banner
aug 3, 2021
685 Views

De profetie

Written by
banner

Aanvankelijk zijn er nog eerst die verschrikkelijke voortekenen. De 15de augustus van 1124, rond het negende uur van de dag, etaleert zich een schaduw voor de zon. De inwoners kijken verbijsterd naar de hemel. Eerst beperkt de schaduw zich nog tot de rechterkant van de zon en lijkt het land veranderd in een spookachtig theater. Maar gaandeweg overvalt een bevreemdende en angstaanjagende duisternis het hele landschap en wordt het hele oppervlak van de zon bedekt door deze schimmige schaduw.’

‘Het is een onheilspellende voorbode van ongeluk’ orakelen onheilsboden. Ze houden de vrede in de gaten en ze beseffen maar al te goed dat het er niet altijd zo rechtzinnig aan toe gaat hier in dit Vlaanderen. Het mirakel dat zich voor ieders ogen afspeelt, is wel een teken aan de wand voor iedereen. Meesters en dienaars zijn gelijk voor de wetten van God. De voorspellers verwijzen naar psalm 104: ‘Hij riep een hongersnood over het land af en vernietigde elke voorraad brood.’

Korte tijd later vervult de profetie zich. Niemand kan zich nog op een normale manier in zijn of haar levensonderhoud voorzien. Voedsel en drank worden gehamsterd. In plaats van normaal te eten en te drinken, eten de mensen in één keer het brood dat ze normaal kunnen verorberen tijdens meerdere dagen. Als de hongersnood werkelijk zal uitbreken, dan kunnen ze er alvast aan beginnen met gevulde magen.

Galbert schetst een apocalyptisch beeld van zijn tijd. De menselijke gulzigheid en de excessen met de vruchten van de natuur zorgen er voor dat er mensen zijn die ziek zijn van indigestie terwijl er anderen zijn die verteerd worden door honger en dorst.

In deze tijd van hongersnood en dan nog in vastentijd, leven er mannen in dit land die zich enkel maar voeden met vlees. Ze leven in de buurt van Gent en dicht bij de Leie en de Schelde. Van brood op de plank is er al geen sprake meer. Hier en daar wagen enkelen zich op weg naar de steden of de kastelen. Op zoek naar brood. Soms vallen ze dood neer in het midden van de wegen, omgekomen van de honger. Zo erg is het dus al gesteld met Vlaanderen. Er wordt gesmeekt om aalmoezen. Je moet eens de lichaamskleur bekijken van de arme stakkers. Niemand zie je hier nog met een normale huidstint. Op de gezichten staan kleuren die je het best kan vergelijken met het grauw van de dood. En wie al gezond blijft, krijgt het psychisch hard te verduren met het verwerken van de ongenadige ellende van de stervenden.

De hongersnood treft geenszins de goddelozen die op dat moment al bezig zijn met hun plannen om hun graaf om het leven te brengen. De illustere Karel de Goede heeft zijn bijnaam niet zomaar gestolen. Hij probeert om zo goed en zo kwaad mogelijk de arme mensen bij te staan. Hij en zijn bedienden zorgen voor aalmoezen, genereuze giften die ze uitdelen in hun kastelen en op de plekken die hen toebehoren. Tussen de vasten en de periode van de nieuwe regens krijgen 100 arme Brugse sukkelaars dagelijks een extra groot brood toegestopt. En ook in andere kastelen wordt er voedsel uitgedeeld.

In datzelfde jaar van onheil beveelt de graaf dat iedereen die twee gemeten grond bezaait er één extra moet voorzien van erwten en bonen want die groeien snel en zo kunnen deze groentes op redelijk korte termijn de grootste noden lenigen. Ten minste als deze ingrijpende hongersnood blijft aanhouden voor de rest van het jaar.

In Gent zijn er mensen die hongerigen voor hun woningen moedwillig aan hun lot hebben overgelaten. In plaats van hen voedsel te schenken, hebben ze de sukkelaars laten sterven op de stoepen van hun huizen. Ze krijgen een smadelijke uitbrander van graaf Karel die trouwens ook het brouwen van bier verbiedt. De gerst kan beter gebruikt worden. Ook van haver, paardenvoer notabene, moet er brood gebakken worden. De armen moeten proberen in leven te blijven met een mengeling van haver en water.

Elke dag opnieuw laat de graaf brood wegdragen van zijn eigen tafel. Voldoende om meer dan honderd armen te voeden, lees ik. Ik heb zin om hierbij wat commentaar te geven. Maar is het nu al nodig om het imago van deze godvruchtige graaf beschadigen? Ik laat het zo en ga verder met het verhaal van notaris Galbert. Sinds de vastentijd houdt onze graaf zich ook bezig met de distributie van kleding voor de armen. Elke dag krijgt één sukkelaar een stel nieuwe kleren toegestopt van Karel. Een hemd, een tuniek, een dierenhuid, een kap en schoeisel en daarna spoedt hij zich naar de kerk om er te bidden en psalmen te zingen ter ere aan zijn God. Na de dagelijkse misviering aarzelt hij niet om nog verder denieren uit te delen aan de bedelaars.

De internationale politiek komt even naar de voorgrond. Terwijl Karel in al zijn godsvrucht probeert de vrede en de rust te bewaren in zijn land sterft Hendrik, de Romeinse keizer zonder erfgenamen achter te laten. Ik check even Wikipedia en arriveer bij Hendrik V die als keizer van het Roomse rijk overlijdt in het jaar 1125. Een hoop slimme mensen, onder wie de hoogste clerus, vindt niet zomaar een geschikte opvolger en zo komt onze devote Karel, graaf van Vlaanderen in het vizier als ideale kandidaat. De kanselier van de bisschop van Keulen en die van graaf Godfried van Namen haasten zich naar Brugge om er hun boodschap over te maken.

‘U bent de perfecte opvolger om keizer te worden’. Veel tralali en tralala over de gratie van God. De bruuske vraagstelling moet ongetwijfeld het imago van onze graaf strelen. Wat moet hij met dit verzoek aanvangen? Hij zoekt antwoorden bij zijn nobelen en bij de pairs van zijn grondgebied. Een grote meerderheid ziet zijn vertrek in deze tijd van malaise niet zitten en smeekt Karel om in Vlaanderen te blijven en het keizerlijk aanbod naast zich neer te leggen.

Zonder hem is hun vaderland gewoonweg verloren. Deze smeekbede komt niet van iedereen. Diegenen die al met moordplannen in hun hoofd rondlopen, geven een ander advies. Dit aanbod mag hij niet zomaar van tafel vegen. Hij kan onmogelijk de troon en het prestige ervan weigeren. Beseft hij eigenlijk wel hoe glorieus en honorabel het is om keizer te worden van het illustere Roomse rijk?

Graaf Karel gaat in op de smeekbede van zijn entourage. Hij blijft. Er is werk genoeg hier om de vrede in de gaten te houden. Schrijver Galbert heeft lof te over voor zijn beslissing: hij zal alles in het werk stellen om zijn land te dienen. Trouw en katholiek, goed en religieus en in de glorie van God zal hij met de nodige voorzichtigheid zijn mannen leiden. Eigenaardig genoeg moet hij zich weinig zorgen maken om zijn grondgebied te verdedigen tegen gebeurlijke invallen van zijn buren. Want die hebben al eveneens een hoge dunk van Karel. Ze beseffen dat een goede alliantie met hem meer voordelen biedt dan nadelen. Hier en daar volgt de graaf zijn ridders als ze ergens een lokale strijd moeten leveren tegen de prinsen van Normandië en die van Frankrijk. Aan het hoofd van een legertje van tweehonderd trouwe ridders brengt hij het er telkens weer goed van af.

De loftrompet voor Karel schalt ononderbroken verder door de tekst en stoort me enigszins om de draad van het gebeuren te volgen. De inlandse problemen van honger en voedselgebrek worden beetje bij beetje aangepakt. De gronden krijgen stilaan hun vroegere vruchtbaarheid terug. Karel beveelt dat de zolders gevuld moeten worden met fruit en met levensmiddelen. Het leven in Vlaanderen krijgt stilaan een zachtere allure. De vrome graaf wil vooral orde in zijn rijk. Hij gaat voorzichtig op zoek naar de werkelijke eigenaars en de echte gebruikers van de vele gronden doorheen zijn land.

Wie zijn hier de slaven en wie zijn de vrije mannen? We zien hem vrij vaak opduiken in vergaderingen van de vierschaar waar debatten en pleidooien gehouden rond de problematiek van de vrije mannen die absoluut niet geïnteresseerd zijn in het trieste lot van de duizenden lijfeigenen. Nochtans zijn het precies die lijfeigenen die er voor kunnen zorgen dat het land beploegd wordt. De graaf vermoeit zich om nieuw volk aan te trekken naar Vlaanderen. Zijn persoonlijke aanpak van lokale incidenten bezorgt hem niet altijd vrienden. Integendeel zelf.

Ik leer een aantal andere hoofdrolspelers kennen van het Vlaanderen van toen. Eerst en vooral is er Bertulf Erembald. Een telg van het geslacht van de Erembalden waar ik later meer zal over vertellen. De proost van het kapittel van Brugge en de persoonlijke kanselier van de graaf. Het grondgebied van Brugge is integraal eigendom van de graaf van Vlaanderen en dus is proost Bertulf een ondergeschikte van Karel. Net zoals zijn broer Désiré Haket die kasteelheer is van Brugge. Beiden hebben sleutelposten weten te bemachtigen in het graafschap van Vlaanderen. In hun zog nestelen zich nog een aantal neven met als voornaamste figuren Bosschaert, Albert en Robrecht. Je mag ze gerust nieuwe adel noemen.
De oude Veurnse familie heeft het, ondanks zijn horige status, ver geschopt in Brugge en heeft maar één agenda: middelen vinden om zich vrij te maken en niet langer ondergeschikten te zijn van de graaf. Het is de ideale manier om zelf de touwtjes in handen te nemen in het domein Brugge.

Bertulf sluit een deal met enkele ridders, want daar hangt de klepel van de onafhankelijkheid. Hij heeft enkele nichtjes opgevoed bij zich thuis en die worden nu uitgehuwelijkt aan enkele jonge snaken van ridders. Het is de ideale manier om voor zichzelf en voor zijn familie een status van ‘vrije mensen’ te verwerven. ‘La liberté séculière’ schrijft Galbert. Ik vertaal het als ‘wereldlijke vrijheid voor nieuwe rijken’.

Een nieuw soort ‘selfmade’ mannen, met pakken geld en met veel macht steekt de oude traditionele aristocratie naar de kroon. In Vlaanderen hebben ze dat soort nog nooit gezien. De pogingen van de proost lopen dus zeker niet van een leien dakje in deze strak georganiseerde maatschappij en stoten op een hardnekkige weerstand bij de adel.

Om één of andere reden komt het tot een conflict tussen een vrije ridder en een ridder die met één van die nichtjes van Bertulf is getrouwd. Die laatste eist een duel met de graaf als voornaamste getuige. De vrije ridder weigert hierop in te gaan en doet dat op een erg grove manier. Zijn uitdager is door zijn huwelijk met een niet-vrije vrouw zelf toegetreden tot deze onvrije status en dus voelt hij zich niet aangesproken om van man tot man te vechten. Dat kan enkel tussen echte ridders.

Karel de Goede moet erg verveeld zitten met de situatie waar hij ongewild in terecht is gekomen. Proost Bertulf en zijn clan gaan geen inspanningen uit de weg om zich tot vrije mensen op te werken en zich los te wrikken uit hun dienende functie. Aan de andere kant zwaait de oude landadel met papieren en met rapporten dat die hele Brugse familie er zonder enige twijfel een is van lijfeigenen.

De hele kwestie sluimert al geruime tijd als een woekerend gezwel door het land en is plots door de kwestie van het duel brutaal opengebarsten. De graaf probeert zijn proost er op te wijzen dat de oude ridders wel een punt hebben maar Bertulf houdt voet bij stuk. In realiteit bezitten hij en zijn achterban van neven en familie al een hele tijd de werkelijke macht in Vlaanderen. ‘Laat de graaf maar brood en kleren uitdelen’, moeten ze gedacht hebben, ‘ondertussen zullen wij wel de lakens uitdelen’.

Na de graaf is Bertulf de machtigste man van het land en dat laat hij duidelijk voelen. Op arrogante wijze eist hij een vrije status op voor zijn hele familie. ‘Ascendans et descendans’. Zijn afstammelingen en verwanten moeten dit recht krijgen op basis van hun voorgeschiedenis met de vorige graven die hen in de praktijk de hele tijd door hebben behandeld als vrije mensen. Het gaat er brutaal en gemeen aan toe. ‘Zonder de goodwill van Bertulf zou Karel het niet eens tot graaf geschopt hebben. En nu zou die nieuwbakken halvegare hen willen terugduwen in een slaafse toestand?’ De argumentatie van de oude adel is nochtans erg helder. Er bestaan geen redenen en zeker al geen precedenten om dat volk van ondergeschikten zomaar als vrije mensen te erkennen.

Zonder dat hij het echt wil, is de nederige graaf terecht gekomen in een patstelling tussen de clan van een ongehoorzame proost en zijn traditionele adellijke achterban. Er gebeurt dus niets. Geen promotie voor Bertulf. En dat is helemaal niet naar de zin van de hooghartige proost die halsstarrig weigert om openlijk gedwongen te worden in een officiële slaafse status ten opzicht van de graaf.

De wrok moet erg diep zitten. Hoe anders kan je het smerig complot verklaren dat zich in de geesten van Bertulf, Bosschaert en de rest aan het ontvouwen is. Ze zweren onder elkaar dat de graaf moet boeten voor deze ultieme vernedering en dat ze hem te gepasten tijde zelf om het leven zullen brengen. Het is nu alleen maar wachten op een gepast tijdstip en een perfecte locatie om hun perverse plan tot uitvoer te brengen.

Ik krijg te maken met een zekere Tancmaar van Straeten die een belangrijke functie bekleedt aan het hof van Karel de Goede en die met stilzwijgende goedkeuring van de graaf de goederen en eigendommen van de Erembalden wil aanslaan. Zo ver is het dus al gekomen. De proost zelf lacht in zijn baard, want de acties van Tancmaar bieden voorwaar een uitstekend alibi om de geplande aanslag te rechtvaardigen. Er wordt gezwaaid met geld en macht. De neven van Bertulf roepen op om in actie te treden en hun rechten te verdedigen. Nogal wat jonge edelen zien opportuniteiten voor zichzelf kiezen hierdoor de kant van de kanselier. Ze trekken er gewapend op uit om de agressor een lesje te leren.

Er volgt een aanval op de woning van Tancmaar. Een krachtige belegering. De grachten worden overgestoken, de poorten verbrijzeld. De versterkingen worden aan stukken geslagen. Tancmaar is er zelf niet aanwezig en dat is maar best ook.

Galbert heeft het uitgebreid over de gevolgen van de inval. Aan beide kanten vallen er een groot aantal doden en gewonden te betreuren. De proost geeft opdracht aan de timmerlieden die in een naburig klooster aan het werk zijn om de resten van de Tancmaars bezit met de grond gelijk te maken. Er wordt op zoek gegaan naar voldoende hakbijlen om de klus te klaren.

Ik krijg een idee voorgeschoteld van de omvang van het leger van de Erembalden die aan de actie heeft deelgenomen. Vijfhonderd ridders en een onbekend aantal gewapende mannen die het te voet moeten doen. Ze worden achteraf uitgenodigd in het klooster om er uit te blazen bij de nodige innerlijke versterkingen. De Erembalden voelen zich in een prima stemming met hun overwinning en zwaaien met geld naar hun medestanders om die aan zich te binden en zo hun machtspositie in Vlaanderen verder te consolideren.

De hele bende vindt er niets beter op dan nu op plundertocht te trekken. Met de nodige geestrijke drank op is het hek nu helemaal van de dam. De lokale boeren zullen het wel geweten hebben. De koeien en het vee van de pachters worden afgemaakt. De neven van de proost tonen zich van hun beste zijde. Eersteklas crapuul dat al de bezittingen van het arme landvolk rooft en die daarbij het nodige geweld niet schuwt. Waar de vernielingen zich precies afspelen in Vlaanderen, laat Galbert in het midden. Hij geeft wel aan dat de graven van Vlaanderen nooit voordien dergelijke grootschalige vernielingen hebben meegemaakt op hun landgebied. Verschrikkelijke gewelddaden die leiden tot een nooit gezien bloedbad.

De graaf zelf bevindt zich op het moment van de feiten in Ieper. Tweehonderd boeren haasten zich tijdens het donker van de nacht om zich eerst voor zijn voeten te gooien en hem daarna om hulp te smeken. De plundertochten moeten zich dus in de Westhoek hebben afgespeeld. Kan hij het niet regelen dat ze hun bezittingen, hun vee, hun kleren en hun zilverstukken kunnen terugkrijgen? En natuurlijk ook hun meubelen en de huisraad die ze zijn kwijtgespeeld tijdens de raid van de Erembalden.

Karel is gepakt bij het horen van hun verhalen en voelt zich verbitterd als hij hoort wat de familie van zijn eigenste kanselier bij zijn landgenoten heeft aangericht. ‘Hoe kan ik dit onrecht ongedaan maken?’, vraagt hij aan de troosteloze boeren.

‘Steek de woning van die Bosschaert dan toch in brand’ wordt er geopperd. Hij is de aanstoker van deze gewelddaden. ‘Het bastion van de man is een roversnest van waaruit al die gruwel vandaan komt.’ Zo braaf en goed blijkt de graaf dus toch niet te zijn, want hij sluit zich aan bij de wraakgevoelens van de wanhopige boeren. Er blijft geen steen meer overeind van die woning van neef Bosschaert. De Erembalden zullen voortaan met hun neus op de feiten gedrukt worden dat ze in feite doodgewone horigen zijn en dat ze zich geen illusies hoeven te maken dat ze ooit tot de echte adel van dit land zullen behoren.

Uit deel 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

 

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *