banner
Jun 18, 2026
0 Views
Reacties uitgeschakeld voor De sfeer van de zee

De sfeer van de zee

Written by
banner

De abdij van Sithiu (Sint-Omer) is, dank zij zijn ‘polypticum’ van rond 850 ook al bekend. Het Westland ademt de sfeer van de zee uit. De havens van de Canche (Quentovic) en de Ijzer (Iserae Portus) die te maken krijgen met de Saksen en de Friezen die er lakens komen verkopen en hun graan aankopen. Meer noordelijk langs de kust is er niets buiten een aanlegplaats, een soort steiger, die de Noorse naam ‘Bryggya’ met zich mee draagt en waar af en toe wel eens een boot aanlegt. Google leert me dat er in Noorwegen ook al een stad bestaat met de naam Bryggya. Zijn bewering kan dus inderdaad kloppen.

Jaren van groei en welvaart staan voor de deur en zullen zorgen voor het ontstaan van bevolkingskernen. Dat is zeker het geval voor de abdij van Sithiu waar de koning al in 873 een vrijdagmarkt tot stand laat brengen. En die markt dient niet om de stedelingen van voedsel te voorzien, zoals geschiedkundigen dat verklaren, want die zijn er amper in het toenmalige Sint-Omer. Neen. De vrijdagmarkt komt er als een verlengstuk van de economische activiteit van de lokale abdij, waar er geen sprake is van graan te kopen, maar dit te verkopen aan mensen uit de hele regio.

En reken maar dat de Sint-Bertinusabdij steenrijk is. Ze is in het bezit van zowat honderd dorpen of landelijke domeinen. Zelfbedruipendheid, zelfvoorziening, autarkie zijn de sleutelwoorden van de leiders van de abdij. Volgens hun eigen dagboeken uit 850, de ‘polyptieken’ dus, zorgen de ontelbare pachters massaal voor graan en linnen. Sithiu bezit zelfs wijngaarden aan de Rijn en aan de Aisne en andere gebieden zullen ongetwijfeld een variatie van alternatieve grondstoffen opleveren.

Het enige probleem bestaat er in een afzet te vinden voor de overtollige producten die ze ongetwijfeld kunnen versassen aan de Saksen en de Friezen daar in het hinterland van de Noordzee. Graan wordt geruild tegen textiel. Vanaf de jaren 800 zijn er in dat hinterland een reeks van ‘villae’, domeinen zoals Quentovic, Fressin en ongetwijfeld ook de villae van Roxem en Westkerke die zich in de onmiddellijke nabijheid van de ‘Iserae Portus’ bevinden. Maar nergens is er sprake van een stad. Sithiu op zich heeft zelf ook niets weg van een stad.

Het is een klooster, een ‘monasterium’ dat van de wereld is afgescheiden door een kloostermuur, ongetwijfeld voorzien van een slotgracht binnen dewelke zich twee grote kerken manifesteren. De kerken van Sint-Omer in het hooggelegen deel, en van St.-Bertinus in de laagvlakte. Plus andere heiligdommen. De begraafplaatsen van de overleden broeders en de huizen van de levenden. Dertig kanunniken in het hoog gelegen gedeelte en zestig monniken bij Sint-Bertinus en verder nog zowat honderd knechten.

Vanaf 850 krijgen de arbeiders een jaarlijkse vergoeding, een prebende. Dat kan geld zijn, maar evengoed kunnen ze wat levensmiddelen en kledij toegewezen krijgen. Hier en daar zullen die wel een poging gedaan hebben om een habbekrats te verpatsen buiten de kloostermuren. Maar lang zal dat niet duren. In 877 wordt er al lang niet meer betaald met geld. Het bedienend personeel krijgt zijn producten vanuit zes villae waar zelf een visvijver toe behoort. Je mag er zeker van zijn. In die dagen is Sithiu een abdij die perfect gescheiden is van de buitenwereld. Een heilige enclave. Hier en daar duiken de eerste Noormannen op.

Na de dood van graaf Boudewijn I in 879, komen ze op gewelddadige manier terug naar het noorden van het koninkrijk, Vlaanderen incluis, verwoesten. Abt Raoul van Sithiu heeft gezorgd voor een indrukwekkende beschermende gordel rond de abdij, maar door gebrek aan tijd is vooral de vesting rond de heuvel en de kerk van Sint-Omer maar povertjes. De rechthoekige omheining in het noordwesten zal in de toekomst de grens vormen van Sint-Bertinus. De zuidkant met de kerk van Sint-Omer zal later ingepalmd worden door een of andere kasteelheer die er zijn mottekasteel zal op bouwen, het ‘castrum sancti Audomari’, het kasteel van Sint-Omer dat uiteindelijk zijn naam zal geven aan de stad die er uit de grond zal spruiten.

Getuigen en kroniekschrijvers vertellen vaak over de schade die de abdij moet hebben geleden onder de Noorse invasies. Eigenlijk is de realiteit nog erger. De koning van Frankrijk schenkt de abdij van Sithiu aan graaf Boudewijn II. De noordelijke zijde van Frankrijk wordt als onverdedigbaar aan zijn lot overgelaten en de graaf moet er zijn plan mee trekken. De militaire adviseurs van de graaf varen er wel mee. Dorp per dorp, domein per domein worden verdeeld onder zijn ridders. Het fortuin van Sithiu verhuist van eigenaar. De nieuwe meesters van de gronden beschikken voortaan over de inkomsten uit graan en textiel.

Niet dat er in die jaren veel sprake is van inkomsten. De hele huishouding van het voormalige Sithiu is door de oorlog ontwricht. Het losmaken van al die domeinen uit de centralistische abdij, bevrijdt hoe dan ook de economische krachten van de streek en maakt het spel vrij voor ondernemen en zaken doen. Een onmiddellijk gevolg hiervan is het ontstaan van de stedelijke agglomeratie van Sint-Omer. De heilige grond van de abdij zelf, wordt verkaveld in ‘wereldlijke’ stukken van elk zowat 18 are waar de burgers van die dagen, de ‘burgenses’ of de ‘oppidani’ hun profijten mee kunnen doen. Sint-Omer wordt stilaan een stad.

Een ‘burgus’ of ‘oppidum’. Een zorgvuldig ingerichte en omringde ruimte met eigen privileges en met eigen stadswallen die het zullen uitzingen tot in 1789. In het jaar 938 krijgt de baljuw van Sint-Omer de titel van ‘praetor urbanus’. Urbaniseren. Verstedelijken. Woorden die we kennen. Nu ja, stad? Met elk een lap grond van 18 are moet de bewoning er binnen de stadswallen er ongetwijfeld nog altijd min of meer landelijk hebben uitgezien in die dagen. Een mix van handel en landbouw. Met de aanleg van de eerste straten van Sint-Omer die toch al de allure van de lokale burgers en hun privileges met zich meedragen en daardoor hemelsbreed verschillen van wat tot dan toe bekend is in de bescheiden ‘villae’ van Vlaanderen.

De eigenaars van Sint-Omer zijn vrije mensen. Ze moeten wel cijnzen betalen maar ze hebben de vrije beschikking over hun gronden. Het castrum van die eerste stad is van een verbazingwekkende eenvoud. Aan de poorten van de burcht ontstaan er twee marktplaatsen. De kleine ‘Viès Markiet’ en de ‘Grant Markiet’ waar graan wordt verhandeld. Van uit die marktplaatsen vertrekken een reeks kleine en grote straten in de richting van de laaggelegen moerassen van de Audomarais. Later zullen die trouwens worden doorgetrokken naar de haventjes aan de Aa.

Een andere rijke abdij, die van Sint-Vaast, ligt aan de basis van één van de grootste Vlaamse steden. Atrecht dat later de Franstalige naam Arras zal toebedeeld krijgen. De streek is welvarend, de zolders van het platteland zijn kwistig met hun oogsten. Van een echte stad is nog nooit sprake geweest. De Galliërs, meer bepaald de Atrebaten, hebben hun bescheiden woonplaats de naam ‘Atrades’ gegeven, een plek die uitgekozen worden door de Romeinen om er een garnizoen te huisvesten. Atrecht ligt op een interessant kruispunt en zo is er al heel vroeg sprake van de export van laken over heel Frankrijk. Maar met de graanoverschotten wordt aanvankelijk niet zo veel gedaan.

Na de Romeinse tijd blijft het slaperig gehucht bestaan op zijn initiële grootte van ongeveer 10 hectare. Het feitelijk ontstaan van de stad Arras vindt zijn oorsprong in de bouw van de abdij van Sint-Vaast rond het jaar 650. In 866 zien we een eerste close-up van de regio. Rond de abdij is het landschap nog helemaal ruraal. 1400 stukken akkerland die in totaal zeshonderd hectare beslaan en vijf primitieve kerkjes, de eerste bidplaatsen waar de landbevolking terecht moet of kan voor geestelijk soelaas. De enkele duizenden bewoners zijn onvoldoende om over enige stad te spreken.

In 867 zijn er aan de noordzijde van de abdij twee tavernes opgetrokken die via een weg met elkaar verbonden zijn. Langs deze weg zal wel wat volk hebben gewoond, maar de Noormannen zorgen er in 880 wel voor dat de hele onbeschermde zone uitgeveegd wordt. Abt Raoul gaat zijn abdij in die periode versterken en maakt er een ‘castrum’ van zowat 6 hectare van die zich later in zuidoostelijke richting zal uitbreiden tot de stad Atrecht.

Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 4
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.