Anno 1766. De zusters van de Ieperse Mariaschool – gesticht in 1752 – bleven als juffrouwen gekleed en droegen nog lang de naam van schoolvrouwen. Ze zouden pas in 1841 hun kloosterhabijten beginnen te dragen. Voor Ieper was de Mariaschool een zegen. Hoeveel jonge meisjes waren er niet, die vroeger op straat liepen en het zonder opvoeding of geleerdheid moesten stellen en door kanunnik Van Roo aangezocht werden in de kleinste en ellendigste straatjes van de stad?
Hij bracht ze naar school waar ze christelijk opgevoed werden, leerden werken om hun kost te verdienen zodat ze bij het verlaten van de school deftige dochters gekomen waren. De Ieperse bevolking keek met welbehagen toe op de werking van de Mariaschool. De zusters van Maria werden algemeen geacht en bemind. Door de gunst en de medewerking van het magistraat van de stad werd de keizerin – Maria Theresia van Oostenrijk – ertoe bewogen om deze verdienstelijke school officieel als gemeenteschool te erkennen.
Dat gebeurde met octrooibrieven van 9 september 1766. Het was voor de school een gezegend jaar. Ook stegen er vurige dankzeggingen ten hemel. Nu was er toelating en kon men geruster werken aan het geestelijk en lichamelijk welzijn van de arme en verlaten kinderen.
Mijnheer Van Roo maakte stellingen voor zijn kloosterzusters, hij gaf hen onderricht vol van de geest van God, zodat ze bekwaam werden om de ware kloostergeest te verkrijgen en stipt hun verbintenissen na te komen. Die verbintenissen waren samengevat in een akte die opgesteld was door mijnheer Van Roo en die de zusters bij hun aanvaarding in het klooster moesten opzeggen.
Twee maal per jaar moesten ze hun verbintenissen hernieuwen; op het feest van Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart en op het feest van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt. Om de zielen van zijn kloosterzusters tot hogere volmaaktheid op te voeren, maakte mijnheer Van Roo godvruchtige gebeden en oefeningen die de zusters, naast hun verplichte gebeden en oefeningen met vrucht dienden te verrichten.
Hij maakte onder meer een boekje en begeerde dat de zusters er gebruik van zouden maken en dat elke zuster dat boekje bij zich droeg. Daaruit las men dagelijks het officie van het H. Hart van Jezus. In die tijd hadden de zusters nog geen regel ontvangen van het bisdom. Ze hielden met hart en geest vast aan de stellingen en de onderrichtingen van mijnheer Van Roo.
Op het schoolreglement en de dagorde dat hij zelf opgesteld had en voor orde en tucht was hij heel streng. Hij was er van overtuigd dat zolang men met Gods hulp naar zijn onderrichtingen zou leven de school, ondanks alle beproevingen in bloeiende staat zou blijven.
Dagelijks moesten de kantwerksters in de zomer stipt om 6u30 en ’s winters om 7u30 op school zijn, tot 11u45. ’s Namiddags begon de school om 13u tot 19u in de zomer en ’s winters tot dat de avond viel. De werkzaamheden van de dag moesten beginnen met een lang gebed dat diende opgezegd te worden.
Daarna werd de ‘Veni Creator’ gezongen en wensten de kinderen in het Vlaams een goeiedag aan de schoolvrouw. Daarna volgde een half uur christelijke lering. Om 10u was er de rozenkrans, om 11u werden er gedurende 30 minuten godsdienstige en stichtende liederen gezongen. Om 11u30 mochten de meisjes naar huis, na het bidden van de Angelus.
Bij hun terugkeer om 13u begonnen de lessen met de litanie van Onze-Lieve-Vrouw. Dan moest er in stilte gewerkt worden tot 14u45 en volgde er een kwartier speeltijd. Om 15u moesten de meisjes vijf Onzevaders en vijf Weesgegroeten voor de stervende mensen bidden met het gebed voor de doodstrijd van Jezus en daarna de rozenkrans.
Om 15u30 mochten de kinderen gedurende een half uur en terwijl ze werkten gedurende een half uur spreken met elkaar, zij het dan stichtende gesprekken. Om 17u30 was er de rozenkrans. Om de dag te eindigen las met het avondgebed en om het uur las men ook nog het ‘zalige uur’, opdat God ons zou verlenen om lang te leven en zalig te sterven.
Op die manier werden alle werkdagen doorgebracht. Op de zon- en heiligendagen van het jaar, met uitzondering van Pasen en Kerstmis, moesten de schoolkinderen ’s morgens op de gestelde uren op school zijn, om te leren schrijven en ’s namiddags op streng gebod eerst onderwezen te worden in de christelijke lering, en daarna in de spel- en leeskunde.
De orde en de stilte werd dan zo nauwkeurig onderhouden dat men niet kon aanzien zonder de nodige verwondering en voldoening. Dat de kinderen op zon- en feestdagen in de school aanwezig moesten zijn was streng geboden door mijnheer Van Roo. Hij kende het zielsgevaar van de jonkheid op die dagen en wilde de schooldochters van Maria er aan onttrekken met ze bezig te houden met zaken die dienstig waren tot geleerdheid en zaligheid.
Om de kinderen naarstig te doen werken en met vlijt de schoolplichten te doen onderhouden, werden beloningen gegeven. Mijnheer Van Roo zelf gaf het voorbeeld. Juffrouw Van Zuutpeene en de juffrouwen, haar helpsters, volgden zijn voorbeeld. Dagelijks deelde men aan de braafste en de naarstigste kleine geschenkjes uit, in geld of in andere aangenaamheden en zoetigheden. Om de kinderen en de ouders te ondersteunen deelde men telkenjare kledingstukken uit. Ieder kreeg volgens verdienste. Later vond die uitdeling maar om de twee jaar plaats.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


