banner
nov 19, 2018
5767 Views

De terechtstelling van Jan Camerlynck

Written by

De rest kan nu overgebracht worden naar Ieper. Zware jongens zijn het. Terwijl een hevige storm over de Westhoek raast worden ze in twee wagens door de stadspoort binnengereden. De twaalf stevig vastgebonden mannen kijken wezenloos voor zich uit. Het zijn naar verluidt notoire geuzen.

banner

Omtrent deze tijd laat deurwaarder Pieter Vermeersch een schoon huis openbaar verkopen. De woning is geconfisqueerd van een geus. Eind september worden er vijftien bosgeuzen gesnapt. Ze hebben een hele reeks misdaden op hun kerfstok. Een van hen wordt naar Ieper overgebracht waar hij de rest verklikt en daardoor gratie krijgt. De veertien anderen worden door Joris van Hallen en zijn mannen vastgehouden in het bos bij Kaaster. Blijkbaar bevinden er zich enkele gewonden in het gezelschap en daarom worden ze wat later naar de gevangenis van Belle geleid. Het duurt zo zijn tijd voor onze voogd er bij kan geraken. Twee van de gevangenen zijn er erg aan toe en de provoost vreest dat ze nooit in Ieper zullen raken om terechtgesteld te worden. Uiteindelijk reist de beul dan maar naar Belle waar de twee zwaargewonden berecht worden uit vrees dat ze wel eens voortijdig zouden kunnen sterven.

De rest kan nu overgebracht worden naar Ieper. Zware jongens zijn het. Terwijl een hevige storm over de Westhoek raast worden ze in twee wagens door de stadspoort binnengereden. De twaalf stevig vastgebonden mannen kijken wezenloos voor zich uit. Het zijn naar verluidt notoire geuzen. De landmannen zijn maar wat tevreden dat er een einde gemaakt werd aan al hun kwalijke daden. Jan Camerlynck van Hondschote is de aanvoerder van de bende. In zijn gezelschap bevinden zich Jan van Penen van Ruisscheure, de Engelsman Ryckaert, Maarten Ghysel van Steenvoorde, Joos Winnebroot van Kaaster, Claeys van Hem en Pieter de Buusere van Moorbeke, Hercules Notzette van Antwerpen, Jan Coppen van Wormhout, Joris de Colts van Killem en tot slot Pieter Damme en Mahieu Verbliet van Rubroek. 2 oktober 1568. Soeverein Masscheroen vindt de vangst belangrijk genoeg om op deze zaterdag naar Ieper af te zakken.

Jan Camerlynck wordt zwaar gebonden naar de bovenverdieping van de lakenhalle gebracht. De bewakers wijken geen seconde van zijn zijde. De ondervraging begint om half vier in de namiddag en eindigt pas om halfacht in de avond. Het verhoor gaat verder op zondag. Zowat de hele dag. Verhoor is eigenlijk een te braaf woord, feitelijk ondergaat Camerlynck een erbarmelijk etmaal aan pijnigingen. De soeverein, de hoogbaljuw, de provoost, de griffier en de officier willen het fijne weten van zijn activiteiten en onderwerpen de bendeleider aan gruwelijke pijnen. Dat heeft men hier in Ieper nog niet veel meegemaakt. Ook de hele maandag wordt er verder gewerkt aan de sessie. Wanneer Jan Camerlynck die avond naar buiten wordt gebracht staan er heel wat Ieperlingen nieuwsgierig te wachten om een glimp van de schurk op te vangen. Ze kunnen vaststellen dat de ondervraagde nog amper kan lopen. Hij mankt en lijkt gekwetst te zijn aan de benen. Blijkbaar hebben de mannen van het gerecht met hagel op hem geschoten.

5 oktober 1568. Het is het de beurt aan Pieter de Buusere, in de wandelgangen ‘Hoge van Zette’ genoemd. Tijdens zijn arrestatie werd hij zwaar gewond aan de hand en dat is er duidelijk aan te zien. Veel zal het allemaal niet meer uitmaken want de volgende dag is het schavotdag. Om 6u wordt de constructie voor de halle opgeslagen. Helemaal centraal op de grote markt. Er wordt een Andrieskruis op het podium getorst. Een kruis in de vorm van een ‘X’. Boven op een staak wordt een wiel, een rad aangebracht en aan de andere kant van het schavot plaatsen de gerechtsmedewerkers een slede met daar bovenop een soort van rieten mat die men hier als een ‘vlaak’ omschrijft. Om 7u wordt Pieter de Buusere uit de gevangenis gehaald en voor de vierschaar geleid. Hij zal er zo meteen zijn sententie horen. De tarief voor al die kwalijke daden.

Ik maak de zitting mee als getuige van dienst. Aan een langwerpige tafel vooraan zetelen een beangstigende soeverein die geflankeerd wordt door hoogbaljuw Bellewaerde. Naast hen hebben eveneens de voorschepen en de griffier plaatsgenomen. Het is de griffier die de uitspraak voorleest. Ongelooflijk toch hoeveel kwaad deze bosgeuzen hebben aangericht. De bende heeft met zekerheid zeventien moorden op zijn kerfstok. Ze hebben de kerk van Houtkerke verbrand en er de dorpspastoor vermoord. Op dergelijk smerige manier dat het onmogelijk te beschrijven valt. De Buusere wordt veroordeeld om op de vlaak vastgesjord te worden en er een geseling te ondergaan. Daarna zal men hem op zijn rieten mat naar de vier hoeken van de markt slepen. Achteraf zullen zijn beulen hem vastmaken aan het kruis waar de radbraking op hem wacht. Wel met de bijzonderheid dat hij er levend moet op gemonteerd worden en zijn eigen dood zal moeten sterven. Dood gaan op eigen kracht. Een verschrikkelijke straf die nu direct zal uitgevoerd worden.

Tijdens de geseling en het slepen over de markt huilt hij om vergiffenis en om gratie. De markt is voor de gelegenheid nu eens niet afgezet. De Ieperlingen zien zijn apocalyptisch einde met zijn allen gebeuren. Na zijn rondrit wordt hij naakt op het schavot gesleept. De Buusere begint daarop luidop een psalm te zingen, iets wat hem flagrant verboden wordt door de officier die hem nu laat blinddoeken. Hij wordt aanstonds met handen en voeten aan het kruis vastgepind. Een signaal voor de beul om hem nog eens aan te pakken. Een ijzeren staaf verbrijzelt ’s mans armen en benen. Dan wordt hij terug van het kruis verwijderd, op zijn buik gelegd en nog twee keer met diezelfde staaf op de lendenen geslagen. En dan levend op het rad gesteld. ‘Hoge van Zette’ zingt duidelijk al een toontje of twee lager. ‘Kan je mijn doodstrijd niet te lang laten aanslepen?’ vraagt hij luidop smekend aan Joris van Hallen. En de soeverein ontbiedt de officier op de lakenhalle en gelast hem om de veroordeelde nog een extra slag te bezorgen zodat hij niet meer zou kunnen roepen. Daarna verliest de sukkelaar zijn taal. Korte tijd later kan hij eindelijk zijn dood sterven en wordt hij buiten de stadsmuren gevoerd waar zijn kadaver aan een staak wordt vastgegespt.

22 oktober 1568. Vandaag zal de tweede ronde van de terechtstellingen doorgaan. Vijf bendeleden worden gebonden tot bij de provoost gebracht. De vierschaar beslist vandaag over hun lot. De eerste heeft warempel veel geluk. Een simpele opknoping. Pal voor het bezant. Een min of meer pijnloze dood komt over als een flinke gratie. En; zeg nu zelf de man heeft maar vijf of zes dagen meegelopen met de bende en hij heeft daarbij geen bloed gestort. De heilige kerk betuigt haar groot leedwezen voor dit kind van haar katholieke gemeenschap. Daarna begint het zwaardere werk. Een jongeman van een jaar of eenentwintig krijgt een identieke afscheidstournee als ‘Hoge van Zette’. Inclusief de vlaak en het kruis. Geseling, ijselijke pijnen, de sleeptocht op de vlaak, de radbraking, het verpulveren van de ledematen. Een onmenselijke doodstrijd.

Zijn kompaan Joos Winnebroot uit Kaaster krijgt er nog een extra portie pijn bij. Voor zijn behandeling aan het rad zal de beul nog eerst zijn oren afsnijden. Winnebroot heeft vierentwintig moorden op zijn geweten. Een van zijn slachtoffers was een priester die hij eigenhandig de oren heeft afgehakt. De vierschaar kent geen genade. Twee schurken worden levend verbrand. Onder hen die Antwerpenaar. Een ongelijke strijd tegen het vuur. Eerst moeten ze wel de martelgang van het radbraken doorstaan. Geen van beiden wil afstappen van zijn geloof en ze roepen het uit tot de beul hen met proppen de mond snoert. Tot de vlammen hun wrede werk doen. Na de terechtstellingen blijft het schavot gewoon staan. De crycke zal ook op zaterdag dienst moeten doen.

Na de markt wordt een houten constructie in elkaar geflanst. Het verschrikkelijk huisje dat straks zal branden als de hel. Rond 15u wordt een predikant uit Komen tot bij de schavot gebracht. Pieter Haeze wordt gekneveld en in het huisje geplaatst waar hij de vuurdood ondergaat. Wat een contrast met de eerste kou van de herfst, de Ieperlingen kijken gebiologeerd en verkleumd toe hoe de vlammen niet al te lang werk nodig hebben om de geus uit zijn menselijke miserie te bevrijden. Daarna gaan de executies verder hun gang. De vuurdood voor een collega-predikant uit Waasten. Die smeekt om begraven te mogen worden in heilige aarde. ‘Allemaal goed en wel’ antwoordt de baljuw, ‘maar dan moet je je wel eerst bekeren’.

Iets wat de arme man ook noodgedwongen doet. Jan Codts van Killem krijgt ook zijn beurt. Op zijn kerfstok prijken er vierentwintig doden. Hij krijgt een identieke behandeling als Winnebroot. Met inbegrip van het verlies van zijn oren. Het rondslepen op de vlaak, de vier hoeken van de markt laten zich voelen tot in de diepste poriën van zijn lichaam. Het wiel. De ijzeren staaf die zijn beenderen en zijn spieren tot moes slaat en daarna is het wachten tot de dood een eind wil maken aan deze verschrikking. En ik vergeet er nog de marteling bij te vermelden. Alsof het nog niet allemaal erg genoeg is. Ik heb er genoeg van en laat de rest van de terechtstellingen aan me voorbij gaan.

Zaterdag 20 november 1568. Het is een tijdje rustig gebleven. Maar nu breekt er weer zo’n dag van vergelding aan. Een nieuwe marktdag en een nieuw schavot. Boven op een staak wordt een pekton vastgemaakt waar de kleverige brij wordt ingegoten. De staak wordt voorzien van drie kettingen. De bodem van het podium krijgt een laag aarde zodat die niet in brand kan geraken. Rond 14u zijn we zover. Tijd voor Camerlynck de oppergeus. Op de markt staat een omvangrijke menigte. Tussen 14u en 15u staat hij geboeid te luisteren naar de straf die de vierschaar voor hem in petto heeft. Dat ‘geboeid’ mogen jullie best letterlijk opvatten.

Voor de rest zal Jan Camerlynck niet al te veel animo voelen voor wat hem te wachten staat. Rond 15u30 wordt de veroordeelde naar de markt gebracht. Recht voor de steger van de lakenhalle. Het afsnijden van de oren als aperitief. Daarna wordt hij vastgesjord op de vlaak. Een teil met hete kolen met daarin een gloeiende tang staan al te wachten. Een extra ingrediënt. De straf moet voelbaar zijn. Met de tang nijpt de beul nu telkens weer in de borst van de veroordeelde die daarbij huilt als een klein kind. De pijn is duidelijk niet te harden. Daarna volgt de geseling met de roede en het slepen van de vlaak. Maar eerst wordt hij nog eens gevoerd via de Zuivelstraat, voor ‘De Roze Hoed’, door de Diksmuidestraat.

Aan elk kruispunt wordt er halt gehouden en krijgt de geus een extra behandeling van de hete tang. ‘God, God, help me’, tiert Camerlynck wanneer hij nu eindelijk op het schavot wordt gehesen. ‘Een beetje geduld’ roept zijn biechtvader. ‘Genade, genade’, de terdoodveroordeelde krijgt nu de kettingen om zijn geblakerde lijf gespannen. Hij blijft maar roepen. Ondertussen zit het vuur al in de pekton boven zijn hoofd. Een kleine vlam wel te verstaan. De brandende teer begint nu ongenadig te druppelen en te sijpelen op zijn lijf. Gelukkig duurt het niet lang meer voor de vlammen de pek in lichterlaaie zetten en zijn geest verzwolgen wordt door een zee van vloeibaar vuur. Zijn lijk wordt nu opgehangen. De overleden Jan Camerlynck moet ergens drieënveertig of vierenveertig jaar geworden zijn.

Dit is een fragment uit ‘Dagboek van Augustijn’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *