Anno 1914, op de 25ste december, kerstnacht. Rond middernacht. Boven Ieper en in een wijde kring van vuur stonden duizenden mannen elkaar naar het leven. Het groot hospitaal was eenzaam en verlaten. Drie dagen geleden zaaiden de vijandelijke bommen hier door en vernieling. Brave mensen uit de Sterrereke, met het lantaarntje uit de oude tijden, soldaten van de verwijderde batterijen, Engelse dokters (protestanten), zusters van het gasthuis.
Ze trokken er allemaal stilzwijgend naartoe. Het was Kerstmis. We daalden de trappen af en kwamen in de kelder die in een kapel herschapen was. In de hoek stond een altaar; het was het geredde tabernakel uit de vernielde kapel. De priester in misgewaad knielde neer. Aan zijn zijde stonden er twee Franse officieren die de mis zouden helpen dienen.
In het midden van de kelder stond een mandje met stro, met een verrukkelijk kindje tussen de kaarsen die een ‘vertwijfelende’ klaarte verspreidden. De kelder was veel te klein om al dat volk te bevatten. Wat was het daar stil!
Na de ontroerende misdienst ging de priester heen, en iedereen met hem. Stil en ingetogen. Iedereen moest zijn of haar ontroering bedwingen, iedereen had geweend. De soldaten gingen heen, de burgers verwijderden zich als spoken in de nacht. Alles werd weer stil en verlaten. In de verte knetterden de geweren. De ruwe oorlog, deze mensenslachting duurde voort. ’s Namiddags hadden we hier lof in de kelder. Veel volk.
Maar met de avond was het hier weer zo treurig. Priester Delaere moest het geraden hebben want hij kwam ons een bezoekje brengen om ons een weinig op te beuren. We bezocht samen het gesticht. Er was nog een kwartier dat omzeggens ongeschonden was. We besloten om hier toch maar het burgerhospitaal terug onder te brengen. In het mannenzothuis was het onmogelijk voor de Engelsen en de zusters om daar te blijven.
Anno 1914, op de 25ste december, dat was voorwaar een vrome illusie. Helaas! Al om 6u30 trok het fluitend gezang van de obussen zich al weer op gang. Een bedreiging voor onze levens en wat ze bezaten. Een vrouw werd dodelijk geraakt niet ver van Sint-Jan. Meerdere mensen kregen allerhande verwondingen aangesmeerd. Rond 17u30 trakteerden ze ons nog maar een keer op een serie shrapnels.
Anno 1914, op de 25ste december. Jenny Debrabandere vertelde in haar dagboek dat de Franse soldaten met Kerstmis kerstmis vierden met de bewoners van de hoeve waar ze woonde. Ze zaten samen in de verwarmde keuken, de fonograaf speelde en een beroemde Franse zanger – Gallic Sternic – in die tijd een vedette van het lichte lied animeerde het gezelschap. Daarna trokken ze met zijn allen naar de nachtmis te Sint-Jan. Op kerstnacht was het nochtans niet overal rustig. Er zaten ook soldaten in de voorste linies waar de oorlog voortdurend aanwezig was.
Onderluitenant Pierre Petit verbleef in de commandopost van de 34ste brigade, op een boerderij bij de molen van de Frezenberg, even ten oosten van Sint-Jan en schreef daarover in zijn dagboek dat er in de ochtend gewonden die kon konden stappen terugkeerden van de loopgraven. Ze waren ondersteund door hun kameraden. En langs de weg van Zonnebeke naar de Frezenberg kwamen de zieken en gewonden terug in eindeloze colonnes. Daar waren er geen kerkliederen om middernacht. Alleen maar vlagen van machinegeweren, vuurpijlen en obussen.
Anno 1914, op de 25ste december, tijdens de mis van mijnheer pastoor rond 6u30 herbegonnen het gefluit en de explosies van de shrapnels en obussen. De kerk die vol volk zat liep ogenblikkelijk leeg. In de Brugseweg werd een vrouw gedood en meerdere andere personen gekwetst. Het was wel erg om vast te stellen dat als er twee personen genezen waren ze vervangen werden door drie nieuwe.
Deze macabere oorlogsmuziek hernam van tijd tot tijd tijdens de loop van de dag maar werd toch heviger rond de middag. Tot twee keer toe moest zuster Marie met haar bord naar de kelder vluchten. Met tussen 15u30 en 18u een heropflakkering. Wat een trieste kerstdag toch, kon dat pasgeboren kindje in Betlehem ons geen vrede op aarde met zich meebrengen? De Franse loopgraven en die van de Duitsers aan de kant van Zillebeke lagen naar verluidt amper 15 meter van elkaar verwijderd.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


