banner
Jun 5, 2025
114 Views
Reacties uitgeschakeld voor De smeltkroes van de Vlaamse steden

De smeltkroes van de Vlaamse steden

Written by
banner

De aangroei van de bevolking in de steden begint aan een steile klim. Een stijging van ongeveer één derde per generatie zoals in Sint-Omer bijvoorbeeld. In Calais is er sprake van een verdriedubbeling per generatie. De voortdurende instroom van nieuw volk, rijke en arme immigranten die niet eens de dezelfde taal spreken, met of zonder job, moet ongetwijfeld problematisch geweest zijn. Het is een herkenbaar fenomeen anno 2013.

Elke stad van Vlaanderen ontpopt zich zonder uitzondering tot een ‘melting pot’, een smeltkroes waar de meest uiteenlopende sociale en culturele achtergronden zich gaan vermengen en die na verloop van tijd resulteert in de geboorte van een nieuw type inwoner: de burger, in het Frans: de ‘bourgeois’. De broederschappen en de gildes hebben ongetwijfeld grote inspanningen geleverd om deze heterogene massa te verankeren en te cementeren tot een homogene gemeenschap die zich wil beschermen tegen al het kwaad van slecht menende buitenstaanders.

Vanuit dit streven ontstaan vanaf de 11de eeuw stilaan de eerste stedelijke wetgevingen die het recht van de burgers verankeren. De ‘jus burgensium’ of misschien nog beter de ‘jus scabinorum’, de rechtspraak die de lokale schepenen krijgen in de individuele steden en hun buitengebieden en die hen differentieert van de andere steden. De vrijheden die toegekend worden aan de burgers worden geleidelijk aan rechten waar zal moeten voor gevochten worden om die te behouden. De meeste keures zijn lang en minutieus opgesteld.

Zo ook die van Sint-Omer uit 1128. Allemaal reglementen die minderheden beschermen, erfenissen vastleggen, burgerlijke wetten tot in de kleinste details uitgewerkt. Welk een ongelooflijk contrast biedt deze samenleving in vergelijking met de jaren 900 wanneer de eerste tuinmannen en koks uit de abdij van Sithiu met enkele kooplieden handel begonnen te drijven en een flink stuk van de koek moesten afstaan aan hun soevereine heren. Driehonderd jaar later kunnen we alleen maar de triomf van het kapitalisme vaststellen.

Machtige Vlaamse handelaars spreiden hun tentakels uit tussen Engeland, Italië en de Germaanse wereld terwijl de werkers uitgebuit worden om hun producten te vervaardigen in armzalige huizen en krotten in de groezelige buitenwijken met een slotgracht afgescheiden van de iets betere wereld in de steden. Die stedelijke maatschappij is er aanvankelijk een van een verrassende eenvoud. De hiërarchie is enkel en alleen gebaseerd op geld en eigendom.

De ‘libido possidendi’ zoals de moralisten dit noemen. Geld verdienen is een primaire doelstelling geworden voor de burgers. De rechten die ze opbouwen vertrekken altijd vanuit dit perspectief. Als de bewoners de toelating krijgen om de Aa en de Reie te kanaliseren, dan zal dat goed zijn voor hun stad en dus ook voor zichzelf. Tijdens die ongelooflijke periode van transformatie tussen de jaren 900 en 1200 is het bijzonder moeilijk om de elite te onderscheiden van de rest.

Historici proberen de indruk te geven dat er in die dagen al sprake is van sociale klassen, maar van een sociale clash zijn er vooralsnog geen aanwijzingen. De naam ‘patriciër’ is nog onbekend in deze middeleeuwse tijd. Elkeen probeert zijn eigen welstand op te bouwen, het patriciaat is een fantoom. De ‘flatus vocis’ heerst zoals een zekere Willem van Ockham schrijft.

Het magnifieke proza van Pirenne heeft het in geuren en kleuren over de Vlaamse patriciërs die als ‘sire’ door het leven gaan en in een stenen huis wonen, een ‘steen’, paarden en wapens bezitten en een leengoed bewonen dat er meestal is gekomen dank zij een huwelijk met een blauwbloedige dame uit de adel. Het ruikt allemaal erg naar de 13de eeuw. Wat een lacune toch bij deze Vlaamse geschiedschrijver dat hij dat niet expliciet de correcte ’time frame’ aangeeft en zo de illusie schept dat deze decadentie al eeuwen eerder aan de gang is.

Een andere historicus, een zekere Blockmans, laat zich natuurlijk vangen aan het werk van Henri Pirenne als hij in 1938 beweert dat Gentse burgers al tussen 941 en 1035 hun leengrond kunnen aankopen en dat die vanaf die periode van vader op zoon kan worden overgedragen. Die bewering klopt van geen kanten, ze is nooit gestaafd door een of andere naam te kleven op de naam van zo een patriciër. Een vervalsing van de geschiedenis is dit. Nogmaals: een historisch fantoom. Het fiasco van dergelijke theorieën heeft er voor gezorgd dat er een grote leegte is in de kennis van de stadsontwikkeling.

En misschien is die leegte op zich al veelbetekenend! Er bestaat in de 10de en de 11de eeuw doodgewoon geen sociale structuur of een hiërarchie. Er bestaan geen sociale klassen in die tijd. Er zal ongetwijfeld wel uitbuiting zijn van de ene door de andere. Een harde maatschappij is het, met een ‘ieder voor zich’ mentaliteit, net zoals in de ‘Far West’ van de 19de eeuw. Exploitatie van mensen gebeurt hoe dan ook nog niet systematisch. Er zijn nog geen sociale structuren. De eerste burgers van Sint-Omer zijn ambachtslieden die zich zijn komen vestigen aan de poorten van de burcht en die hun namen achterlaten op de belendende steegjes.

Er komen trouwens van langs om meer koopmannen en ambachtslieden bij om zaken aan de man te brengen die het land zelf niet produceert. Ijzer. Zout. Wijn. Een aantal van die commerçanten onder hen worden welstellend. Zoals de in 1088 overleden Tetboldus Dives, Thibaud de Rijke, over wie Lambert van Sint-Omer het heeft rond 1120.

Hij schrijft ook over een andere Lambert die in 1040 een kerk laat bouwen of over Winrad die in 1106 een gasthuis sticht. Een ander soort volk zijn de ‘bellatores’, de krijgers die vertegenwoordigd worden door de kasteelheren, de burggraven, de ‘castellani’. Ze zorgen voor de beveiliging van de lokale burcht en verzorgen de wacht. Ze krijgen elk een prebende en hebben waarschijnlijk de beschikking over een leengoed dat ze na verloop van tijd verder gaan opsplitsen.

Harde bewijzen zijn daar niet van, maar in 1056 staan hun eigendomsrechten wel al geregistreerd. De krijgslieden isoleren zich niet van de anderen, dochters en zonen van beide klassen trouwen met elkaar waardoor het onderscheid tussen beiden vrij snel aan het vervagen is. En dan zijn er natuurlijke de ‘oratores’, de mannen van het gebed, die er flink wat tijd over doen om op eigen benen te staan.

Bij de hervorming van Sint-Bertinus in 944 zijn ze ongetwijfeld met geweld buiten gevlogen uit hun abdij. De kanunniken zijn in die dagen nog getrouwd en van enige hervorming is er nog geen sprake. Pas op het einde van de 11de eeuw zullen de kapittels opnieuw hun deuren sluiten en zich stilaan isoleren van de rest. De bevolking is er een van voortdurende verandering. Echte familiale structuren zijn er amper, weinig herkenbare lijnen van vader op zoon zoals we dat op den buiten wel al kunnen vaststellen. In de stad zijn het allemaal individuen.

Lambert van Sint-Omer slaagt er rond 1120 in om acht generaties te ontwarren en citeert daarbij 81 personen die vanaf 900 deel hebben uitgemaakt aan de maatschappij van de prille stad. Opmerkelijk is dat bijnamen en erfelijke voornamen nog totaal ontbreken. Die zullen in Sint-Omer en in Arras pas na 1165 ingevoerd worden. Er is amper sprake van enige structuur in de jonge middeleeuwse steden. Dat betekent niet dat de bevolking zich niet heeft verankerd in zijn heimat.

In Sint-Omer is er de gilde van de handelaars die zowat de hele mannelijke bevolking groepeert. De statuten van de gilden, afgewerkt tussen 1080 en 1100, bepalen dat ze niet enkel functioneren ten dienste van de burgers, de kanunniken en de eigenaars, maar eveneens voor de mensen van het zwaard, de ‘milites’. Achthonderd volwassen mannen. Het is zeer de vraag of er voor hen allemaal tezelfdertijd voldoende ruimte was in de ‘ghildhalle’.

Waarschijnlijk zullen ze voor de poorten van de halle in de rij hebben moeten aanschuiven om er hun mud wijn te komen afhalen. De eerste stedelijke gemeenschappen hebben niet eens chefs en leiders. We kunnen het afleiden uit de kronieken van Galbert die het uitgebreid hebben over de crisis van 1127-1128 in Brugge en over de moord op graaf Karel de Goede. Zijn dagboeken vertellen een aantal gebeurtenissen van dag op dag en ze omschrijven de Brugse samenleving tot in de kleinste details. Ook hier een stevig verankerde bevolking van burgers, ‘cives’, de ‘ons-kent-ons lieden’ die Galbert beschrijft als ‘nostri’, die van ons.

Doorheen de twaalf paragrafen van zijn getuigenis noteert hij de tussenkomst van de woordvoerder van enkele gekwalificeerde vertegenwoordigers. Hij omschrijft deze afwisselend als ‘sapientiores’, wijzen, ‘meliores’ (de besten), ‘discreti’, ‘prudentiores’, ‘fortiores’ of ‘magis fideles’. Deze mix van mensen toont pertinent aan dat Brugge in die tijd nog geen capabele leiders heeft om hun stadsgenoten te vertegenwoordigen en te leiden. Wat telt in die dagen zijn morele kwaliteiten, persoonlijk prestige en welsprekendheid. Het sociaal statuut is nog helemaal niet van tel.

Er is natuurlijk sprake van een functionaris van de graaf. Een officier die in 938 te Sint-Omer wordt beschreven als ‘praetor urbanus’ en vanaf het jaar 1000 een reeks rechters, de schepenen die op dat moment nog niets in de pap te brokken hebben. We zien nog niet direct een burgemeester en een schepencollege in beeld komen. Geen stadsbestuur.

Derville vraagt zich helemaal niet af of de graaf in die dagen ook maar enigszins de macht wilde delen in zijn steden en die voor 100% bij zijn baljuw wilde zien. Ongetwijfeld zitten er tussen de Brugse ‘meliores’ een aantal mannen die aanspraak maken op het leiderschap in de stad, en is de tijd nog niet rijp dat de graaf van Vlaanderen zijn macht zal willen delen met de lokalen. De verzuchtingen van de stedelingen worden met het schuiven van de jaren 1100 geleidelijk aan realiteit.

Eerst werken de schepenen nog in functie van de baljuw, maar bij het aanbreken van de jaren 1200 is er al sprake van lokale stadsbesturen met schepenen en een voogd die de burgerij vertegenwoordigen. De gezworenen zijn er in geslaagd aan de macht te komen en gaan vanaf dan de wet met harde hand opeisen. Ze kunnen nu verschrikkelijke sancties opleggen aan wie naast het lijntje loopt. Oog-om-oog en tand-om-tand.

De beschuldigden krijgen terug wat ze zelf misdaan hebben. Van hetzelfde laken een pak. Het verbranden en afbreken van woningen van misdadigers, de genadeloze ‘arsin en abattis’, een oude Germaanse gewoonte als onderdeel van het Vlaamse gewoonterecht, ligt nu in handen van het stadsbestuur. De keurheren, ‘choremanni’, worden verkozen door de gemeenschap.

Het geeft een glimp van democratie, maar is het helemaal niet gezien de keuze van de voogd en de wetheren in realiteit in de handen ligt van een kleine stadselite. De klassenmaatschappij is opgerukt. Naast een politieke klasse verschijnen rond 1150 ook de grote handelaars, de kapitalisten, op het toneel. Voortaan zal het leven in de Vlaamse steden veel gestructureerder verlopen.

Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 4
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.