In de 17de eeuw wordt ‘Historiae Anglicanae’ gepubliceerd. De geschiedenis van Engeland wordt er aan de hand van tien schrijvers gebundeld in vier boekdelen die trouwens in de bibliotheek van Brugge terug te vinden zijn. Een van die schrijvers is een zekere Brompton die leefde en werkte in de 12de eeuw. De oorspronkelijke tekst is natuurlijk in het Latijn, maar Loys is zo vriendelijk om me een Vlaamse vertaling aan te reiken: ‘Omtrent dien zelfden tyd (877) ontstond het graefschap van Vlaenderen.
Want Vlaenderen was toen nog van zoo groot aenzien niet als nu, maer werd door forestiers van den koning van Frankryk bestuerd.’ Dat het bestaan van de forestiers opduikt in de ‘Historiae Anglicanae’, tussen een belangrijk stuk wereldgeschiedenis, doet Loys besluiten dat hun bestaan zomaar niet als ongegrond mag worden afgewezen.
De Bast is een slimme en capabele man, geeft hij toe, maar het betwisten van het bestaan van de oude forestiers, bewijst dat hij een vooroordeel heeft. Zo haalt hij de gouvernante van de Nederlanden aan die in 1623 al evenzeer hun bestaan loochent omdat ‘het ombetamelyk zoude zyn den oorsprong onzer vorsten aen iets zoo gerings toe te schryven.’
Dat zijn natuurlijk allemaal geen argumenten, vindt majoor Loys. Ik ben benieuwd of hij met betere exemplaren tevoorschijn zal komen in zijn verhandeling. Loys spitst zich nu toe op de term ‘forestier’ zelf die met grote waarschijnlijkheid te maken heeft met het Frans woord ‘forêt’, een woud of een groot bos. Dat is toch de mening van zijn opponent en van die bewuste gouvernante. Hun stellingname berust op het feit dat de oude kroniekschrijvers de naam van forestier linken aan de bossen die Vlaanderen bedekten in de tijd van de eerste koningen van Frankrijk.
Maar dat argument kan wel eens totaal fout zijn. De landstreek die aanvankelijk de naam van ‘Vlaanderen’ met zich meedraagt was helemaal niet bosrijk. Integendeel: het was een moerassig land dat slechts bewoonbaar kan geworden zijn nadat er veel tijd en moeite werd gestoken in het graven van ontelbare grachten om al het overtollige water weg te leiden. Die kanalen vormen hier vandaag nog altijd het levend bewijs van die inspanningen.
De naam van ‘forestier van Vlaanderen’ komt dus niet van het Franse ‘forêt’. Wat struikgewas en enkele onbeduidende houtgewassen kan men moeilijk een bos noemen. De bossen waar men over spreekt, liggen veel meer in het zuiden, in gebieden die oorspronkelijk geen deel uitmaken van de eerste forestiers en die eigenlijk op dat moment nog niet tot Vlaanderen behoorden, dat in die begindagen een veel beperktere uitgestrektheid had.
‘Forestier’ komt van ‘Vorst’ of ‘Forst’, in het Duits ‘Furst’. De benaming heeft niets te maken met enige bestuur over bossen maar alles te zien met het grondgebied, het eigendom van de vorsten. De forestiers zijn dus geen houtvesters geweest, maar ambtenaren die door hun bewindvoerders afgevaardigd werden om het bestuur over dat gebied waar te namen. Die bewindvoerders worden dus ‘forest’ genoemd en hun afgevaardigde in Vlaanderen is hun ‘forestier’, van vorst en (be)stieren.
De forestier staat dus gelijk aan een leenheer die een eigendom, een leengebied of een heerlijkheid mag uitbaten voor zijn vorst. De term ‘forest’ is dus niet afkomstig van ‘bos’ en Désiré Loys werpt hiervoor enkele bewijzen op tafel. Ik schakel even over op een Latijns handschrift van 13 april 969. Adriaen Kluyt schrijft in zijn kritische geschiedenis van het graafschap Holland het volgende: ‘Lotharius, rex Francorum, Theodorico comiti Gandavensi et simul Hollandiae, donat Forestum Wasda in comitatu ipsius Gandavensi situm, cum omni jure.’
Vertaald in het Vlaams komt dat neer op; ‘Lotharius, koning der Franschen (Franken), schenkt aan Theodoric, graaf van Gent en ook van Holland, het Forest Wasda, dat in zijn graafschap van Gent gelegen is, samen met alle daaraan verbonden rechten.’ Er volgt nog meer Latijnse uitleg, maar ik houd het liever eenvoudig en beperkt me tot de vertaling in mijn moedertaal.
‘In de naam van de heilige en onverdeelbare drievuldigheid, doen wij, Lotharius, koning door de gratie Gods, weten aan alle onze getrouwe onderdanen, zowel tegenwoordige als toekomstige, dat onze geliefde echtgenote, de koningin Hemma, zich voor onze majesteit vertoond hebbende, ons nederig verzocht heeft, van aan een van onze getrouwen, namelijk de graaf Theodoric, het Forest Wasda, in zijn graafschap gelegen, met dezelfde weiden, wateren, bouwlanden, de rechten van uitgaan en binnen komen, kortom met alles wat tot vermelde Forest behoort, zouden afstaan.’
‘Dit billijk verzoek inwilligende, geven en verlenen wij aan vermelde graaf het bovenvermelde Forest om het met alle toebehoren in bezit te nemen en te behouden. Niet alleen voor zichzelf maar ook voor zijn erfgenamen of diegenen aan wie hijzelf of zijn erfgenamen het willen verkopen of overlaten, en zulks zonder dat men zich daartegen kan verzetten. En ter bevestiging van deze eigendom en om hem het bezit ervan nog meer te verzekeren, hebben wij hem dit besluit laten afvaardigen, hetwelk wij eigenhandig hebben getekend en met onze Koninklijke zegel hebben gestempeld. Gegeven, de 13de april van het jaar van Onze Heer 969.’
Uit dit stuk blijkt dat de schrijver onder het woord ‘forest’ geen ‘bos’ verstaat maar ‘grondgebied’, omdat men tegelijkertijd de weiden, de wateren, de bouwlanden en alle toebehoren afstaat. Het vermelde ‘Wasda’ beslaat het grondgebied van het tegenwoordige land van Waas samen met het eiland Walcheren en Beveland. Vergeet trouwens niet dat in dat bewust jaar 969 Vlaanderen er nog helemaal niet uitziet zoals vandaag. Brugge, Aardenburg, Oostburg en zelfs Veurne liggen aan de Noordzee, pas tweehonderd jaar later zullen de laatste stroken grond buit gemaakt worden op het water.
De term ‘forestier’ kan dus daardoor automatisch niet synoniem staan met die van boswachter. Maar waarom wordt het woord ‘forêt’ dan alleen gebruikt in de betekenis van ‘bos’? Loys vraagt het zich terecht af. Het hele gebied van Frankrijk is natuurlijk bezaaid met bossen waardoor de meeste eigendommen eigenlijk alleen maar bossen zijn, waardoor er op termijn wel zal gedacht zijn dat een leengebied gelijk staat met een bos.
Ik probeer de schrijver in zijn logica te volgen. Als bijna alle vogels mussen zouden zijn, dan zou op termijn het woord mus uiteindelijk gebruikt worden voor om het even welke vogel. Maarten de Bast countert het bestaan van de forestiers omdat de diverse kroniekschrijvers het onder elkaar niet eens zijn met hun aantal en met het tijdspad van hun bestaan.
Maar elkaar tegensprekende berichten kunnen toch moeilijk een argument vormen om te bewijzen dat ze helemaal niet hebben bestaan? Toch niet omdat de geschiedschrijvers er met hun jaartallen een zootje van hebben gemaakt? Désiré Loys probeert klaarheid te brengen in deze tijdrekening. In zo goed als alle jaarboeken wordt Boudewijn met de Ijzeren Arm opgegeven als de eerste graaf van Vlaanderen.
Zijn 6de opvolger Boudewijn van Rijsel zou dus bijgevolg de 7de graaf moeten geweest zijn. Ik kijk er een beetje van op van wat hij nu schrijft. Op het grafschrift van Boudewijn van Rijsel, in de Sint-Pieterskerk van dezelfde stad, wordt in 1067 gegraveerd dat de man door het leven is gegaan als 11de graaf van Vlaanderen. ‘Chi gest très-haus, très-nobles et très-poissant Princes Baudewins li débonnaires, jadis Comtes de Flandre li onzièmes, qui fonda ceste Eglize et trepassa en l’an de Grasses Mil LXVII.’
Er zit dus iets vreemd in de logica van de jaarboekschrijvers. Waar zijn die vier graven gebleven? De hele verwarring ontstaat omdat de geschiedkundige oorkonden de regeerperiode van Boudewijn met de Ijzeren Arm laten aanvangen in het jaar 863. Maar is dat wel zo? Het openen van het graf van Sint-Donaas in 1566 gooit deze stelling omver en zorgt meteen voor roet in het eten van de geschiedenis van Vlaanderen. Fascinerend. Die Donaas was tussen de jaren 360 en 390 bisschop van Reims. Maar wat kan Donaas echter te maken hebben met Boudewijn met de Ijzeren Arm?
Ik ga verder met de dode Donaas. Na zijn dood werd hij eerst begraven in de abdij van Corbie. Toeval of niet, maar de Franse koning Karel de Kale schenkt de beenderen van Donaas eeuwen later aan Boudewijn met de Ijzeren Arm. In notabene datzelfde jaar 863 worden de restanten van de heilige overgebracht naar de kerk aan de Burg in Brugge. Die kerk wordt sindsdien de Sint-Donaaskerk genoemd.
1566 dus. Bisschop Pieter Curtius van Brugge ontdekt in de graftombe een perkamenten handschrift van een zekere Ebbo, niet de eerste de beste, die tussen 816 en 841 twee keer de functie van aartsbisschop van Reims heeft vervuld en die in 851 is overleden. Vooral het jaar van zijn overlijden zal straks belangrijk blijken. Maar laat me even in de logica van Désiré Loys blijven. In deze brief staat te lezen dat Boudewijn I al graaf van Vlaanderen is in het jaar 840.
De Brugse geschiedschrijver Olivier de Wree, ‘Vredius’, zal tijdens zijn leven (1596-1652) getuigen dat hij de bewuste brief gezien heeft. Ebbo en Donaas brengen me in geen tijd naar een korte verhandeling uit 1953 van de hand van eerwaarde heer Noterdaeme. ‘Boudewijn I, graaf van Vlaanderen’ is de titel van het werkje en meer dan honderd jaar na de dood van mijn schrijver Loys, voegt hij er buiten diens medeweten natuurlijk een aantal bijzondere elementen en bewijsstukken aan toe. Ze brengen me terug naar de gebeurtenissen waar hij het in 1834 al over had.
Het liefdesavontuur tussen onze eerste Boudewijn en Judith, de dochter van de Franse koning Karel de Kale, heb ik al een keer verteld in mijn kronieken van de Westhoek en helemaal onverwacht kom ik er nu op terug. De algemene stelling dat Boudewijn met de Ijzeren Arm baas geworden is over Vlaanderen nadat de koning zijn relatie met Judith goedkeurde, wordt door Noterdaeme fel aangevochten. Ik vertel nog even de historie in het kort: op kerstdag 861 ontvoert Boudewijn zijn Judith en hij komt zo in een openlijk conflict met haar vader.
Door toedoen van de paus komt het in 862 tot een verzoening en als schoonzoon van koning Karel de Kale krijgt hij Vlaanderen als bestuursgebied toegewezen. Professor Jan Dhondt komt met harde bewijzen dat Boudewijn I al voor die schaking al een ‘vassus dominicus’ is van Karel de Kale en in die hoedanigheid deel uitmaakt van de Frankische aristocratie. Zo is hij goed bevriend met Lodewijk de Stotteraar, de broer van Judith, en blijkt hij dus min of meer kind aan huis bij het Franse hof van die tijd.
Vandaar dat hij vermoedelijk ook in contact is kunnen komen met zijn geliefde. Boudewijn was dus ongetwijfeld al graaf voor het jaar 862. Over welk gebied hij precies regeert, kom ik voorlopig al iets te weten. Vermoedelijk over de gouw Mempiscus, de streek rond Torhout en Beernem met Brugge als meest noordelijke punt.
En ook over de gouwen van Vlaanderen en Aardenburg en de regio van Waas. Dat laatste weten we omdat Boudewijn tijdens zijn vlucht met Judith op een bepaald moment soelaas gaat zoeken bij de Noorman Rorik die als graaf van het kust- en Scheldegebied zijn dichtste buur is. Die Rorik vormt zowat de grootste bedreiging voor het rijk van de Franse koning. De alliantie van Boudewijn met de Noorman komt ongemeen hard aan voor zijn vertoornde toekomstige schoonvader.
De overgebleven brieven van de paus, de koning en Hincmar, de betrokken aartsbisschop, spreken boekdelen over hun schrik van de gigantische dreiging die van deze unie uitgaat. Ondertussen al in de ban van de kerk geslagen, dreigt Boudewijn er zelfs bij paus Niklaas I mee om dat duivels bondgenootschap met de Noormannen te sluiten. De boodschap van Boudewijn wordt door de paus bijzonder ernstig genomen.
Dat lezen we in volgend citaat uit zijn brief aan Karel de Kale: ‘Verum etiam metuentes, ne propter iram et indignationem vestram, ipse Balduinus se impiis Nortmannis et inimicis ecclesiae sanctae coniugat.’
Noterdaeme besluit in 1953 terecht dat Boudewijn al voor 862 een man moet geweest zijn met de nodige macht en gezag over enkele graafschappen die in de buurt lagen van Roriks gebied. De kerkelijke druk die bisschop Hincmar uitoefent, concentreert zich vanuit de bisdommen ten zuiden van het gebied van Boudewijn.
Zijn gebieden, de kleine gouw van Waas samen met de gouwen van Vlaanderen en Aardenburg, komen zo geprangd te zitten tussen de Fransen en de Noormannen. Om het met de woorden van Loys te zeggen, behelzen deze gebieden het Forest Wasda met de regio van Brugge, Aardenburg en Oostburg. Precies die plaatsen waar de forestiers zich de voorbije eeuwen hebben gemanifesteerd. Na de verzoening met zijn schoonvader zal onze graaf wel volledig in eer hersteld worden en zullen daar in 862 nog wel gebieden bijgeschonken zijn, maar dit doet hier in deze context niet ter zake.
Ik kom grappig genoeg opnieuw terecht bij de overbrenging van de relikwieën van onze Sint-Donaas. Volgens de ‘Historia ecclesiae Remensis’ (de kerkelijke geschiedenis van Reims) van een zekere Flodoard, kom ik te weten dat dit gebeurt in het jaar 950. En dus niet in 963 zoals Loys beweert. Boudewijn moet dan al graaf zijn van Vlaanderen. Ik schuif even vooruit in de tijd. Tweehonderd jaar later is zijn opvolger Boudewijn V samen met het kapittel van Sint-Donaas nieuwsgierig om wat meer te weten te komen over hun Donaas en waarom zijn resten eigenlijk naar Brugge overgebracht werden.
Onderzoek in het jaar 1067 brengt niet de minste opheldering. Veel nieuws over andere heiligen, maar geen woord over Donaas. Kanunnik Riquardus van het kapittel wordt er moedeloos van. In Reims is er niets te vinden over hun sint en zijn mirakels. Zelfs rond de overbrenging van de relikwieën naar de kuststreek is er niets terug te vinden.
Het lijkt wel alsof hij van de aardbodem verdwenen is. Of heeft iemand er belang bij gehad om alle sporen van het aards bestaan van Sint-Donaas te laten verdwijnen? ‘Wie?’ vraagt Noterdaeme zich af. Ik vermoed al wie er belang bij heeft gehad. De overlevering in Brugge blijft de kanunniken van het Brugse Sint-Donaas intrigeren. Iedereen, zelfs de grote dichter Jacob van Maerlant, komt met het verhaal dat Boudewijn I de relikwieën van Sint-Donaas uit de handen van de aartsbisschop van Reims heeft ontvangen en ze uiteindelijk te Brugge in de O.L.Vrouwkerk op de Burg heeft neergelegd.
De Brugse overlevering weet nog meer te vertellen: de relikwieën zijn voor hun aankomst in Brugge nog eerst binnengebracht in de kloosterkerk te Torhout. De belangrijke brief van Ebbo, die Boudewijn situeert in 840, blijkt achteraf een vervalsing te zijn van de hand van kanunnik Riquardus. In zijn zoektocht naar Donaas is hij in Flodoards Historie op een tekst gestoten die hij overschrijft en verkeerd interpreteert. Ebbo heeft enkel de relikwieën van Viventus, de voorganger van Donaas, weggeschonken en over de Maas gebracht.
Ebbo zelf heeft niets te maken met de overbrenging van Donaas naar Vlaanderen. Hincmar is het, de aartsbisschop van Reims. Hij schenkt de overblijfselen aan Boudewijn I die al voor 860 graaf is van de kuststreek van Vlaanderen-Aardenburg-Waas en van de pagus Mempiscus. Hij is dan al in het bezit van het kloosterdomein van Torhout.
De overlevering van Boudewijn, ‘die brochte Sente Donase van Riemen’, blijkt dus te kloppen. Hij brengt de relieken naar zijn graafschap. In afwachting van de bouw van de kerk in Brugge, worden de resten van Sint-Donaas toevertrouwd aan de kloosterkerk van Torhout.
De gift van Hincmar aan Boudewijn toont de hechte band aan die er tussen beiden bestaat en die prompt eindigt met de ontvoering van de koningsdochter en met de banvloek die de aartsbisschop over het hoofd van zijn gewezen vriend laat neerdalen. Het zal tussen hen nooit meer goed komen. De studie van pastoor Noterdaeme bewijst uiteindelijk het gelijk van mijn Désiré Loys: de schenking van de relieken is gebeurd in de tijd dat Hincmar en Boudewijn nog goede maatjes waren en dus automatisch en met zekerheid voor de jaren 862.
Dat elk spoor van Donaas in Reims vanaf dat moment uitgewist wordt, heeft natuurlijk alles te zien met de vendetta van Hincmar tegen zijn gewezen boezemvriend. Maar wat heeft dat nu allemaal te zien met onze forestiers? Waarom blijkt de zevende graaf van Vlaanderen plots de 11de te zijn? Loys keert terug in de tijd. In het jaar 621 krijgt Liederik de Buck, of Liederik I van Vlaanderen, het gebied Vlaanderen van de Franse koning Clotarius II als erfdeel toegewezen. Liederik zal zevenenvijftig jaar over Vlaanderen regeren en laat het graafschap over aan zijn zoon Antonius (Antoine) die op zijn beurt zestien jaar aan het roer blijft tot hij door toedoen van buitenlandse krijgslieden uit zijn staten wordt verdreven.
De buitenlandse agressie blijkt afkomstig van de Friezen onder leiding van Radbod en zijn opvolger Poppon en dus niet van de Noormannen waarmee de kroniekschrijvers onterecht uitpakken. Antonius’ opvolger Bouchard, zijn broer of zijn zoon, ziet niet alleen dat zijn land ten prooi gevallen is aan de Barbaren, maar tot overmaat van ramp berooft de Franse koning Childebert II hem ook nog van grote stukken territorium.
Zijn erfdeel is foetsie. Bouchard en later zijn zoon Estorede kunnen onmogelijk de naam van forestier of graaf dragen, want ze hebben officieel geen grondgebied meer. Het hele territorium krijgt trouwens in de 8ste eeuw ononderbroken te maken met de willekeur en de terreur van de Barbaren. Uiteindelijk is het Karel de Grote (742-814) die het land verlost van de stropersbenden.
Charlemagne beloont Liederyk, een afstammeling van Liederik I, voor zijn dapper gedrag en herstelt het erfdeel van zijn voorouders. In 792 komt Liederyk als derde forestier of graaf in het bezit van Vlaanderen. Hij zal zijn graafschap veertig jaar besturen en laat zijn staten in 833 over aan zijn zoon Engelram die de titel van ‘graaf van Harelbeke’ met zich meedraagt. Engelram blijft twintig jaar regeren over Vlaanderen en geeft dan de scepter door aan zijn zoon Odoacre of Auderack die volgens geschiedschrijver Vredius niemand minder is dan onze eigenste Boudewijn I.
Odoacre of Auderack zijn slechts bijnamen. Audacer en Baldus zijn trouwens synoniemen om iemand als vermetel of dapper aan te duiden. Schrijver Loys volgt die redenering helemaal. In 853 moet het gewoonweg Boudewijn I geweest zijn die geïnstalleerd wordt als vijfde graaf van Vlaanderen. Het ontbrekend lijstje is nu compleet, ik herhaal nog even de volgorde van onze eerste vijf graven: Liederik, Antonius, Liederyk, Engelram en Boudewijn.
Kroniekschrijver Olivier de Wree geeft nog meer details prijs in zijn geschriften: Boudewijn met de Ijzeren Arm neemt al de fakkel over tijdens het leven van zijn vader Engelram die zich door zijn hoge ouderdom verplicht ziet om zich terug te trekken in zijn kasteel van Harelbeke. Er circuleert trouwens een brief van Hincmar aan Boudewijn waarbij die onze gravenzoon aanspreekt als ‘Gloriosus Marchius’, wat neerkomt op zoiets als ‘Geachte Markies’.
Boudewijn kan de titel van graaf immers niet dragen zoals zijn vader leeft. Er bestaat trouwens nog een ander bewijsstuk dat Boudewijn met de Ijzeren Arm nooit de eerste graaf van Vlaanderen kan geweest zijn. In de capitularia van Karel de Kale van 844 worden de gebieden van Vermandois, Noyon, Artois, Kortrijk en Vlaanderen officieel de ‘graafschappen’ van Engelram genoemd. Engelram is dus officieel al graaf voor dat Boudewijn er aanspraak kan op maken. Boudewijn I is dus inderdaad onze vijfde forestier of graaf die officieel erkend wordt als heerser over Vlaanderen.
Het grafschrift van Boudewijn van Rijsel, zijn 6de opvolger, draagt dan ook terecht de titel van elfde graaf van Vlaanderen. Ik raak ondertussen verstrikt in het werk van kanunnik de Bast. Zeg maar gebiologeerd. De man verdient een dikke pluim voor zijn gedegen research. Ik krijg nog maar een keer een les voorgeschoteld dat we nog zo veel onbekende geschiedenisfeiten over het hoofd zien. Als het stof kwalijk neerdwarrelt op die antieke geschriften, bestaat het risico dat cruciale waarheden over het hoofd worden gezien.
Boudewijn is zo de geschiedenis van Vlaanderen ingegaan als Boudewijn met de Ijzeren Arm. Eigenlijk is dat toch een vreemde bijnaam die zomaar geslikt wordt door de crème van onze historici.
Een anonieme biograaf die het leven omschrijft van de heilige Winox in zijn ‘Vita S. Winnoci’, schrijft kort na de dood van graaf Boudewijn een aantal zaken die aanleiding geven tot zijn bizarre bijnaam die hij voor de rest van de tijden met zich zal meeslepen. Het staat natuurlijk allemaal neergeschreven in het Latijn. De woorden ‘Baldewinus’ en ‘Ferreus’ in de ‘Monarchiam Flandriarum’ zijn de meest opvallende.
Maarten de Bast schiet me te hulp. Tijdens de bestuursperiode van Karel de Kale, de Franse koning, staat zijn schoonzoon Boudewijn aan het hoofd van de monarchie van Vlaanderen. Boudewijn straalt kracht en waarden uit. Vlaanderen heeft nooit voordien dergelijke kapitein gekend. Dank zij zijn ontembare wilskracht en moed, verdient hij zeer zeker zijn bijnaam van ‘Ijzeren Arm’. De ‘Ferreüs’-man.
Overal waar hij met zijn troepen neerstrijkt, triomfeert hij over de vijand. Vooral de kuststreek is het toneel van oorlog, wraak en blind bloedvergieten. De nietsnutten van Denemarken richten op onze stranden gruwelijke slachtingen aan. Maar Boudewijn laat zich niet kennen. Het is hier, op deze plaatsen, dat graaf Boudewijn zijn reputatie als man van staal opbouwt en de Noormannen bloedig van antwoord dient. Zijn onoverwinnelijk imago lijkt coherent met zijn bijnaam. Maar heeft er niets mee te maken. De analisten zoeken in de naam van ‘Bras-de-Fer’ of ‘Ferreüs’ een rechtstreekse verklaring voor zijn heldhaftig karakter. Een typisch fenomeen toch die analisten.
Als ik de dag van vandaag de krant openvouw of me laat verleiden tot een nieuwsjournaal, dan word ik om het hoofd geslagen door tientallen van die betweters die elk dan nog op zich hun eigen visie hebben. En hun eigen waarheid. Vroeger bestonden die lieden dus ook al. Hun voorbarige conclusie gaat spijtig genoeg een eigen leven leiden en amputeert tezelfdertijd een stuk Westhoekverleden uit de geschiedenis van Vlaanderen!
Ik kom dat pas veel later te weten. De Nieuwpoortse burgemeester de Brauwere redt een klein handschriftje van de brandstapel. Wie het geschreven heeft, is niet bekend, wel dat het gedrukt zal worden te Gent in het jaar 1790. De anonieme schrijver is heel zeker en overtuigd van wat hij schrijft. Boudewijn is geboren in Nieuwpoort, in zijn kasteel aan de Ijzer, in Sandeshoved. De naam van die rivier wordt lompweg beschouwd als staal (ijzer dus) en daardoor per abuis vertaald in ‘ferreus’. Vandaar dus de naam van Boudewijn met de Ijzeren Arm.
De man zal het zelf nooit beseft hebben met wat voor idiote bijnaam hij later de geschiedenisboeken zal vullen. Eigenlijk zou de graaf dus Boudewijn van den Ijzer moeten hebben genoemd. In het Latijn: ‘Baldewinus ab Iseram’. De man, afkomstig van de pagus Iseretius zal tijdens zijn leven de pagus Mempiscus en de pagus Flandrensis tot één Vlaams gebied integreren. De initiatieven voor de unie van Vlaanderen zijn dus vanuit de Westhoek gekomen.
–
Uit deel 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


