Van waar komt de naam van Gallië?
Er bestaan nogal wat meningen over de origine van de naam ‘Gallië’ en de Galliërs. Misschien verwijzen ze naar Galathee en Galathes, de zoon van Hercules. Of heeft deze naam te maken met Gallus, de zoon van de mythologische reus Poliphemus en broer van Illyrius en Britanna? Anderen verwijzen naar het Griekse woord voor wit wegens de extreem witte huid van de Galliërs. Dat laatste is best mogelijk, de druïdes spraken immers Grieks en hadden vaak zelfs Griekse namen. De naam kan ook afgeleid zijn van een oud Hebreeuws woord dat ‘geel’ betekent omwille van de witte en rosachtige huid van de Galliërs. Hun naam heeft vermoedelijk te maken met het Keltische woord ‘Wallen’ dat in het Duitsland van de 17de eeuw nog altijd synoniem staat van ‘reizen’ of ‘van plaats naar plaats trekken’. Anno 2019 vind ik daar niet veel info over terug. Met uitzondering van de Duitse vertaling van het woord ‘bedevaart’ dat als ‘Wallfahrt’ genoteerd staat. Interessante materie, het intrigeert me meteen of die ‘Wall’ ook iets te maken kan hebben met Wallonië en zijn Walen. Of met Wales en de Welshmen in Engeland.
België tussen de Rijn en de Noordzee
De Germanen zullen zich soms gedwongen en vaak uit vrije wil meester maken van de regio tussen de Rijn en de Noordzee. Dat bemerk ik aan de aanwezigheid in Gallië van de Sicambren, ruim 1100 jaar voor het begin van de nieuwe jaartelling. Van de overzijde van de Rijn komen er regelmatig volkeren in onze richting uit. De Germanen willen maar één ding: hun plekje vinden in het veelbelovende westen. De eerste Germaanse stammen die de gigantische Rijn oversteken zijn vijf eerder bescheiden volkeren die zich samengevoegd hebben onder de noemer van de Tungri. Het staat vast dat ze vergezeld zijn van de Trevieren, de Nerviërs, de Atuatuci en de Menapiërs. Allemaal lieden van Germaanse origine dus. Daarbij zien we eveneens de Batavieren opduiken, samen met de Cananefaten. Al die voornoemde volkeren of stammen gaan op korte termijn zowat twee derden van de Belgische inwoners uitmaken. België die op dat moment in de tijd zowat de hele regio tussen de Rijn en de Noordzee uitmaakt. Na de verovering van België en Gallië zullen de Romeinen het hebben over ‘Germanië’, ingedeeld in twee regio’s. Hoog en laag Germanië met de kleine rivier van Are als scheidingslijn tussen beiden. Dat riviertje dankt zijn naam aan een oude stam met de naam van Obrinki of Abrinki en mondt uit in de Rijn ergens in de buurt van Andernach.
De Fridlinges en de Edlinges
Het is zeker mijn bedoeling niet om hier in dit boek de geschiedenis van de Germanen en de Galliërs in detail neer te pennen. Een impressie van de manier waarop ze beiden leefden is hoe dan ook cruciale info om de naamgeving van Frankrijk en Vlaanderen te begrijpen. De Germaanse maatschappij is ingedeeld in vier grote standen. De nobelen, de vrije mensen, de bevrijde lieden en tot slot de lijfeigenen. Van die laatsten kan niet beweerd worden dat ze slaven zijn want ze worden niet in de ijzers vastgehouden. Deze vier categorieën van mensen zullen nog blijven bestaan bij de Fransen, tot in de tijd van de Karolingers en dus zeker tot in het jaar 1000. Maar dan wel onder een andere benaming. De nobelen omschrijft men oorspronkelijk als ‘Edlinges’ of ‘Adalinges’, waar ik onmiddellijk het woord ‘edele’ in ontwaar. Dat woord werd in het Saksisch omschreven als ‘Edhilinges’. De vrije lieden staan dan bekend als ‘Fridlinges’. De lijfeigenen; ‘Lazzes’ en de vrijgelaten mannen; ‘Frilazzes’.
Die ‘Lazzes’ gelijkt voor wat mij betreft wel heel goed op het woord ‘slaven’ (‘esclaves’). De Fridlinges en de Frilazzes dragen duidelijk het woord ‘free’ in zich. Ze kunnen vrij beschikken over hun eigen leven. Iets wat de lijfeigenen niet kunnen zeggen. De maatschappij van de Galliërs kent eveneens vier standen. De ‘druïden’ zijn de topklasse. Ze worden ook wel ‘ministers van de religie’ genoemd. Dan zijn er de ‘heren’ of ridders. Lager op de ladder staan de ‘gewone mensen’ gemeenzaam ‘het volk’ genoemd. Helemaal onderaan zien we ook hier de lijfeigenen of de ‘serfs’. Veel van de gewone mensen worden heel slecht behandeld door de druïdes en de heren en kiezen ervoor om in hun dienst te treden als ondergeschikte. Beter dat dan voortdurend opgevreten te worden door een meester.
Bij de Germanen sluiten de priesters zich aan bij de stand van de edelen of soms ook wel bij de vrije mensen. Maar in geen geval bij de laagste bevolkingsklassen. Dat is vrij gelijkaardig bij de latere Fransen waar de geestelijken en de priesters ook nooit een ondergeschikte rol zullen innemen. Hun lijfeigenen ondergaan in principe geen slechtere behandeling dan de eigen kinderen in huis. Hun meesters slaan hen zelden in de ijzers of tuchtigen ze met stokken. Nu en dan slaan ze een lijfeigene dood, maar dat kan niet echt beschouwd worden als een bestraffing maar eerder als een staat van woede en gramschap. De ‘Frilazzes’ staan amper hoger dan de lijfeigenen, aan hen wordt evenmin aandacht besteed, niet in huis en niet in het openbaar.
Een stroom van vrije immigranten
De volksverhuizing van Germaanse volkeren richting Noordzee is vooral het gevolg van zwervende Fridlinges hier en daar ongetwijfeld gevolgd door de Frilazzes. De slaven blijven waar ze zijn terwijl de Edlinges zich vooral bezig houden met het beschermen van hun grondgebied. Heel Gallië krijgt zo te maken met deze stroom vrije immigranten, Vrijlaten, Germanen van veel verschillende stammen die onderling maar één zaak gemeen hebben; dat ze geen horigen zijn, maar vrije mensen. Free, vrij. In het Frans staat het woord ‘vrij’ synoniem van ‘franc’, iets wat bij ons bijvoorbeeld leeft in het gezegde ‘vrank en vrij’. Een ‘vranke toot’ hebben betekent dat iemand zich de vrijheid toe-eigent om te zeggen wat hij wil. Al die verschillende Germaanse stammen gaan zich op termijn vereenzelvigen met dat vrij statuut en zullen zich omschrijven als ‘Vrijen’, ‘Vrije mensen’, ‘Francs’, ‘Franken’. Zelfs hun eigen stamnamen zullen op termijn moeten wijken voor hun eretitel. De Eburonen, Morinen, Sueven, Catten, Menapiërs, Trevieren, Marcomannen, Sicambren enzoverder zullen in de loop van de tijd muteren en versmelten in hun gemeenschappelijke naam ‘Franken’. De Franken geven op termijn hun naam aan het land waar ze gaan wonen en leven.
De Germanen zijn zo dominant dat ze de naam Gallië vervangen door het land van de Franken. Het rijk van de Franken, Franconia evolueert tot Frank(en)rijk. Dat is ook het geval voor de laaggelegen vlakte tussen de Schelde en de Noordzee. Van Brugge als stad is er nog geen sprake maar op het land (het noordelijke deel van het huidige West-Vlaanderen) strijken massa’s Vrijlaten neer die er het land gaan bewerken en beboeren en er een vrij leven gaan leiden in een territorium dat ze ‘het Vrije’ noemen. Dit land van de Vrijlaten heeft ongetwijfeld een identieke betekenis als die van Frankrijk. Het Latijn heeft het over Francia en Francum. De Franstalige historici hebben het ook over ‘le pays du Franc’ of ‘le Franc de Bruges’. In de geschiedenis van het Brugse Vrije lees ik dat deze ‘Vrije’ en ‘Vranke’, ongedwongen volkeren zich vestigen tussen Boulogne tot aan de Schelde met inbegrip van de Zeeuwse eilanden. Geschiedschrijver Olivier de Wree kan in de 17de eeuw nog altijd enkele Frankische stammen ontwaren in het ontwakende Vlaanderen. De Centrones in Kortrijk, de Grudii in de regio Brugge, de Levaci in de Vier-Ambachten (het noordelijk gebied), de Gorduni in Gent, de Morinen in de streek van Terwaan en Veurne. Rond de streek van Doornik leven de Pleumosi.
Het land van de Vrijen
Maar hoe komt dat laag deel van het noorden van Gallië aan die naam ‘Vlaanderen’? Er bestaan nogal wat theorieën daaromtrent. De Wree legt een link naar het krekengebied van de streek, een waterrijke grond met poelen, meren en moerassen. Ik verwijs daarbij naar de naam ‘vlonder’ als een begaanbaar pad over het water. In de parochie van Meetkerke is er sprake van een plek die ‘de Vuyl Vla’ heet en Vladslo droeg vroeger de naam van Vlazeele. Een andere denkpiste is natuurlijk dat Vlaanderen zijn oorsprong vindt in ‘Vlandria’ wat op zijn beurt direct afgeleid is van ‘Vrilandia’. Het land van de Vrijen. Dat de regio daar ook de bakermat is van Vlaanderen kan zeker in die richting wijzen en is het gewoon puur toeval dat de ‘vlonder’ als waternaam zo goed matcht met ‘Vlaanderen’. Vlaanderen kan zelfs zijn naam gegeven hebben aan vlonder! Ik vind het in elk geval toch wel bijzonder dat Vlaanderen en Frankrijk exact dezelfde betekenis hebben; het land of het rijk van de Vrije mensen. De vrije schepenen zijn de eerste wethouders van de Vrijlanders, het zijn uiteraard inwoners van het Vrije, in het Latijn genaamd ‘Vry Flandri’ een naam die algemeen bekend is bij de mensen van die tijd.
De drie Flandris
Er is trouwens ook sprake van het meervoud van Flandria. Flandriae of in het accusatief Flandras. Gewoonweg omdat er in het Frankenland rond Brugge drie kwartieren bestaan, de drie Flandris. Elk van deze kwartieren beschikt over een eigen burgemeester en negen schepenen. Zo fungeert er dus een burgemeester in het noorden, in het oosten en in het westen. In Brugge zelf vinden we het bewijs van die ‘Flandras’ benaming. Zoals gezegd ligt de stad heel centraal in het land van de eerste Franken. Op de markt van Brugge start een weg naar het noordelijke district van het Frankenland, een weg die anno 2019 nog altijd bekend staat als de ‘Vlaming-strata’, in het Latijn ‘platea Flandrensis’ met daarbij ook nog de Vlamingbrug (pons Flandrensis) en de Vlamingdam (Ager Flandrensis) en de Vlamingpoort.
Eenmaal buiten deze Vlamingpoort splitst de weg zich op om ook naar de twee andere Vlaanderens te kunnen gaan; in de richting van het West- en het Oostkwartier van het Vrije. De weg van het centrum in Brugge in de richting van de drie ‘Flandras’ geeft verbazingwekkend genoeg enkel toegang tot het noorden, westen en oosten en niet tot het zuiden, tot de andere belangrijke centra van die eerste eeuwen. Vanuit Kortrijk en Gent arriveren in Brugge twee afzonderlijke wegen; de ‘via Cortracensis’, de Kortrijkse steenweg komt binnen aan de Catharinapoort terwijl de ‘via Gandensis’, de Gentse steenweg dat doet aan de Gentpoort. Kortrijk en Gent behoren dan nog niet tot Vlaanderen en als hun inwoners naar Vlaanderen willen reizen dan doen ze dat via het centrum van de drie Flandras om dan vervolgens via de Vlamingpoort naar het gewenste Flandria te reizen.
De primitieve naam van Vlaanderen
In diverse biografieën van predikers komt de primitieve naam van Vlaanderen al eventjes piepen. Bisschop Venantius Fortunatus van Poitiers is de allereerste die Vlaanderen bij naam noemt. Hij schrijft rond 550-560 aan Sint-Medard dat hij het ruwe Vlaamse volk heeft toegevoegd aan het bisdom van Noyon. ‘Ferrocem Flandrensium gentem sue Noviomensi ecclesie socialle’. In het leven van Eligius, bekend als de ‘apostel van Vlaanderen’ heeft Oudoenus het in het jaar 660 over ‘multum praetereà in flandris laboravit sanctus Eligius’. Ook Miroeus heeft het dat jaar over ‘Maritimam oram eo tractu Flandras……erant ibi tum vici, tum castella’.
De inwoners van de landstreken tussen Boulogne, langs de zeekusten tot aan Oostburg worden nu allemaal Vlamingen genoemd. Ze zijn voor het merendeel allemaal Vrijlaten, afkomstig van de eerste Franken. Oudoenus bevestigt in 660 dat de Kortrijkzanen en de Gentenaars niet meegerekend worden bij de ‘Vlaanderlingen’. De regio Vlaanderen is dan ook veel kleiner dan het Vlaanderen uit pakweg de 13de eeuw. De oude kroniek van Saksen heeft het over ‘Franken-land by Gant’. Oudoenus vertelt dat koning Pharamond uit het Frankenland vertrokken is uit het Vrije om zich te settelen in Doornik, voor hem het tweede Gallië en dat het derde Gallië in zijn tijd bestaat uit Frankrijk, Noviomensis (regio Noyon), Flandrensis (het Vrije), Gandensis (het Gentse) en Cortracensis (de streek van Kortrijk).
We streden dapper met de zwaarden
De naam Vlaanderen komt pas echt boven water in het jaar 835 wanneer Lodewijk de Vrome zijn gebieden gaat indelen en daarbij de naam van ‘Flanderus’ laat vallen. Rond diezelfde tijd is er een Scandinavische bard die de tochten van de Noorman Ragnar Lodbrog bezingt en het daarbij heeft over Flemingia tussen de oceaan en de Schelde. Die Ragnar Lodbrog ken ik trouwens van de historische reeks van de Vikingen op tv. De letterlijke tekst luidt als volgt:
Hiuggum vier med hiorve
Hilldur var synt i vehste
Adur Freyr kongur fille
A Flemingia lande
Vrij vertaald als volgt:
Wij streden dapper met de zwaarden
De rusteloos aangewassen slag
ging zonder einde, ter ere van Freir, de koning
die ter aarde lag in Vlaanderland.
In het jaar 859 maakt Kortrijk nog altijd geen deel uit van Vlaanderen. In de tijd van Karel de Kale staan de verscheidene regio’s er in de ‘Capitulis Caroli Calvi’ nog omschreven als Noyon, Vermandois, Artois, Kortrijk, Vlaanderen als zijnde de graafschappen van forestier Ingelram. In feite regeert Boudewijn dan al jaren in de plaats van zijn vader. Ik zal het later hebben over de chronologische opgang van de eerste forestiers maar kan alvast stellen dat het die Boudewijn zal zijn die de eerste graaf van Vlaanderen zal worden en die van zijn functie meteen gebruik zal maken om al die regio’s de officiële naam van Vlaanderen te schenken.
Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Het Oud Verhaal van Vlaanderen –


