Gent is aanvankelijk het territorium van twee abdijen. Die van Sint-Pieter (Blandinium) en die van Sint-Bavo (Ganda), maar die blijken niet echt een bepalende rol te spelen bij de geboorte van de stad zelf. Gentse archeologen en historici zijn er in geslaagd om doorheen de geschiedenis drie opeenvolgende stadskernen te identificeren. Eerst die op de linkeroever van de plek waar de Leie en de Schelde in elkaar vloeien. Een stadskern die gebouwd is op de resten van de Gallo-Romeinse bouwsels.
Hier komt Sint-Amand preken en bouwt hij in 630 een kerkje dat al gauw de abdij van Sint-Bavo wordt. We bevinden ons in Ganda, de hoofdstad van de pagus Gandensis met een haven die in de 9de eeuw de Frankische vloot herbergt. De zwanenzang van Ganda komt er echter al in 851 en in 879 wanneer de Noormannen er hun kamp opslaan en uiteindelijk de hele boel in brand steken. Kort daarna is er al sprake van een nieuwe bevolkingskern. Gandavum ligt ietwat stroomafwaarts van het vroegere Ganda. Een buurt van zeven hectare rond de Sint-Janskerk, nu Sint-Bavo, die beschermd wordt door een C-vormige aarden wal.
In die tijd blijven de Noormannen woekeren en bouwt de lokale burggraaf, op een terrein van 5,5 hectare, langs de Leie en ten noorden van Gandavum, noodgedwongen een beschermende burcht. Zijn ‘vetus castellum’. De burcht is de voorloper van het beruchte kasteel van de graven van Vlaanderen, het Gravensteen. Op deze plek komen de haven en de stad van Gent stilaan tot ontbolstering. Aan de poorten van het Gravensteen vertrekken de aders van de ‘oppidum’, en komen de Korenmarkt en de Vismarkt tot leven.
De oorsprong en de oudste geschiedenis van de stad Brugge is al uitvoerig bestudeerd. ‘De uitkomst van die studies is ontgoochelend’, beweert Derville in zijn boek; ‘de geleerden spreken elkaar de hele tijd tegen. Het komt er op neer dat ze niet weten hoe en wanneer deze stad is ontstaan!’ Straffe woorden zijn het. De topografie geeft aan waar Brugge ontstaat. Op een zandheuvel, die met zijn hoogte van een meter of tien in het zuiden uitkijkt op het ondiepe water van de Reien en aan de noordkant zes meter uitsteekt boven de kustvlakte van de Noordzee.
Al de Brugse kanalen zijn dus uiteraard kunstmatig en laattijdig aangelegd. De zee heeft niets te maken met de geboorte van Brugge op zich maar veeleer met het ontstaan van een wegverbinding die dan op zijn beurt wel onrechtstreeks er voor zal zorgen dat de stad tot stand zal komen. Brugge ontstaat vanuit een ‘castrum’ op de weg tussen Oudenburg en Aardenburg. De toponymie is het helemaal niet eens met de topografie!
De naam van de stad is Bryggya is op en top een Noorse naam die ‘landing’ betekent. Zoals in de ‘landing van Normandië’. Is Brugge dan toch geboren aan de zee? Zo ja, wanneer? Vandaag ligt Brugge zowat twaalf kilometer van de kust verwijderd. De opeenvolgende transgressies van de Noordzee hebben die vlakte met wisselend succes onder water gezet en hebben hier en daar bevaarbare zeegeulen doen ontstaan die tot aan de stad reiken.
Bij het begin van onze nieuwe tijdsrekening, tijdens de eerste Duinkerke-transgressie, is het Noordzeewater doorgedrongen tot aan Fort Lapin zowat 2 km ten noorden van de burcht. Hier in Fort Lapin wordt nogal wat luxueus aardewerk ontdekt. De vondsten geven aan dat het hier commercieel erg actief moet aan zijn toegegaan. Een Gallo-Romeinse nederzetting schrijft Wikipedia. Deze vicus wordt rond het jaar 300 verwoest door de Barbaren en komt rond diezelfde periode trouwens nog eens onder water tijdens de tweede Duinkerkse transgressie. Of er toen een bevaarbaar kanaal was dat het huidige Brugge bereikte, is niet bekend. Er is in elk geval geen spoor van enige maritieme activiteit. Het water trekt zich in de loop van de tijd opnieuw terug.
Het is pas met de derde transgressie rond het jaar 1000 dat Brugge dichter komt te liggen bij de Noordzee. We weten dat Emma van Normandië, de koningin van Engeland en Noorwegen, in 1037 een tijd komt verblijven in Brugge en dat ze voet aan wal zet niet ver van de burcht. ‘Haud longe a castello’ verraden de archieven. Er moet dus in die tijd een haven bestaan in Brugge. Er is trouwens nogal wat energie gestopt in het terugvinden van sporen uit die maritieme wijk rond de oude kerk van Sint-Walburga ten noorden van het kasteel. Maar er zijn geen harde bewijzen gevonden.
De hypothese van een havenactiviteit blijft onbewezen. Het middeleeuwse Brugge heeft zich in elk geval niet uitgebreid naar de noordelijke kant van burcht, maar wel naar het zuidwesten, langs de weg die vertrekt van de markt. Precies zoals alle steden die tot stand kwamen in de groeiperiode van de Vlaamse landbouw. ‘Is Brugge ooit een graanmarkt geweest?’ De archeologen leveren geen afdoend antwoord op deze vraag.
Ze slagen er in om een klein ‘castrum’ uit de jaren 800-850 te identificeren. Mogelijk een plek die vanaf 854 als schuilplaats diende ten tijde van de Noorse invallen. De grote middeleeuwse burg, zijn compagnon de Sint-Donaaskerk, en ongetwijfeld ook zijn kanalen en zijn molen, dateren uit de regeerperiode van graaf Arnold I (918-965). Voor de rest is er niets. Romeinse overblijfselen zijn er zeldzaam. Onder de Burg zelfs onbestaande. We moeten absoluut niet denken dat Brugge ooit deel heeft uitgemaakt van de verdedigingsgordel die Rome in de 4de eeuw liet bouwen aan de ‘litus saxonicum’ om het land te beschermen tegen de Saksische invallen.
Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek


