Na maanden van schrijven aan de Derde slag om Ieper hebben mijn helden eindelijk Passendale bereikt. Terwijl mijn ‘Grote Kroniek van Ieper’ altijd maar verder aangroeit vreet deze oorlog 1914-1918 meer en meer aan mijn ziel. Hoe kan het anders als je onderstaande teksten moet schrijven?
–
6 november 1917, dinsdag. Het was met grote dankbaarheid dat ik vandaag de verovering van Passendale kon melden. De kroon en de kruin van de heuvel die zo’n grote hinderpaal gevormd hadden rond de Ieperboog en ons omzoomd hadden op de vlakte en zijn moerassen. Na een heldhaftige aanval van de Canadezen vanochtend hadden ze zich een weg gevochten naar de puinresten van Passendale en het achterliggende gebied.
Als het zegel hier verbroken werd dan mocht dit wel beschouwd worden als een van de meest verbazingwekkende oorlogsprestaties die ooit werden gerealiseerd door het Britse leger. Alleen wij hier die de complete en de intiemste details van die gevechten kenden, de menselijke moed en opoffering die de opeenvolgende menselijke golven op deze heuvelruggen aangedreven hadden.
Die waren in juni begonnen bij Mesen en Wijtschate aan de onderkant de Ypres Salient en einde juli waren we Pilkem Ridge overgestoken in het noorden om dan door te stormen door de centraal gelegen plateau’s van de Westhoek naar het Polygoonbos, door Inverness Copse en Glencorse Wood, van Zonnebeke naar Broodseinde, van ’s Graventafel naar Abraham Heights, van Langemark naar Poelkapelle.
Alleen diegenen die dit meebeleefd hadden konden ten volle de betekenis van de overwinning van vandaag werkelijk vatten. Het terrein in en rond Passendale was de hoogste grond van de heuvel welke uitkeek op de breedte van de vlaktes verderop, daar waar we de vijand naartoe gedreven hadden.
De plaatsen waar de Duitsers nu zelf in hun kampen en stortplaatsen woonden. Hopelijk zouden we nu onze posities kunnen behouden om dan vervolgens als mieren door de kronkeling van de wegen daar beneden naar hen toe te kunnen marcheren, richting het vijandelijk flitsen en vuren om er zijn geschut dat ons gedurende drie jaar aan een stuk aan de hel bezorgd had te verjagen.
Maar wat stelde Passendale eigenlijk voor? Zoals ik de plaats vanochtend aanstaarde, door de rook van het kanonvuur en weer eens die natte mist, stelde het nog minder voor wat ik twee weken geleden nog van gezien had. Een grote ruïne, een puinhoop, de restanten van zijn kerk, een zwarte massa van verpulverd metselwerk en niets meer. Er was geen enkele woning staande gebleven, alleen maar een warboel van baksteenresten op die door granaten geteisterde heuveltop.
Maar omwille van zijn positie als een kroon op zijn heuveltop leek het voor zo ettelijk veel van onze jongens de hoofdprijs waar zo veel Vlaamse veldslagen voor gevochten werden. Om hier op deze plaats en zijn finale heuvelrug te mogen staan hadden ontelbare dappere mannen hun bloed gegeven.
Duizenden, zoveel duizenden Britse soldaten van Engeland en al de overzeese gebieden waren door het vuur en het water gekomen, door het geschut van de vreselijkste bombardementen, het water van de moerassen, van de beken en de bomkraters waar ze in getuimeld, doorgewaad, vastgezeten en soms verdronken waren.
Om zijn heuveltop en Passendale te verdedigen had de vijand massale hoeveelheden kanonnen en ongelooflijke aantallen machinegeweren en mitrailleurs van zijn beste divisies ingezet. Om onze voortgang te stuiten hadden de Duitsers nieuwe systemen van defensie ontworpen en hele rijen betonnen bunkers gebouwd. Aan elk kruispunt, bij elk flard van overgebleven boerderijen of landhuizen waren onze jongens door een ketting van vijandelijke forten moeten breken, altijd maar weer door hele zwermen machinegeweervuur en ze telkens opnieuw met zoveel verlies aan makkers overmeesterd.
Het weer had meegestreden met de vijand, altijd maar opnieuw en opnieuw tijdens de dagen van onze aanvallen. De verschrikkingen van de modder en de moerassen in de uitgestrekte desolatie van dit kraterland van wel 12 kilometer diep over die wijdse breedte van het platteland hier behoorden tot de akeligste herinneringen van elke soldaat die hier zijn deel genomen had in onze slag om Vlaanderen.
Ja, de Duitsers zouden wel smalend reageren op onze zege en de inname van de modderige puinhoop van dit Passendale, maar om die positie te behouden hadden ze wel bijna honderd divisies in het strijdperk gegooid, in deze arena van bloed. Hun verdediging van deze heuveltop had hen opgezadeld met ongelooflijke menselijke verliezen, doden, gewonden.
Ik had hun doden zien liggen in Inverness Copse en Glencorse Wood, overal op deze bodem lag de jonge mannelijkheid van Duitsland weg te rotten. Dus zo achteloos en laagdunkend moesten hun bevelhebbers niet uit de hoek komen nu, voor deze zogezegd ‘waardeloze’ grond waar zoveel van hun jongens gestorven waren en ze zo verschrikkelijk veel doodangsten – al die agonie – hadden doorstaan, zo wanhopig gestreden hadden, altijd maar opnieuw en opnieuw hadden moeten terugkeren naar die hel, in massale tegenaanvallen waarbij ze aan flarden geschoten werden door onze kanonnen en onze mitrailleurs.
Passendale mocht dan misschien maar een speldenprik voorstellen op de stafkaarten van de streek maar toch hadden de Duitsers werkelijk alles op alles gezet om die in hun bezit te houden. De afgelopen maanden hadden ze dag en nacht orkanen van vuur over deze velden gestuurd, in de ijdele hoop om onze opmars te stoppen.
Nog maar enkele dagen geleden waren er nog nieuwe bevelen gekomen voor de Duitse troepen. Ze hadden de naam ‘Hindenburg’ gekregen. Passendale moest te allen prijze behouden worden, en bij eventueel verlies absoluut heroverd. Wel, vandaag waren ze Passendale nu werkelijk kwijtgespeeld en als de oorlogsgoden aan onze kant bleven zouden ze deze plek nooit meer terugpakken.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


