Een goê honderd jaar geleden woonden aldaar twee brave mensen: Pieter Gezelle en Monica Devrieze, die op 1 mei 1830 van den lieve Heer een wonderkind kregen, Guido Gezelle.
Niet ver van de Sint Kruisvest ligt de Stille Rolweg. Daar staat een huizeke met sturen voorgevel en hoge schoorsteen. Een goê honderd jaar geleden woonden aldaar twee brave mensen: Pieter Gezelle en Monica Devrieze, die op 1 mei 1830 van den lieve Heer een wonderkind kregen, Guido Gezelle.
Het wichtje had zo’n groot hoofd dat de dokter zei: laat het maar gauw dopen, want God weet of zulk een kind in ’t leven blijft.
Het schamele Gezelleke spartelde er echter door. Zijn twee broers en zijn twee zusters overvleugelden hem in sterkte en kwajongensstreken. Wel kon het aardige ‘Dootje’ meedoen in leute en spel, doch liever zat hij stil te luisteren naar vaders ellenlange zeisels en vertellingen. Vader Gezelle was een mens van de oude trant en het oud geloof. In zijn jonge tijd was hij uit Napoleons leger weggelopen, omdat de keizer door de Paus in de ban gedaan was.
Nu was hij tuinier en deed er een beetje vlashandel bij. Hij had een radde tong en een koekengoed hart. Hij stond in den Rolweg bekend als de filosoof van ’t hoekske, als een ‘aardigaard’, zoals Guido later zelf getuigde. Moeder Gezelle echter was een ingekeerd zwijgzaam mens, die gaarne in een hoekje een paternoster zat te bidden of een pijpje te roken. Guido liep zo graag mee naar ’t lof met moeder, onder haar wijde mantel, en even graag met vader naar de hof. Daar leerde hij te luisteren en te kijken naar vogels en bloemen, naar zon en groen, naar wind en weer en wolken. En als de andere Gezellekes aan het ravotten waren, sloop Guido meer dan eens naar de Sinte-Kruisveste. Stille mantelvrouwtjes schoven langs de vrome huisjes en van de nabije landouwen waaide hem een malse geur te gemoet. Op de veste stonden de reuzegrote molens. En daarboven zat molenaar Ghevaert, die uit de Bijbel las of preekte lijk een pater over ‘Farao’ en de wonderen van Egypte.
Van jongs af bleek het dat Guido een kop apart had om te leren en te dromen, al was dat grote hoofd ontstoken van ’t danig zeer. Guido was de eerste van al de stadscommunicantjes. De pastoor zei het, zijn meester ook: Guido moet voortleren.
Dat gebeurde ook.
Eerst ging Guido een paar jaar naar het college te Brugge. Daarna mocht hij naar Roeselare, waar hij portierke speelde om het schoolgeld in te winnen. Achter zijn portierdeurtje heeft hij meer geleerd dan in de boeken. De kinderen joelden en dansten zijn vensterke voorbij. En Guido, die lijsoore, zat met een monkellach de kinderen af te luisteren:
En de boom en de boom
en de goddelijke boom,
en de boom die staat in d’eerde !. ..
of van Masoefelke.
of naar de fruitventer:
Peertjes rijp en rond,
ze smelten in je mond,
aan vijf cens ’t pond.
Of als de sterreman tegen kerstdag passeerde…. Hij zei al die dichtjes en deuntjes na, en tekende ze op in zijn boekske. Daarmee was hij begonnen aan een werk, waaraan hij heel zijn leven lang zou voortdoen. Hij was verzot op ’t schoonklinkende Vlaams, zot van oude woorden en wendingen, precies als zijn vader. Op zeventienjarige ouderdom dichtte hij reeds. Een van zijn eerste gedichten was ”t Schrijverke’:
O krinkelende, winkelende waterding
met ’t zwarte kabotske aan,
wat zie ik toch geren uw kopke flink
al schrijven door ’t waterken gaan!
Portier zijn is dus nog zo dom niet! Dat stieltje vernederde hem nochtans in de ogen van zijn studiemakkers. Zijn lieve vader wilde er niet meer van weten, en de man had liever zelf honger en armoede geleden om zijn jongen onbevangen te laten leren, omdat hij wist dat zijn jongen voor priester studeerde, dat het voor Onze Lieve Heer was.
Wie zal kunnen zeggen hoe preuts en gelukkig Petrus Gezelle was, toen in 1854 zijn zoon te Brugge priester gewijd werd.
Te Roeselare was er in de dichtersklas een nieuwe leraar nodig. Gezelle werd er benoemd, en hij stond weldra overgelukkig voor een schone bende studenten, vertelde over de oude dichtwerken, over de oude christen Vlaamse legenden, over het schone Vlaams klinkende woord – in een tijd dat alles wat de klok sloeg Frans was, Frans bovenal.
Gezelle zelf gaf het voorbeeld. Hij dichtte en deunde een heel boekje vol ‘Dichtoefeningen’ voor zijn beminde leerlingen. Het spreekt vanzelf. dat er uit zijn klas grote koppen gegroeid zijn: Hugo Verriest, Karel de Gheldere, Eugeen Van Oye, enz.
Daar zat ook het bleke Wardje Vandenbussche van Staden. De jongen moest ziek en zuchtig naar huis, om er te sterven. Gezelle trok met zijn hele klas te voet naar de begrafenis. Een goddelijke schone dag was het, en midden al die heerlijkheid, de begrafenis van die goede stille jongen.
Gezelle was zo vol van al die schoonheid, te lande en in de kerk, dat hij de plechtigheid beschreef in één van zijn schoonste werken, ‘Kerkhofblommen’. In een paar dagen lag het klaar. Flinke jongens als gij kunnen het lezen en genieten. Wie kent er het stuk niet van buiten: ‘Traagzaam trekt de witte wagen’?
Twee jaar leefde Gezelle, zo gelukkig en onbekommerd als een kind in het midden van zijn leerlingen. Toen werd hij ineens als leraar ontslagen. Zijn droom, zijn vreugd en zijn trots is als een rook verzwonden.
Hij wordt onderpastoor te Brugge. Het dichten ligt voorloopig stil. Hij wijdt zich nu heel en al aan de studie van de Vlaamse taal en zeden. Hij sticht het merkwaardig tijdschrift: ‘Rond den Heerd’ en ziet doodgaarne de simpele arme menschen. Doolaards Iaat hij ’s nachts in zijn huis slapen, en als de zwarte cholera in de Brugse straatjes woedt, ziet ge Gezelle, huis uit, huis in lopen om te helpen en te troosten. De mensen zeiden: ‘Mijnheer Gezelle is nievers van benauwd.’ Alles geeft hij weg aan de armen, hij moet ook het drukwerk van ‘Rond den Heerd’ betalen, en heeft dan nog een meid die, buiten zijn weten drinkt en schulden maakt op zijn naam. Gezelle geraakte aldus over kop in schulden. Hij wordt er ziek bij. En in de Rolweg zit vader Gezelle eveneens in de armoede.
Gelukkig dat hij naar Kortrijk mocht, waar hij 27 jaar van zijn leven zal slijten. Kortrijk, een nieuwe lucht, een nieuwe genegenheid, een nieuw leven voor Gezelle. Hij dicht weer, en wordt de levende zingende Vlaamse nachtegaal. Hier staan zijn werken in een schone rij: Rijmsnoer, Tijdkrans, enz.
Ondertussen blijft Gezelle de grote volksvriend, en geeft zich arm, het schone laken voor een nieuwe soutane, zijn dikke wintertrui, en, als ’t geld op is, zijn paraplu, ’t is al voor den arme. Hij mocht wel dichten:
Armoede lief, hemels gerief!
Ondertussen groeit zijn naam en faam. Hij wordt gevierd en vereremerkt, maar als men hem wil uitroepen tot koning van de Vlaamse taal, staat hij simpel en verlegen recht, en spreekt deze heerlijke woorden:
‘Och, als ik dan toch een koning moet zijn, dan ben ik maar liefst de derde, de zwarte Melchior, die achteraan komt gesukkeld, dragende in m’n handen een tuiltje verlegen veldblommekes, die ik plukte langs de akkers van Vlaanderland.’
Als ze u beginnen te vieren is het een teken van ouderdom. Gezelles levensavond was dichtbij.
Hij werd naar Brugge geroepen om bestuurder te zijn van het Engels klooster. Bij zijn heengaan uit het geliefde Kortrijk sprak hij deze profetische woorden: Een oude boom en wil niet meer verplant worden.
Kort daarop lag Gezelle op zijn sterfbed. Op het kloosterdak daarnevens zat nog een wipstaartje te schetteren. De moede ogen van de dierbare stervende sloegen nog eens op en hij monkelde: ‘Ik hoorde zo geerne de veugeltjes schuifelen’.
De zoon van zijn broer, die priester was, Cesar Gezelle, bediende de stervende dichter. Tot deze neef sprak Gezelle: ‘Ik heb geleefd in de eenvoud en oprechtheid van de harten.’ Toen sloot hij voor eeuwig zijn ogen, die zoveel schoonheid hadden gezocht en gevonden.
Het was op 27 november 1899.
Op Sint-Elooisdag werd hij begraven als een vorst. Klein en groot was er bij, en nu waren ze allen akkoord om te zeggen: hij was de grootste Vlaamse dichter, hij was een heilig priester, een Vlaming uit één stuk …’ Nonkel pastoor keek op naar zijn borstbeeld: niemand van ons roerde.
Mijn Vlaanderen spreekt een eigen taal,
God gaf elk land de zijne
en laat ze rijk zijn, laat ze kaal,
z’is Vlaams en z’is de mijne!
Uit ‘Ons schoon Westvlaanderen’ van F.R. Boschvogel (1945)


