeland die officieel zijn eigen staten worden. ‘En van ginder uit zorgt hij wel voor zijn eigen voordelen!’.

Het is maar al te duidelijk dat mijn schrijver niet hoog oploopt met Willem van Oranje. Brabanders en Vlamingen zijn hem erg erkentelijk en schenken hem massaal erven en landen die ze zelf van de geestelijken hebben afgenomen. Zo krijgt de Hollander jaarlijks tweeduizend gulden opbrengsten van de abdij Ter Duinen bij Koksijde. Dat spel is al aan de gang sinds 1575 wanneer daar een wereldlijke ontvanger werd aangesteld. Een zekere Jan Speelman. Een gevaarlijke naam trouwens voor een financiële figuur. Abt Robert Holman, nummer vierendertig in de rij van abten, is er niet goed van geweest. ‘Hij trok het hem zodanig ter herte, te meer omdat hij uit zijn refuge te Brugge verdreven werd, dat hij in een gemeen burgerhuis stierf in het jaar 1579 en overnacht begraven werd in de kerk van de arme Clarissen, naast de sacristie.’

De dwaze patriotten van Gent
Die sekteleden van calvinisten vinden dat de opbrengst van deze tweeduizend gulden eigenlijk niet voldoende is en schenken Willem op 15 september 1580 al de goederen van de abdij om die eeuwig en erfelijk te bezitten. Later zal die schenking nog ongedaan gemaakt worden, maar ik laat mijn glazen bol even in de kast liggen. De goede patriotten van Gent zorgen ook goed voor zijne hoogheid van Oranje, hun afgod en beschermheer. Ze schenken hem het kasteel van de proost van Lochristi met inbegrip van de hele parochie. ‘Maar ik geloof niet of hij die lange tijd in zijn bezit heeft gehad, hoewel hij zich in augustus 1581 daar enkele dagen samen met zijn gezellin is komen verlustigen.

Op die manier is de rijkdom van deze prins zeer toegenomen. Ten koste van onze godsdienst en middenin deze algemene ellende. Zodanig zelfs dat hij het daaropvolgende jaar 173.600 gulden kon besteden aan de aankoop van de heerlijkheden van Vlissingen en Vere. Ondertussen lieten de kleine dieven niet na om de grote te volgen.’ Mmmmh, wat is dat mooi en stout gezegd. ‘Het leek er wel op dat steden en dorpen ten roof gegeven waren aan al diegenen die durfden stelen. En dat terwijl de goede katholieken alles met treurende ogen aanzagen en niets openlijk durfden te zeggen want al hun zeggen werd zeer nauw opgevat en men luisterde naarstig of men hen niets in de mond zou kunnen leggen om hen dan achteraf te kunnen beboeten of verbannen.’

Uit deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *