Om Poperinghem efficiënt te besturen, vaardigt de abdij van Sint-Bertijns een ‘prepositius’ af. Een proost. In een geschrift van 1107 leren we over een akkoord tussen abt Lambertus en zijn naamgenoot Lambertus van Reningelst waarbij de proost betiteld wordt als ‘prepositius’ of als ‘monachus procurationem ville habens’. De proost is een monnik die belast wordt met de goede gang van zaken in Poperinghem. In 1188 ontvangt de ‘prepositius domus’ te Poperinghem de abt van de Sint-Andreasabdij van Brugge. Franse oorkonden hebben het over ‘le prevos de Poperinghes’.
In een oorkonde van 1237 komt de titel ‘monachus’ naar boven. De prepositius vertegenwoordigt de abt van Sint-Bertijns voor wat betreft het beheer van het hele domein. Naast de geestelijke en rechterlijke macht, dient hij de ‘ministerialis’ te controleren, een hoge ambtenaar die zich bezig houdt met het heffen van de tienden en met het organisatorisch bestuur van de mark.
De proost is sowieso de hoogste functionaris van Poperinghem. Hij komt voor de baljuw en de magistraat van de stad. Op een charter van juli 1241 kunnen we dat ook vaststellen: in deze akte wordt vastgesteld dat, indien er mensen zijn die willen gaan wonen in de nabijgelegen heerlijkheid van het Zwijnland, ze op vrijdag of op zondag dat vertrek moeten bekend maken aan de proost, de baljuw en de hele wet van Poperinghem.
De voorloper van de baljuw heet aanvankelijk de ‘ministerialis’. In 1107 lezen we dat de ministerialis geen goederen mag wegnemen zonder uitspraak van de schepenbank en de finale toestemming van de proost. In dat jaar is er sprake van dat Odo van Reninghelst die ministerialis is van Poperinghem. Hij is met zekerheid de tweede in rang. Maar toch mag hij zich niet bemoeien met de privézaken van de inwoners zonder dat de proost hier uitdrukkelijk heeft om gevraagd. De ‘numero uno’ is de proost: hij heeft de zeggenschap over zowat alles in zijn Poperinghem. Hij beslist over het vrijkopen van een arme ridder van de militaire dienst. Hij is verantwoordelijk voor het ophalen van de tienden bij de bevolking.
De proost verricht die taken niet zelf, maar delegeert die aan zijn rechterhand, de ministerialis, de heer van Reninghelst. Als er taken zijn voor de ministerialis dan wordt die opgeroepen naar de curia met drie of meer paarden. Als er meer paarden worden gevraagd dient er ook voldoende haver te worden voorzien. Bij het ophalen van de tienden zorgt de ministerialis er voor dat die bijeengebracht worden in de schuur van het vroonhof. Omdat er door de jaren heen meer en meer akkerland in gebruik genomen wordt, zal de schuur van het vroonhof te klein worden om al dat koren op te bergen en verhuist al het graan naar de ‘corenhuuse’.
Overal waar er inkomsten te rapen vallen, maakt de proost gebruik van zijn rechterhand. Wanneer er opbrengsten zijn uit economische bedrijvigheid, dan is de proost van de partij om er zijn deel van op te eisen. Ook bij de vestiging en de oprichting van nieuwe bedrijven kan niemand iets beginnen zonder voorafgaande toestemming van de proost. Het al dan niet bouwen van molens, bewogen door paarden of handmolens op zijn grondgebied, kan niet zonder toestemming van de proost die zowat de supervisie heeft over alles wat zich voordoet in zijn domein.
Meestal beslist hij persoonlijk, in bepaalde delicate kwesties laat hij de beslissingskracht over aan zijn grote baas, de abt van Sint-Bertijns. De proost woont in de gebouwen van de proosdij, het vroonhof te Poperinghem. In de beginjaren woont hij er alleen, maar met het verstrijken van de jaren krijgt hij het gezelschap van twee medebroeders. Zijn woonhuis ligt achteraan de Sint-Bertinuskerk tussen de Bertenplaats en het Rekhof aan de Vleterbeek. Het vroonhof zal tot in 17de eeuw de verblijfplaats blijven van de proost. Hoe zit het eigenlijk met de opeenvolgende proosten die Poperinghem besturen? Zijn er namen bekend?
Tot in 1200 blijven het nobele onbekenden die nooit met hun naam in de geschriften worden genoteerd. In 1210 ondertekent Simon, als proost van Poperinghem, een akte van bisschop Jan II van Terwaan. Is die Simon diezelfde Symone de Poperinghem uit een oorkonde van 1186? In 1226 wordt Jacques als getuige aangehaald in een oorkonde betreffende een tiendenbetwisting te Neerwaasten. Tussen 1231 en 1237 verschijnt de naam van proost Willem in de geschiedenisboeken. Willem wordt opgevolgd door Bartholomeus Wasselin die Poperinge bestuurt tussen 1244 en 1268. Tussen 1269 en 1281 zwaait Jan de Wilde de plak. Hij wordt opgevolgd door Hendrik de Coudeschure die aanblijft tot in 1311. In de 14de eeuw zien we de namen verschijnen van Boudewijn van Gent, Pieter Dane en Joannes de Hegre.
We hebben het al gehad over de rechterhand van de proost. De ministerialis. Er mag niet aan getwijfeld worden dat de abdij van Sint-Bertijns al vanaf de 10de eeuw een ministerialis in dienst heeft die de praktische zaken van de villa Poperinghem voor zijn rekening neemt. Pas vanaf 1107 is er voor het eerst sprake van die belangrijke ambtenaar.
Hier komen ‘Les Seigneurs de Reninghelst’ voor het eerst op de proppen. De abten van Sint-Bertijns willen hun domein te Poperinghem efficiënt uitbaten en vertrouwen het ministerium toe aan de heren van Reninghelst. Reninghelst behoort net als Poperinghem tot het gebied van Sint-Bertijns en de kasselrij van Veurne. Tussen 1100 en 1300 ontwikkelt zich een vreemde relatie tussen de respectieve abten van Sint-Bertijns en de opeenvolgende heren van Reninghelst.
Les Seigneurs de Reninghelst in Poperinge
Voor 1107: Odo de Reninghelst
1107: Lambertus de Reninghelst (de zoon van Odo)
1147: Radulphus de Reninghelst (Rudolf) (de zoon van Lambertus)
1208: Lambertus Vulpes (kleinzoon Lambertus)
1226: Daniël & Beatrijs de Reninghelst met hun zoon Lambertus
1285: Gherart & Jehanne de Reninghelst met hun dochter Beatrijs en schoonzoon Boudewijn van Brabant
1315: Maroi Lobbe van Reninghelst
Poperinghem ontwikkelt zich tot een welvarende handelskern met een groeiende bevolking. De lokale macht van de heren van Reninghelst volgt die tendens. Het zijn zij die de tienden ophalen voor de proost en al snel ontstaan er mistoestanden. Wanneer ministerialis Odo van Reninghelst in 1107 overlijdt, komen zijn misbruiken aan het licht. De abt verwijt zijn zoon Lambertus dat Poperinghem tot aan de komst van Odo altijd in vrede heeft geleefd, maar dat zijn vader tijdens zijn leven de boel heeft belazerd en bedrogen.
Lambertus wil de rechten van het ministerschap van zijn overleden vader overnemen en gaat op bezoek bij de abt. Hij vraagt eveneens om een verlenging van het voogdijschap over specifieke lenen die zijn vader verkregen had te Poperinghem. Na lang beraad beslist de abt om Lambertus verder te laten gebruik maken van zijn lenen maar hij weigert aanvankelijk om hem het ministerschap van Poperinghem te geven. De kat komt op de koord: zijn vader heeft zich schuldig gemaakt aan gewelddadige geldafpersing van de ingezetenen van het domein.
Als ophaler van de tienden had hij recht op tien percent van de opbrengst maar blijkbaar was dit niet genoeg want hij eigende zich ongestoord de andere negentig percent van de tienden toe. Met andere woorden: diefstal ten koste van zijn soeverein. De abt kan er niet om lachen. Bovendien heeft zijn vader Odo geweigerd om de belastingen te betalen die hij verschuldigd is voor zijn eigen gronden in Poperinghem. Wat de hele zaak nog erger maakt, is dat hij de opbrengsten voor het vrijkopen van de legerdienst door de lokale ridders, in eigen zakken heeft gestopt.
De waslijst van overtredingen oogt indrukwekkend. Lambertus blijft aandringen om toch ministerialis te mogen worden en uiteindelijk geeft de abt toe. Hij schenkt in aanwezigheid van zijn medebroeders en ridders het beheer over Poperinghem aan de nieuwe heer van Reninghelst. De abt houdt een stok achter de deur: het ministerschap kan hem te allen tijde afgenomen worden als er geen einde komt aan de geldafpersingen en als er nog sprake zal zijn van het onrechtmatig toe-eigenen van tienden.
De rechten en plichten van de minister worden in 1107 nauwkeurig vastgelegd. Hoewel het ministerschap geen erfelijk karakter heeft, blijven de machtige heren van Reninghelst toch gedurende bijna twee eeuwen hun functie waarnemen in functie van de abdij van Sint-Bertijns. Verdere misbruiken leiden er toe dat de functie van ministerialis echter zal evolueren tot deze van ‘justiciarius’, een ambtenaar of baljuw met gelijkaardige bevoegdheid maar met nieuw strikt vastgelegde verplichtingen. De abt van Sint-Bertijns heeft het niet altijd onder de markt om zijn baljuw in toom te houden.
Soms zijn de malafide praktijken van ‘homo meus’ Rudolf van Reninghelst zo gortig dat de hulp van de graven van Vlaanderen moet worden ingeroepen. Diederik van den Elzas moet tussenkomen in 1151 en Filips van den Elzas doet dat in 1179. Telkens worden de afspraken van 1107 geschonden en bezondigen de heren zich aan het onrechtmatig ontvreemden van tienden. In de akten van 1190 en 1192 is er voor de eerste keer sprake van die baljuw en zijn bevoegdheden. Rudolf, de heer van Reninghelst, treedt op als aanvoerder van de manschappen van Poperinghem.
Graaf Filips van den Elzas geeft Rudolf de rechten om personen vrijstelling te verlenen van de legerdienst mits toelating van de abt of zijn proost. Rudolf kan als bevelhebber van het leger de krijgsoperaties van de mannen van Sint-Bertijns uit Poperinghem aanvoeren zolang hij zich verbindt geen boetes of geld toe te eigenen die te maken hebben met het afkopen van vrijstellingen. Als de heer van Reninghelst de abt ter hulp schiet met zijn krijgsvolk, dient de abt de justiciarius en zijn mannen te herbergen.
De baljuw blijft natuurlijk verantwoordelijk voor het innen van de belastingen en de gerechtelijke boeten. Het feitelijk beheer over een stad als Poperinghem is uiteraard een complexe aangelegenheid. De minister, baljuw of justiciarius heeft hierbij de hulp van een helper die ‘amman’ (een ambtman) wordt genoemd. In 1151 is een zekere Rogerus de amman van de stad.
In 1192 sluiten Jan, de abt van Sint-Bertijns, en Rudolf van Reninghelst een compromis betreffende het innen van de belastingen in Poperinghem. Bij het inzamelen van de brouwgerst krijgt Rudolf de toelating om twee kleine maten gerst voor zich te houden als tegenprestatie voor zijn werk. Voor het ophalen van het stro krijgt hij twintig solidi. Rudolf functioneert eveneens als politiehoofd. In ruil voor het handhaven van de orde in Poperinghem zal de heer van Reninghelst op het jaarlijks kermisfeest twaalf kippen krijgen.
In het begin van de jaren 1200 geraken de heren van Reninghelst in financiële moeilijkheden. Niemand weet waarom. Misschien omdat er een einde is gekomen aan het geknoei met de tienden? In 1226 ziet justiciarius Daniël van Reningelst zich verplicht om een lening van vijfhonderd Vlaamse ponden te vragen aan de abt. De vraag van zijn baljuw betekent zondermeer een buitenkans voor de grote baas van Sint-Bertijns en Poperinghem. Eindelijk heeft hij de heren van Reninghelst in de tang. In ruil voor de verstrekte lening zal Daniël zijn werk in Poperinghem zonder enige vorm van vergoeding moeten uitvoeren.
Gedaan met de kippen, de brouwgerst en de dinars die hij krijgt voor het innen van de boetes. Nee nee: vanaf nu zullen de heren van Reninghelst uit de hand van de abt eten. Het einde van het baljuwschap over Poperinghem door de ‘Seigneurs de Reninghelst’ komt stilaan in zicht. Hun geldnood blijkt chronisch. In 1285 is Beatrijs van Reninghelst de nieuwe baljuw van Poperinghem. Ze zit met haar gat vol schulden. Die geldmoeilijkheden dwingen haar om opnieuw te onderhandelen met de abt van Sint-Bertijns. Ze staat het baljuwschap over Poperinghem met alle inkomsten die er aan vast hangen af voor een periode van tien jaar.
Bovendien schenkt ze het goed dat vrouw Jehanna in gebruik had gekregen van Gherart van Reninghelst met daarbovenop nog een deel van het huis waar de gevangenissen van de stad zijn ondergebracht. Alles in ruil voor een som van vijfhonderd Parijse ponden. In 1315 is er nog sprake van scheidsrechters die zullen beslissen over het baljuwschap van de heren van Reninghelst. De zwanenzang van de berooide adellijke ‘hoirs de Reninghelst’ is aangebroken. De naam van Maroie Lobbe van Reninghelst is de laatste Reninghelstse naam van baljuw die nog wordt genoteerd in het geschiedenisboek van Poperinghem.
Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek


