banner
Jul 7, 2025
121 Views
Reacties uitgeschakeld voor De Witte Kaproenen

De Witte Kaproenen

Written by
banner

Ieper. Op 15 september 1377 zijn de wethouders vervangen. Kort daarop begint het gemeen zich te roeren. Hannin de Werd stelt zich aan het hoofd van de ontevreden arbeiders en roept luidop dat ze in staking zullen gaan maar het nieuwe stadsbestuur laat de man oppakken en onthoofden. De mannen gaan noodgedwongen weer aan het werk, maar de colère groeit met de dag. De schepenen blijven alert. De wet is scherp en genadeloos. Het gerecht heeft volop zijn werk en zo blijft de toestand min of meer onder controle. Op 5 september van het jaar 1379 breken er rellen los in Gent. Rogier van Outrive arresteert zonder inspraak van zijn stadsbestuur een Gentse wever en gaat hiermee frontaal in tegen de stedelijke privileges.

Het hek is onmiddellijk van de dam. De ontsteltenis van het broederschap van de wevers is groot. De grafelijke gerechtsofficier bekoopt zijn euvele daad met zijn leven. Het geweld sleept ettelijke dagen aan. Grote ambras met de baljuw die hardhandig optreedt. De stoottroepen van de Gentenaars, de Witte Kaproenen, trekken gewapend naar het huis van de graaf in Wondelgem dat ze in brand steken. Met vijfduizend woeste wevers trekken ze nu naar Deinze en naar Vijve en van daar naar Kortrijk. De 16de september staan ze in Menen.

Overal houden de mensen zich gedeisd, bang voor het brute geweld van die Gentse arbeiders. De graaf reageert. Hij roept een hele schare edelen op om naar Ieper te komen. Hendrik II van Beveren, de burggraaf van Diksmuide en de kamerheer van Lodewijk van Male, trekt de kar voor zijn graaf. Hij arriveert in de stad met een flinke tot op de tanden gewapende militie uit Veurne-Ambacht, Bergen-Ambacht en uit Poperinge. Er is ook volk van de kasselrij van Ieper en uit de kleine stadjes van het Ieperse opgetrommeld. Ieper zal weerstand moeten bieden tegen die van Gent. Zoveel is zeker. Maar niet iedereen in Ieper is opgezet met al dat volk in de stad.

De arbeiders voelen zich ongemakkelijk met al die grote mijnheren in de stad. De graaf, de rijke burgerij en de adel. Wat hebben zij er aan om te vechten tegen hun Gentse lotgenoten die in opstand gekomen zijn tegen hun povere levensomstandigheden? Kijk nu naar de prijs van het brood. Op enkele weken tijd is die prijs gestegen van twee denieren tot liefst twaalf denieren voor één enkel brood. En binnen enkele dagen zal er zelfs met goud geen meer te kopen vallen. Veel tijd is er niet om na te denken. Het is zaterdag 17 september van het jaar 1379. Kort na de middag staat de Gentse meute voor de Komenpoort.

Een zekere Stuviuc beukt ongenadig met een zware smidsehamer de sloten van de poort aan diggelen. In de kortste tijd staan de Gentenaars binnen de stad. Hendrik en zijn edelen hadden zich verzameld op de Grote Markt en ze sturen nu een divisie naar de Komenpoort om de weg voor de tegenstanders te beletten. De goede lieden van de stad hebben zich eveneens achter de grafelijke banier geschaard. Ze laten zich verrassen door de agressiviteit en de numerieke meerderheid van de razende indringers. Er wordt heen en weer geschoten. Vier of vijf Ieperlingen worden een kopje kleiner gemaakt en die van Gent rukken ongegeneerd op naar het centrum van de stad.

De rest van de edelen en de burgers maken dat ze uit de weg zijn en verschuilen zich paniekerig voor de woede van dat volk. De stad ligt nu open en bloot voor de Witte Kaproenen. Vooral de paarden en de wapens zijn een ideale buit. De volgende dag staan ze met zijn allen zwaar bewapend op de Grote Markt. De kronieken vertellen het. ‘Zo batelgierden hem die van Ghent up de maerct ende tcommun quam van allen zyden van buuten poorten in ende met luude clocke ende scelle, ende Jacob Van der Berst stelden voort ende riepen aleens Vlaendre en Leeuwe onse vryhede behoudende.’ Wat te verwachten viel, gebeurt.

Het simpele volk van Ieper, het gemeen, onder leiding van de roekeloze Jacob Van der Berst, sluit zich aan bij de Gentenaars. Wat ze op dat moment nog niet kunnen bevroeden, is dat diezelfde Van der Berst op Sint-Bartolomeüsdag van 1380 door de gemeente zal aangesteld worden als nieuwe voogd. Maar daar zijn we nog niet aangekomen. We keren terug naar september 1379. De massa vernielt de versterking van de burggraaf Jan van Oultre en trekt nu op naar het Zaelhof, ‘myns heeren huus’, maar dat blijkt niet open te breken. Vermoedelijk wordt het zwaar verdedigd door de gevluchte milities. Na zes dagen houden de Gentenaars het in Ieper voor bekeken.

Ze stellen Jacob Van der Berst aan als sterke man in Ieper en trekken op vrijdag naar Diksmuide en vandaar naar Veurne waar opnieuw paarden en waardevolle goederen buit worden gemaakt. Nu is Nieuwpoort aan de beurt. Brugge en Sluis sluiten het rijtje af. Het volk heeft de macht gegrepen in Vlaanderen. Na enkele dagen rust in Gent, trekken ze nu op naar Oudenaarde waar de graaf zich met 1.500 edelen en de hoge pieten heeft verschanst.

De mannen van Ieper rukken op naar Oudenaarde. Met bij zich een reusachtige slingerarm, de ‘blyde’, die omschreven wordt als een ‘zeere groot engien’, en die nogal wat ravage aanricht binnenin de stad. De wurggreep op Oudenaarde houdt aan. Het proviand van de belegerden begint te slinken: ‘hare provantse begonste zeere dinnen’, zodat ze genoodzaakt waren om spoorslags om hulp te gaan zoeken. Die hulp vinden ze bij de schoonzoon van de graaf, de ‘coming man’ Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië.

Het beleg van Oudenaarde houdt aan van midden oktober tot 3 december 1379. De geduchte Filips de Stoute stelt zijn omvangrijk leger op ter hoogte van Pontterone en wacht hier af wat er zal gebeuren. Eigenlijk moet zijn schoonvader zelf zijn boontjes maar zelf doppen. December betekent het begin van de winter. En in het winterseizoen wordt er geen oorlog gevoerd. Geen gras en voer voor de paarden. Er wordt onderhandeld over een tijdelijk bestand. De graaf vergeeft de Gentenaars en allen die met hen meezeulden voor hun wandaden en belooft de stedelijke privileges in stand te houden. Het beleg wordt afgebroken.

De Witte Kaproenen trekken tijdens de Sint-Andriesdagen naar huis. De brief met de grafelijke intenties wordt de 4de december voorgelezen voor de arbeiders van Sint-Maartens. De gilde van de ambachtslieden hoort dat Lodewijk van Male hen ongestoord zal laten en dat ze kunnen blijven genieten van hun stedelijke voorrechten. Blijkbaar wordt er ook inspraak beloofd in het beleid want de graaf zal vijfentwintig afgevaardigden uit de drie goede steden van Vlaanderen één keer per jaar uitnodigen in de Raad van Vlaanderen. Negen van Gent, acht van Brugge en acht van Ieper. Mynhere van Vlaanderen houdt zich voor de rest voorlopig gedeinsd in Rijsel. Hij beseft ook wel dat de rust tijdelijk is.

En dat blijkt effectief ook zo in mei 1380. Na de Ieperse marktdag trekt een hele groep Ieperlingen naar Gent en sluiten ze zich aan bij de mistevreden Gentse poorters. Samen haasten ze zich opnieuw naar Oudenaarde, waar ze de Waelpoorte openbreken. Ze slaan en moorden en vandaar gaat hun tocht verder naar Aalst waar ze her en der zware schade aanbrengen. Rond de 7de mei arriveren ze voor Dendermonde. De 9de mei schrikken de Ieperlingen op als een groep ruiters zich aankondigt bij de stadspoorten.

Een boodschapper van de graaf en enkele van zijn sergeanten brengen een brief van de graaf. De brief wordt aan de Lakenhalle voorgelezen. De teneur van de boodschap is duidelijk: kan de graaf van Vlaanderen eigenlijk nog rekenen op de Ieperlingen? Jacob Van der Berst en zijn arbeiders hebben toevallig de hele morgen te Sint-Maartens vergaderd rond de vraag van de Gentenaars om hen ter hoogte van Dendermonde ter hulp te komen en te steunen bij de opstand van het werkvolk. De keuze ligt nu bij de Ieperlingen. Onder welke standaard zullen ze postvatten?

Zullen ze meestappen onder de grafelijke banieren of kiezen ze voor de opstand? Olivier van Steenbrugghe, de baljuw in Ieper, kiest natuurlijk de zijde van zijn graaf, maar Jacob Van der Berst roept luidop dat er moet worden gekozen voor solidariteit met hun Gentse broeders. Het ‘goede’ volk roept ‘ja’ aan de oproep van de graaf en blijft de baljuw steunen. De grote meerderheid van de mensen tiert en buldert ‘nee’, ‘nee’,’nee’. ‘Ende hier huut rees eene groote wapeninghe ende men luude clocke ende scelle ende quam de balliu ende donderbailliu Franse Dale ter maerct by den trooste van eenighe goede lieden ende daer ghebatelgiert zynde worden moghenst de weverie ende de vullers.’

Het zit er bovenarms op tussen de partijen. De poorters en de ambachtslieden dreigen er mee de woning van de baljuw aan te vallen. Eén iemand heeft zich nog niet uitgesproken voor welke kant hij zal kiezen. Het is Jan Coppin, de deken van vier kleinere neringen. De burgerij kijkt vertwijfeld naar Jan Coppin. Copin Coppin, zijn zoon, maant Jan aan om de kant van de wevers te kiezen. Diens rechterhand Frans van den Ghilthuuse slaat met zijn zwaard de ramen van het huis stuk en roept ’te wapen’.

Opnieuw luiden de klokken in de stad. De vier ambachten hebben de kant gekozen van de wevers en de volders. Jacob Van der Berst en het volk van de Sint-Jansparochie vervoegen nu de massa. Van alle kanten stromen de mensen toe en groeit de meute uit tot één uitzinnige kolk van frustratie. Er volgt een moordpartij in regel. De gegoede burgers en de finefleur van Ieper krijgen er van langs. Tien onder hen worden dood geslagen. Het aantal gewonden valt amper te tellen. Hun eigendommen worden door de opstandigen aangeslagen. De graaf waagt zich enkele dagen later in Wervik in een poging om de gemoederen in Ieper te bedaren en orde op zaken te stellen.

Want ook in Brugge en in het Westland is het één en al chaos en rebellie die de klok slaat. De Gentse Kaproenen beseffen dat de graaf kwijlt om te kunnen ingrijpen en zakken met 4.000 à 5.000 man af, ‘rechtevoort tYpre’. Lodewijk van Male kiest het hazenpad en keert terug naar Frankrijk. De Gentenaars slaan in de Ieperse binnenstad vijftien poortershuizen kort en klein. De furie van de Witte Kaproenen raast verder doorheen het hele Westland waar veel woningen van graafsgezinden er moeten aan geloven.

Ze dreigen er nu ook mee om het bolwerk van Veurne aan te vallen. Maar die van Brugge en het Brugse Vrije willen niet dat ze schade zullen berokkenen in Veurne en ze proberen met die van Gent in Nieuwpoort te onderhandelen. In Brugge is de tweespalt tussen voor- en tegenstanders van de graaf goed te vergelijken met de toestand in Ieper. Hoewel een meerderheid toch graafsgezind is. Het botert al jaren niet tussen Gent en Brugge. De Gentenaars willen kost wat kost vermijden dat die van Brugge het kanaal tussen beide steden willen afwerken en dat steekt in Brugge.

De rijke burgerij vreest de agressieve Gentenaars, maar vooral de massa Brugse wevers kiest de zijde van hun Gentse lotgenoten. Een militie van Gentenaars, Ieperlingen en Kortrijkzanen komt na de gesprekken in Nieuwpoort opstomen naar Brugge waar ze de binnenstad binnendringen. Aan de Vrijdagmarkt staan de Brugse textielarbeiders te drummen om zich aan te sluiten bij de opstandelingen. Maar de gehate Leliaards, de Fransgezinde burgers en de rest van de neringen proberen het gepeupel, ‘het quaet beleet’, met man en macht en met bruut geweld aan te pakken. Er ontvouwt zich een ware slachting.

Een hardhandig treffen tussen twee bataljons Bruggelingen en die van Gent. De Gentenaars vallen eerst aan, maar kunnen niet vermijden dat ze uit de stad worden gedreven. ‘Op dicendach den 29ste dach van Meye int jaer 1380’, verliezen zeventig opstandige wevers hun leven. De 8ste van de Wedemaand (juni) nemen een groepje medestanders van de graaf Poperinge zonder enige weerstand in. Maar dat breekt hen zuur op. Jacob Van der Berst en achthonderd van zijn lieden komen orde op zaken stellen in de Ieperse buurstad. Zeker honderd graafsgezinden worden geliquideerd terwijl de rest halsoverkop moet vluchten. Paarden, karren en alles wat enigszins waardevol is, wordt door de Ieperlingen buitgemaakt.

Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek

 

Article Categories:
fragment uit deel 4
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.