banner
sep 28, 2021
1177 Views

De wijk van Noerdamme

Written by
banner

Toch moet ik verder. Ik ben het verplicht aan mezelf. De Goede Week voor Pasen is aangebroken. De processen en de terechtstellingen in Belle, Waasten en Veurne zinderen nog na bij de mensen. De pachters, landlieden, koopmannen en de passagiers durven het weer aan om de weg naar Waasten te gebruiken. Toch blijft de begeleiding van de konvooien bestaan. Elke dinsdag en donderdag en dat voor een gerust gemoed bij de kleine man. God heeft zo net voor de Goede Week toch wel goed gewerkt en die misdadigers aan het gerecht uitgeleverd.

De Goddelijke voorzienigheid heeft zijn ding gedaan: wie een put maakt om een ander er te laten in vallen die zal er zelf belanden en in de gevangenis verzeilen. Geloof me vrij: God heeft de touwtjes nog helemaal in handen, hij is het die regeert en hij zal alle boze mensen op de rechte pad krijgen. Het is zeker een positieve zaak dat al die slechteriken nog voor hun dood de penitentie van hun zonden kunnen krijgen, het kwaad achter zich laten en weer in deugd gaan leven. Enfin, eventjes toch. Dat is zeker te verkiezen boven schapen die staan te wachten in de maneschijn.

19 april 1590. Witte Donderdag. De oude tradities komen weer boven. De Lazarussen komen op straat. Zowel poorters als vreemdelingen stappen mee op. De huisjes staan weer opgebouwd voor de voute. Op Goede Vrijdag bouwt met het schoonste exemplaar. Helemaal behangen met tapijten en binnenin wordt een stoel geplaatst. De zieke mensen krijgen een prachtsermoen te horen van pater Lodewijk, een jezuïet.

Hij vertelt een story uit het evangelie. Over de arme Lazarus en de rijke vrek. Onze pater heft een vermanende vinger op naar alle zieken hier in de stad. Ze moeten geduld hebben, hun leven zal wel beteren. Een vrouwspersoon zorgt ondertussen voor een weelderig gedekte tafel. En daar liggen hele stapels koeken op, allemaal van een stuiver. Tussen de hoop ligt er welgeteld één koek waar drie ponden in verstopt zitten. Al de zieke toehoorders mogen bij hun vertrek een koek uit de stapel kiezen. Honderdachtenzestig vreemde mensen zijn er op afgekomen en van Ieper zelf zijn er drieëntwintig poorters. De Ieperlingen krijgen voorrang en daarbij mogen ze nog hun buiken volgieten met gratis bier.

In Kortrijk wordt er nu echt gesproken over het vertrek van de Spanjaarden. Alexander Farnese stuurt prins Asculano nog een keer naar ginder. Met de boodschap dat ze allemaal kunnen beschikken als ze dat willen. Wie het wenst mag het leger verlaten, het zal niet als desertie beschouwd worden en de mannen krijgen zelfs een paspoort om naar hun land te reizen. En wie wil blijven kan dat ook, maar dan wel op voorwaarde dat ze een nieuwe eed van trouw afleggen. Er is niemand die goed begrijpt waarom de hertog van Parma nu plots dit voorstel uit zijn hoge hoed tovert. Hij laat trouwens in één adem weten dat iedereen netjes zal betaald worden. Dat is voorzien voor de week na Pasen.

Na de paasdagen komt de realiteit van de dag weer echt in beeld. De landlieden blijven het moeilijk hebben, veel ‘rooi’ betekent meteen hun deel van de ellende en miserie. De rest van de ruiters uit het leger van graaf Egmont zwerft kriskras door Vlaanderen en waar de paardenmannen opduiken richten ze verschrikkelijk veel kwaad aan. Ze lijken wel onze vijand nummer één terwijl ze feitelijk onze beschermheren zouden moeten zijn. Ze willen niet eens mee aan tafel schuiven in de huizen van de pachters. Vijf of zes gulden in de plaats van een maaltijd is voldoende en waar de bewoners dat soort geld vandaan moeten halen, daar zijn ze vierkant gerust in. En wie niet snel genoeg ingaat op hun eisen krijgt slagen zoveel hij of zij maar wil. Wat een plaag toch voor het land. Tijdens de mesdagen van Pasen blijkt vooral de streek van Reningelst te lijden onder deze terreur.

De ellende met deze ruiters houdt de Westhoek in de ban. De paardenmannen zijn afkomstig uit Frankrijk en hebben het nu plots gemunt op Hondschote maar daar verdedigen de inwoners zich kranig zodat de ruiters hun focus noodgedwongen verleggen naar de regio van Veurne-Ambacht. Ook hier staan de landhouders hun mannetje. Vanuit hun sterkte vechten ze stevig terug. Ja dat zal wel als ik jullie vertel dat er twaalf dode Fransen achterblijven. Sommigen hebben het zelfs over zestien doden. De lieden van Egmont zorgen dat ze er weg zijn. Op de avond van de 1ste mei doemen ze plots op in Vlamertinge. Zeker honderd ruiters, ik kan heel goed begrijpen dat hier grote paniek uitbreekt bij de bewoners.

Veel Vlamertingenaars gaan zich direct verschansen in de kerk. De meeste vrouwen en kinderen trekken te voet naar Reningelst omdat dat dorp al eerder geplunderd werd. De cavaleristen proberen alle mogelijke middelen en trucs uit om zich een toegang tot de kerk te verschaffen, maar dat lukt niet echt. Rond 22u is er zelfs een Vlamertingenaar die een geweerschot lost vanuit het gebouw. Meteen het sein voor de nietsnutten om het hier op te geven. Ze verleggen hun actieterrein nu naar de wijk van ‘Den Ouderdom’ (Noerdamme) waar de inwoners het vertikken om hun deuren te openen. De mensen hier zijn wel zo pienter om de ruiters door hun vensters wat eten aan te reiken waardoor ze hun honger en hun agressie wat stillen. En zo komt de Ouderdom er zonder noemenswaardige ravage van af. Dat kan de volgende dag allerminst gezegd worden van Dikkebus en Kemmel die dit keer wel de volle laag krijgen.

Uit deel 8 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Dagboek van Augustijn –

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *