banner
sep 28, 2018
1842 Views

Slunsen, spellen en ricoorden

Written by

Naast de handel aan huis, heeft te Roeselare in alle tijden ook een bloeiende leurhandel bestaan, waarbij de koopwaar langs de straat, van huis tot huis, werd aangeboden. Blijkens het ‘Register Protocol’ werden de huizen in de 18de eeuw door tientallen rondventers bezocht.

banner

Naast de handel aan huis, heeft te Roeselare in alle tijden ook een bloeiende leurhandel bestaan, waarbij de koopwaar langs de straat, van huis tot huis, werd aangeboden. Blijkens het ‘Register Protocol’ werden de huizen in de 18de eeuw door tientallen rondventers bezocht, die er de meest verscheiden en zonderlinge ‘artikelen’ aan de man trachtten te brengen. Daar was vooreerst Renier d’Iser, f (iliu) s Renier, ‘sigh geneirende met coopen slunsen, vellen, etc.’. Daar was Aurelius Augustinus Monstrul, fs. Steven, ‘pottebacker van ambacht en sigh geneirende met slunsen te coopen’.

Daar was Ciprianus Verburch, fs. Pieter, ‘sigh geneirende met slunsen te coopen’. Dat waren de ‘opkopers’ van ‘slunsen en been en keunevellen’. Daarnaast kwamen degenen die zowel kochten als verkochten, en gedeeltelijk van ruilhandel leefden: Pieter Joseph Cuveele, fs. Jacobus, ‘sigh geneirende met wildt, vellen, spellen en lindt te coopen en vercoopen’ ; Antonius Castelain ‘sigh geneirende met vodden te coopen en te vercoopen, spinne pijpen, vlieghers, toortels, pesen, spillen, snuijf’ en andere waren;

Joannes van Houplines, ‘coopende slunsen en spellen vercoopende, ricoorden en liedekens’. Anthonius Houthooft, fs. Antone, ‘vlasch, touback ende slunse cooper’, was ‘ordinairelijck geaccompagneert’ door Joannes van Rapenbusch, die zelf ‘neusdoeken, perpetuelen’ en andere onmisbare zaken verkocht. Joseph Ingels, fs. Michiel, ‘sich geneirende met coussen, sijde neusdoucken, faillen, droguen ende alle andere coopmans goederen te coopen ende vercoopen’, had zijn werkkring naar alle zijden uitgebreid: ‘soo te lande als binnen dese stede’.

Deze wandelende handel heeft, in de loop der tijden, zoveel verdiensten afgeworpen, dat hij in latere tijd met geestdrift door de ‘Nieuwmarktenaren’ werd overgenomen, die intussen hun werkterrein naar alle Gods windstreken hadden verbreid. Met hun geruit ‘pakkleed’ op de rug of, indien zij welstellend waren, met paard en lange tweewielige ’traamkar’, waarvan de wanden uit ‘schetten’ en de bodem uit gevlochten koorden waren gemaakt, liepen zij, van Pasen tot Kermis en van September tot Kerstmis, de steden en dorpen af van Vlaanderen, Wallonië, Nederland, Frankrijk, Spanje en Noord-Italië, en verkochten er zeep, garen en lint, bezems, dweilen, potten en pannen, heiligenbeelden, koper en tin, kaas, specerijen en lucifers of ‘Roeselarenaars’ van 20 cm. lengte, waarvoor zij als ‘sulfermannen’ of ‘sulferdoppers’ waren gekend.

Of ze reden rond met bloemkolen en strooien zetels. Of zij gingen op de buiten lang vrouwenhaar opkopen, dat zij, aan de pruikenmakers weer verder verkochten. Toen de nieuwe tijd ook nieuwe zeden bracht, hebben zij zich tot het leuren met kleerstoffen bepaald, die nu per auto worden omgevoerd.

Uit Frankrijk hebben ze de herbergnamen ‘Den Haver’ en ‘Lisieux’ meegebracht, uit ‘Oland’: ‘Breda’, ‘Middelburg’, ‘Tilburg’ en ‘Vlissingen’.

Onder alle venterszaken, die aldus in het nieuw en oude Roeselare zo welig tierden, was er ondertussen één, die met een werkelijke voorliefde werd bejegend en een enorm afzetgebied schijnt te hebben gevonden; het was de vishandel! In het ‘Register Protocol’ van de 18de eeuw staan niet minder dan 37 ‘visvoerders’ opgetekend, die veelal tot dezelfde familiestam behoorden, waaruit kan worden besloten dat het ‘leuren’ met vis een familiezaak was geworden.

Daar was vooreerst de familie Van Outrive: Joannes van Outrive, fs. w(ilen)t Joannes, ‘vischvoerder’, en Pieter van Outrive, fs. Augustin, ‘vischvoerder van stijle’. De Engels en Ing(h)els stuurden reeds meer vertegenwoordigers uit: Eugenius Engels, ‘kindt van Michiel, oud 14 jaeren en half, voerende visch en mosselen voor syn ouders’; Joannes Ingels, ‘vischvoerder van stijle’ ; Joannes Inghels, ‘vischvoerder van stijle, ende bollesche kaes verkoopende’. Doch de familie Deckmijn scheen haar ganse bestaan aan de vis te hebben verpand: Fransois Deckmijn, fs. Pieter, ‘sigh geneirende met visch en kaes te vercoopen’; Franciscus Deckmijn, fs. Franciscus, ‘sigh geneirende met visch te haelen naer de zee en te vercoopen’; Constantinus Deckmijn, fs. Franciscus, ‘sich geneirende met vis… te vercoopen’; Frans Deckmijn, fs. Frans, ‘visch voerder ende ter oorsaecke wekelijk moetende gaen naer eene zeestede, ende somwilent gaende om caes te … [hier is een woord uitgevallen] in de naburige prochien, dit tot onderhoud van Sijne vrouw ende kijnderen’; Pieter Deckmijn, fs. Pieter, ‘vischvoerder van stijle ende gaende gemeenelijck alle weke naer d eene ofte d andere zeestede om visch soo verschen als gesouten, ende naer dies den selven vervoerende naer d eene ofte d andere stede ofte dorp onder de dominatie van den keijser ende coningk’.

Sommige andere families daarentegen stelden zich met minder tevreden; in de familie De Raet was Pieter Joannes, fs. wt. Jan, de enige die er op uittrok om ‘visch te haelen naer de zee ende inde steden en prochien te vercoopen’, evenals Pieter Bruneel, fs. Balthasar, ‘hebbende op den reghter arm geteeckent den naem jesus ende op den lijncker eenen ancker, vischdraeger van style’.

Ook dit bedrijf hebben de Nieuwmarktenaren van het voorgeslacht overgenomen, hoewel ze zelf beweren uit een Blankenbergs vissersgeslacht afkomstig te zijn”, Nog in de 19de eeuw trokken velen van hen iedere week naar Oostende of Blankenberge om vis te halen, wijl andere ‘kassemareiers’ ze in korven op de rug naar de omliggende dorpen gingen ‘leuren’. Ter blijvende gedachtenis daaraan hebben zij op de Nieuwmarkt het ‘Visschers Huis op Vaderen Grond’ gevestigd.

Intussen hebben ook andere Roeselarenaren hun bestaan in het ‘leuren’ gevonden, met vis, ‘geernaards’ en mosselen niet alleen, doch ook met melk, groenten en fruit. En nog kan het gebeuren dat ‘spellen, ricoorden en lindt’ van deur tot deur worden gedragen. Ter verdediging der belangen van Nieuwmarktse en andere venters, werd daarom in 1935 de ‘Bond der Leurders’ opgericht.

Zo trachten handelaars, leurders en winkeliers met alle beschikbare middelen, dag aan dag, jaar in jaar uit, hun ‘steke te staan», elk op eigen weg en eigen manier. Doch éénmaal in de week ontmoeten zij elkaar, op de dinsdagmarkt, die voor de eerste maal in het jaar 957 of 958 zou ingericht geworden zijn: ‘Hypram … Rosilarium, cum aliis plerisque locis in melius reparata auctaque preterea mercaturae commercia’.

Naar Keltische manier was de marktplaats, om en rond de stadshal, in verschillende vaste onderverdelingen ingericht. Men vond er achtereenvolgens, beginnende in het noordoosten: de Fruitmarkt of Appelmarkt, de Kiekenmarkt of Pouilliemarkt, de Lijnwaadmarkt, de Vismarkt, de Vlasmarkt, de Garenmarkt, de Botermarkt, de Korenmarkt, de Lentemarkts, de Graanmarkt en de Lakenmarkts.

Elk gilde nam er zijn eigen standplaats in, en bij het luiden van de ‘wijngeroenscelle’ op de halletoren werd de markt officieel geopend. De boter, die in ‘cuypen, potten ofte seulen’ werd aangebracht, moest, bij de verkoop, in de weegschaal der halle gewogen worden: ‘sal den vercooper de boter aldaer vercocht aen wije dat het zij ghehouden wesen te leueren Jnde weechschaele deser stede Jnden torre hanghende, ende den cooper ghehouden die aldaer t’ontfanghen’.

De ‘kutsers’, die de goede boter met minder goede vermengden, en de voortverkopers mochten slechts na 10 uur op de markt verschijnenê, zoniet konden zij door de stadsdienaars worden bestraft: ‘betaelt de dienaers deser stede dat zy huerl. debuoir doen omme voortvercoopers ende cutsers te calaingieren’.

Door de viskeurders werd alle ‘harinck ende zeevisch’ gecontroleerd, ’ten eijnde zy verclaren oft tzelve is goet vercoopbaer ende niet gheinfecteert goet … ende indien den visch quaet ende by hemlieden afghewesen waere zal verbueren den vercooper zes p.p. van elcke tonne ofte corf ende t’visch t’zijnen coste ghedolven te worden’.

Het was de vishandelaars niet toegelaten meer dan vijftig verse haringen van één vaart op de markt te brengen. – Het gilde der beenhouwers bezat in de middeleeuwen zijn eigen ‘Vleeshuis’ in de Zuidstraat, doch na de brand op het einde der 16de eeuw, werd hun een plaats ingeruimd in de stadshal, waar ‘vleeschstallen’ in de kelder stonden opgesteld, en waar zij ’s dinsdags, de zaterdag namiddag en de zondag voormiddag ’totter hoochmisse’, hun vleeswaren uitstalden en verkochten.

Dieren, ‘die barbiers ofte Lazarus upghevoet hebben’, mochten niet worden te koop geboden, wijl de melaatsen ten zeerste werden gevreesdê, en de barbiers-heelmeesters, na het aderlaten der zieken, de dieren somtijds mensenbloed te drinken gaven. Evenmin was het toegelaten vlees te verkopen ‘van verdroncken beesten, ofte die in haerlieder selfs bloet versmoort zijn, van vorte renderen, coijen, ongaensche, (bedorven) swijnen ofte schuerfde schapen’, en als het vlees enigszins begon te bederven, waren de verkopers verplicht op hun toonbank een ‘root merckelic cleedekin oft lapken up een stocxken’ te hangen.

En tijdens de markt was het de thuisblijvende beenhouwers verboden ‘gheduerende den voornomden tijt eenich vleesch te vercoopen in haerlieder huijsen ofte ghehelden (omheiningen)’.

De halle werd ook ten dienste gesteld van de lakenhandelaars, die wel over hun eigen Lakenmarkt (zie boven) beschikten, doch van de ‘Lakenhal’ hun eigenlijk verkoophuis hadden gemaakt. Hun kwam overigens, omwille van het overwegend belang der weefnijverheid in de Roeselaarse volkseconomie, op de marktdagen de ereplaats toe. Door de stadsmagistraat werden geen offers te groot geacht om de vreemde lakenhandelaars te bewegen de reis naar Roeselare te ondernemen en er in de lakenhal hun aankopen te doen: ‘ghepresenteert de cooplieden van haesbrouc die hier quamen in onse stede ende cochten een groote nombre van lakenen ij kannen wyns’;

‘ghedeffroyert S” Cornelis Verlaeren coopman van andwerpen de welcke hem verbonden heeft alhier ter halle groot f(aiè)t te doene int coopen van rauwe Lakenen ende de halle zeer te Recommanderene, xvij lib. v sch.’8; ‘drye Jnghelsche coopluuden vervoorderende de nieuwe witte Laecken halle iiij kannen wyns’ ; ‘drye cooplieden van douay commende alhier veruoorderen de nieuwe witte laeken halle twee kannen wyns’ ; ‘drye cooplieden van ypre veruoorderende alhier de zelue halle ij kannen wyns’; ‘ghepresenteert vier cooplieden van atrecht ende eenen van ypre alhier commende omme tavenchierne de nieuwe witte laken halle … drye kannen wyns’.

Niet aan de vreemdelingen alleen, doch ook aan de eigen Roeselarenaren werd gevraagd hun laken in de stadshal te koop te bieden, en het nergens elders dan daar te kopen: ‘Die van Rousselaerambacht midts dat zy hemlieden verbonden hebben nergens huerlieder Lakens ter marct te draeghen zy en zullense alhier ter halle aluooren presenteren ende daermede ter vente staen, iij p.p.’; ‘ghepresenteert cooplieden deser stede midts dat zy hemlieden volontairelick verbonden hebben nerghens te coopene dan alhier ter halle, xxiiij p. xij sch. p.’

Deze bede werd de Roeselaarse en vreemde lakenhandelaars des te dringender gedaan, naarmate de lakenweverij verviel; met alle macht werd geijverd om de ondergang te vermijden van het Roeselaarse laken, dat éénmaal de roem van de stad had uitgemaakt. Was het derhalve niet gewettigd de kooplieden met alle middelen naar Roeselare te trekken? En was het niet om de hoogmoed en de kooplust der vreemdelingen te strelen dat de gasthoven ‘Brugge’, ‘Kopenhagen’ en ‘Riga’ op de markt waren opgericht geworden?

Uit ‘Het Roeselaarse Volksleven’ van Désiré Denys (1955)

Article Categories:
van onder het stof gehaald
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *