1278. Gravin Margareta heeft ondertussen de respectabele leeftijd van 76 jaar bereikt . Omdat ze van tijd tot tijd onpasselijk wordt denkt ze dat haar dood niet meer veraf is. Op 11 september 1278 doet ze tijdens een algemene staatsvergadering te Damme, in het bijzijn van de geestelijke en wereldlijke autoriteiten afstand van haar functie en stelt ze haar zoon Gwijde in het bezit van het graafschap van Vlaanderen. Zelf is ze tevreden met een jaargeld van 8.000 pond.
De nieuwe graaf is ondertussen al 52 jaar en geen groentje meer. Zwarte Margriete zal sterven op 10 februari van het jaar 1279. Haar lichaam belandt in het klooster van Flines naast dat van haar man en haar zoon, de twee Willem van Dampierres. Vlaanderen en Henegouwen die nu al 84 jaar verenigd waren scheiden zich van elkaar af. Haar kleinzoon Jan II van Avesnes neemt het bestuur op in Henegouwen en Gwijde van Dampierre doet dat zoals gezegd in Vlaanderen.
Vijf zonen en vier dochters
Maar wie is die Gwijde van Dampierre eigenlijk? In 1245 trouwde hij met Mathilde, de dochter van de heer van Bethune. Hun huwelijk zal 19 jaar duren tot aan haar dood in 1264. Tussen 1245 en 1262 hebben Mathilde en Gwijde wel gezorgd voor vijf zonen en vier dochters. Robrecht, Willem, Boudewijn, Jan, Filips, Margareta, Beatrix, Johanna en Mathilde. Na de dood van Mathilde hertrouwt Gwijde van Dampierre met Isabella van Luxemburg waardoor hij het graafschap Namen in handen krijgt.
Hun huwelijk zegent zichzelf met drie zonen en drie dochters: Jan, Guido, Hendrik, Margareta, Isabella en Filippa. Aan opvolgers zal er in elk geval geen gebrek zijn. Graaf Gwijde bezit wel talenten maar is in feite niet mee met zijn tijd. Zijn voorgangers hebben de Vlaamse steden tot bloei gebracht met het verlenen van vrijheden en voorrechten en dat voelt deze nieuwe graaf vreemd genoeg aan als een beknotting van zijn eigen rechten en status. Hij wil al van bij zijn aantreden wat doen aan de uitgebreide macht van vooral Gent, Brugge en Ieper.
We staan aan het begin van een bewogen periode in onze geschiedenis. Kort na zijn aanstelling eist hij verantwoording van de Gentse schepenen voor wat betreft de inkomsten en de uitgaven van hun stad. De verwonderde magistraten sturen hem wandelen. Gwijde reageert woedend op deze weigering, hij beschikt blijkbaar over een kort lontje en toch wel een slecht karakter. De graaf vindt er niets beter op dan te gaan bleiten bij de Franse koning Filips III, de zoon en opvolger van Lodewijk IX. Die reageert zoals Gwijde dat gewenst had. Gent heeft niet te kiezen, de schepenen moeten ingaan op de eisen van hun graaf. Wat Gwijde niet lijkt te beseffen is het feit dat hij beroep doet op zijn leenheer voor wat betreft zijn eigen ‘binnenlandse zaken’.
Hij geeft daarmee zijn autoriteit, onafhankelijkheid en zeggenschap op. Ik bedoel maar dat de Vlaamse magistraten en raadsheren beseffen dat ze voortaan een stap hoger kunnen zetten als ze het niet eens worden met de graaf. Gwijde stort zichzelf en zijn land daarmee in een afgrond waarvan de bodem niet in zicht is. Het bestuur van Vlaanderen was tot nog toe altijd een kwestie geweest van de inwoners en de graaf, overkoepeld door het eenmalig afleggen van het manschap door de graaf voor zijn opperleenheer en daarmee was de kous af. In Vlaanderen ontstaat daardoor een grote tweespalt. Aan de ene kant heb je mensen die Vlaanderen bestuurd willen zien door alleen maar de Vlaamse graven, en zeker zonder Franse bemoeienissen.
Ze noemen zich al spoedig als de ‘klauwaards’. Anderen, meestal edelen die nooit hoog hebben opgelopen met de heerschappij van één enkele graaf zien die Franse opperleenheer best zitten. Ze noemen zichzelf leliaards, daarmee verwijzend naar het Franse statussymbool van de witte vlag met de gouden lelies. De boete van 68.000 pond die de Franse koning oplegt aan die van Gent, te betalen aan hun graaf stort Vlaanderen op alle vlakken in de problemen. Hoewel Gent en zijn graaf in eerste instantie de zaak bijleggen en het geld op tafel leggen.
De reusachtige brand van 1280
Begin oktober van 1280 ontstaat er binnen Ieper een bloedige oproer van het gemeen volk tegen de edellieden en de rijke burgerij. De oorzaak is niet echt bekend maar moet ongetwijfeld gezocht worden in de erbarmelijke arbeidsvoorwaarden en de behuizing van de arbeiders in de textielnijverheid die deze stad ten top hebben gebracht. Onder de slogan ‘kokerulle’ slaan ze aan het plunderen en doden ze allen wie het beter heeft dan hen. Het magistraat is niet in staat om de woedende massa tegen te houden en roept de hulp in van Gwijde van Dampierre. Die arriveert hier met een gewapende krijgsmacht en maakt een einde aan de moordpartijen. De oproerkraaiers onderwerpen zich aan hem.
De graaf dreigt met zware straffen maar beperkt zich tot een grote geldboete. De kokerulle is enkel de voorbode van meer ellende in Vlaanderen. Een reusachtige brand op 15 augustus 1280 legde in Brugge de halle en de hallentoren in de as. Al de oorkonden en de zo belangrijke vrijheidsrechten en stadscharters verdwenen zomaar in het vuur. De Bruggelingen zijn er het hart van in. Vooral omdat graaf Gwijde van Dampierre niet meteen geneigd is om hen nieuwe voorrechten te verlenen.
De verwoesting van de Brugse oorkonden komt hem dan ook goed uit. Vlaanderen moet geen vier bazen hebben. Die rol is alleen voorbestemd voor de graaf, de rest moet knikken. Zowaar een dictatoriaal trekje. Dampierre wil wel onderhandelen over een nieuwe set vrijheden die beter aansluiten op de macht die hij zichzelf wil krijgen. Brugge krijgt zo prompt een nieuwe wetgeving die volledig haaks staat op zijn oude gebruiken en voorrechten. Zo eist de graaf onder andere toezicht op de stadsfinanciën. De Brugse wethouders zullen daarbij hun rekeningen moeten voorleggen aan grafelijke commissarissen.
1281. De eerste inspectiebeurt is een feit. De komst van Dampierres commissarissen naar Brugge wordt door de inwoners heel slecht onthaald. De wethouders weigeren om de jaarrekeningen voor te leggen. Alleen de lokale burgers kunnen hen kwijting verlenen en de graaf kan de pot op. Zo komt het er toch op neer. Het is natuurlijk slechter dat ze de gezanten van Dampierre wegjagen en zelfs enkele commissarissen om het leven brengen. Ze vragen om miserie en die krijgen ze natuurlijk direct. Gwijde van Dampierre komt voor ze het goed en wel beseffen met een troepenmacht in de stad en gaat op zoek naar de opstokers van de voorbije oproer. Vijf onder hen worden buiten de Boeveriepoort onthoofd.
Het gaat over Jan Coopman, Boudewijn Priem, Lambrecht Lam en de broers Jan en Lambrecht Dauwik. De sukkelaars krijgen hun laatste rustplaats in de abdij van Sint-Andries waar men in 1847 nog altijd de restanten van hun verweerde graven kan terugvinden. Brugge krijgt een monsterlijke boete van 104.000 gulden waarvan die laatste 4.000 dienen om de tijdens de oproer veroorzaakte schade te herstellen. Al de Bruggelingen moeten bijdragen. Alleen wie voldoende kan bewijzen niet deelgenomen te hebben aan de oproer komt onderuit aan de boete.
–
Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Het oud Verhaal van Vlaanderen –


