banner
Jan 19, 2019
2245 Views

Vleteren en cella Beborna

Written by

Wanneer Mommolien, Berten en Ebertram hun klooster van Luxeuil (Haute Saone, Frankrijk) verlieten om Omaars te gaan helpen in het prediken van het evangelie aan de Morinen, kregen zij van deze het goed Sithiu toegewezen, dat Adroald aan Omaars geschonken had.

banner

Vleteren en Beborna ten jare 806

Het Lieve-Vrouweklooster te Sithiu
Aldus het voorstel en de persoonlijke stellige overtuiging van Pater Bavo De Roose, … helemaal alleen. Zoals we reeds zagen, stond Pater Bavo sterk in reactie tegen de opvattingen van Deken Van de Putte van Poperinge. Hij aanvaardde zonder enig onderzoek dat de grond van Herlaar op Westvleteren lag: ‘De Proostdij van Poperinge had goed liggen te Westvleteren Sectie E.’

Dat zal dus wel het goed zijn dat in 806 gezegd wordt te liggen te Fletrinium’. Elders toont hij zich toch wat kritischer: ”t is mogelijk, maar niet bewezen, dat door Fletrinium Westvleteren moet verstaan. In den F’ranse tijd is immers een hoeve verkocht van 50 gemeten toebehoord hebbende aan Sithiu en gelegen te Westvleteren hoofdzakelijk tusschen de Westvleter-, Potte- en Nieuwestraat’. Hij verzette zich echter herhaaldelijk en met de grootste beslistheid tegen het idee van Van de Putte, dat Herlaar hoeve meteen een kloostertje werd, de proostdij van Beborna.

Om niet louter negatief werk te leveren, moest pater Bavo Beborna dan ook elders gaan zoeken, en dat deed hij inderdaad: ”Door cella Beborna moet men verstaan het klooster van O.L.V. (succursale van Sithiu) op ene hoogte, dienende voor begraafplaats (cella) der monniken’.

Over dat klooster meldt hij nog ‘Van het klooster Sithiu hing ook het klooster af van O.L.V. te Sint-Omaars en er verbleef dáár altijd een monnik van Sithiu’. Hij was overtuigd dat hiermee een definitief antwoord gegeven was op het probleem Beborna: ‘Had ik dat in den tijd dat ik nog moest meesteren te Brugge met Karel De Flou kunnen bekouten.

Nu zegt die in zijn Toponymie: Beborna onbekende plaats’.

Wanneer Mommolien, Berten en Ebertram hun klooster van Luxeuil (Haute Saone, Frankrijk) verlieten om Omaars te gaan helpen in het prediken van het evangelie aan de Morinen, kregen zij van deze het goed Sithiu toegewezen, dat Adroald aan Omaars geschonken had. Dit goed bestond uit een moeras in een lus van de Aa, met er naast een kleine heuvel. Het moerassig ‘eiland’ kon door noeste arbeid van de monniken drooggelegd worden, zodat het klooster er kon worden gevestigd. Toch bleef de ondergrond ongeschikt om er een begraafplaats aan te leggen voor de monniken. Daarom besloten Omaars en Berten (Mommolien was in 60 bisschop geworden van Noyon en Berten had hem opgevolgd aan het hoofd van het jonge klooster) deze op de heuvel te vestigen.

Zij bouwden er een kerk, toegewijd aan O.L.Vrouw, met een klooster er naast voor monniken, en bij die kerk legden zij het kerkhof aan.

Door akte van 18 mei 662 erkende Omaars de volle eigendomsrechten van Berten en zijn opvolgers op deze kerk met bijbehorend klooster en kerkhof, en besprak voor zichzelf het voorrecht om hier na zijn dood begraven te worden. Toen Omaars in 670 stierf, geschiedde dat ook, wat aanleiding werd die kerk later haar oorspronkelijke naam wisselde tegen die van Sint-Omaars. Dit is de oorsprong van het stadje, later ook bisdom Sint-Omaars in Frans-Vlaanderen.

Bij het overlijden van abt Nanteer II schonk koning Lodewijk de Vrome van Frankrijk in 820 de abdij in commende van Fridegisus, reeds abt van de Sint-Maartenabdij bij Tours. In zijn kroniek is Folkwien niet mals voor deze indringer: hij was niet waardig abt genoemd te worden, vernietigde zoveel hij maar kon de kloostertucht, en leidde het ganse klooster recht naar de ondergang. Sithiu telde toen honderddertig monniken. Om het kloosterinkomen méér voor zichzelf beschikbaar te stellen verminderde hij dit aantal aanmerkelijk. Van de 83 die in Sithiu zelf woonden stuurde hij er 23 weg, en dan liefst diegenen die het meest ijver toonden voor de kloostertucht. Zo kon hij ongehinderd zijn weg gaan. De monniken die in het ander klooster woonden stuurde hij allemaal weg, om ze te vervangen door kanunniken, en ging zelf in hun midden leven als kanunnik. Hij stierf in 834; zijn abbatiaat was voor Sithiu een ramp.

Dat is dus, volgens pater Bavo, ons Beborna: de Lieve-Vrouwekerk op de heuvel naast Sithiu, tevens kerkhof en kloosterkerk, die later het centrum werd van het huidige stadje Sint-Omaars en de kathedraal van Het bisdom Sint-Omaars. Op de vraag wat Bavo op het idee bracht om Beborna met deze kerk te identificeren, geeft hijzelf ons het antwoord: ‘Door de lezing van ‘Les Abbés des. Bertin’ en door de nota’s van Godescard ‘Vies des Pères’, 1854, en door Dussantoor ben ik overtuigd dat cella (=kerkhof) de Beborna of’ Bebrona niets anders is dan het klooster van Sint-Omaars, waar inderdaad Guntbertus ook andere akten schreef en waar een monnik van Sithiu verbleef als custos, vanwaar de uitdrukking praepositus esse videtur’.

Of in dit pittig briefje aan Pater Louis De Cleyn: ‘Westvleteren (St.-Six) gaat mij ter herte maar de waarheid nog meer. In ‘Les Abbés de St. Bertin’ leest men (ik vertaal): ‘St.-Berten en de bisschop van Terwaan hadden samen een andere kerk gebouwd, op een heuvel nabij het nieuwe klooster, en deze toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Deze kerk, met omliggend kerkhof bestemd voor de begrafenis der monniken, Werd op 18 mei 662 erkend als eigendom van de monniken door Omaars zelf, die er ook wilde begraven worden.

Een monastieke gemeenschap vestigde er zich als een succursale om zo te zeggen van die van Sithiu. Zo verstaat men dat Nantharius II abt was van twee kloosters. Cella wil juist zeggen kerkhof; dus is cella Hebrona het hoge klooster waar Guntbertus schreef.

De gedachtegang van pater Bavo schijnt wel als volgt te zijn. Vanuit zijn opzoekingen, en meer in het bijzonder door zijn lezing van de drie door hem opgegeven werken, beschikte hij over een dubbel gegeven. Enerzijds kwam hij tot de persoonlijke overtuiging dat cella eigenlijk betekende een kerkhof, met eventueel bijhorende kerk of zelfs ook klooster. Anderzijds stelde hij vast dat er in de constellatie van de abdij Sithiu een dergelijk kerkhof-klooster bestond vlak bij Sithiu zelf, en dat Guntbertus, die onze akte schreef, nog andere akten schreef, precies in dat klooster. Als monnik van Sint-Sixt stond hij daarbij ook met het probleem Beborna. Door Beborna met diè kerk en met dat klooster te vereenzelvigen bood ‘hij een concreet en historisch milieu aan, waarin alle bijzonderheden omtrent de cella Beborna zich best lieten inpassen. Hij noemt er enkele: de aanduiding dat Beborna een cella is, dat er een praepositus is als overste, dat Nanteer abt is van de twee kloosters, dat Guntbertus onze akte precies dààr schrijft. Dit laatste detail schijnt zelfs een rechtstreeks verband te leggen met onze akte, en een positieve uitnodiging te bevatten om de identificatie te doen.

Als deze weergave van· de gedachtegang van pater Bavo juist is, dan gaat het hier niet zozeer, om een bewezen stelling, maar om een werkhypothese: het voorstel wordt niet bewezen, maar aanvaard, met de vaststelling dat daarmee alles kan worden uitgelegd.

Het vertrekpunt dat ‘cella’ bepaald een begraafplaats aanduidt, is onjuist. Wij zagen vroeger reeds dat ‘cella’ een veel ruimere betekenis heeft. Ter bevestiging van deze ruimere betekenis kan nog gewezen worden op de stichting van een cella in het ‘eiland’ zelf van Sithiu, door Sint-Berten, enkele jaren later. Deze cella wordt dus gesticht op de plaats die geoordeeld werd ongeschikt te· zijn als begraafplaats voor de monniken, en terwijl deze reeds een ander kerkhof ter beschikking hadden op de heuvel. Hier betreft het dus duidelijk een cella die niets te maken heeft met een begraafplaats. Bij lezing van de tekst heeft men de indruk hier te doen te hebben met een vrome stichting’ of ‘fundatie’, zoals wij nu zouden zeggen.

Ik heb de drie bronnen die pater Bavo aangeeft en waaruit hij zich die opinie: vormde, niet kunnen nagaan. Pater Bavo staat trouwens niet alleen met deze opvatting. Ook Kanunnik Lescouhier dacht aldus, en zij kreeg zelfs een ruimere verspreiding met betrekking tot de stichting van de Alexianen, die ook ‘cellebroeders’ genaamd werden. Hierop antwoordt Pater Alcantara Mens, Capucijn en gezagvolle historicus als volgt (wij vertalen): cellieten, Cellebroeders, in het latijn fratres of filii de cellis,

Het lijkt wel dat deze benamingen moeten genomen in hun meest voor de hand liggende betekenis ; dat is: broeders die in kleine cellen wonen. Anderen hebben die naam echter afgeleid van ‘cellen’, in de zin van grotten of graven waarin zij de doden begroeven. Deze uitleg is echter minder natuurlijk, daar zij van ‘cel’ een geforceerde betekenis geeft, terwijl het woord in zijn natuurlijke betekenis de kluis aanduidt van een eremijt.

De oorsprong en verdere ontwikkeling van het Lieve-Vrouweklooster is tamelijk overvloedig en tot in bijzonderheden gedocumenteerd. Maar in geen enkele oorkonde of andere bron wordt het Beborna genaamd. Men kan zich trouwens afvragen of die naam er wel past. Het is immers een bever – toponiem: een naam die een plaats aanduidt waar bevers woonden. Bevers zijn waterdieren. Men verwacht dus hun aanwezigheid eerder bij het lagergelegen en waterrijke Sithiu, dan bij het Lieve-Vrouweklooster, dat hoger en droger gelegen was. Men herinnere zich dat de Lieve-Vrouwekerk juist op de hoogte gebouwd werd omdat Sithiu te waterrrijk was om een kerkhof aan te leggen, terwijl het hoger gelegen klooster drogere situs bood voor het kerkhof.

Geen enkele oorkonde of bron zegt ook, voor zover mij bekend, dat het Lieve-Vrouweklooster een ‘cella’ was. Integendeel, wanneer men aandachtig de teksten leest die er betrekking mee hebben, krijgt men duidelijk de indruk van een grotere eenheid tussen de twee kloosters dan tussen een hoofdklooster en zijn ‘cella’. Het beeld dat men bekomt is eerder dat van een soort dubbelklooster: één abdij, één gemeenschap, in twee verschillende kloosters gehuisvest, onder één abt, die even rechtstreeks de twee groepen bestuurt, zonder bemiddeling van een ‘proost’ in het tweede klooster. Het is opvallend dat de teksten altijd de nadruk leggen op de eenheid van de twee kloosters. Dit laat zich trouwens best begrijpen als men bedenkt dat het kerkhof op de hoogte wezenlijk de begraafplaats was van het benedenklooster. Sint-Berten stelde zelfs een beurtrol in onder zijn monniken om tijdelijk in het hoge klooster te wonen.

In de akte van 18 mei 662 waardoor Sint-Omaars de volle eigendomsrechten van Sithiu over het Lieve-Vrouweklooster erkent, kan men de indruk krijgen dat dit laatste een cella genoemd wordt. Hij spreekt er namelijk over ‘het klooster en zijn cellen’. Uit de context blijkt echter dat met ‘het klooster’ het globale Sithiu bedoeld wordt, met zijn lage en zijn hoge klooster. Immers, hij leidt de voornoemde zin in met een verklaring dat hij wil handelen ’ter ere van de Heilige Maria (patrones van het hoge klooster) en van de heilige Apostelen (patronen van het lage klooster). Het betreft dus de cellen van het globale Sithiuklooster,

Het gebeurt wel eens dat de bronnen over de twee kloosters spreken in termen van een zekere ongelijkheid, als ware Sithiu het voornaamste, het hoofdklooster. De gebruikte woorden in het laat Latijn van die tijd betekenen echter enkel ‘eerste, voornaamste’, en dat was Sithiu feitelijk ook tegenover het Lieve-Vrouweklooster. Deze manier van spreken geeft zelfs te kennen dat die ongelijkheid niet die is van een hoofdklooster tegenover zijn cella: anders zou men wel die terminologie gebruikt hebben. Ter bevestiging, later zullen de kanunniken beweren dat juist hun klooster het hoofdklooster is, wat zeker onmogelijk ware als het maar een cella was.

Van een ‘proost’ van de Lieve-Vrouwekerk is nergens sprake. Na de dood van Abt Fridogisus doet zijn opvolger Hugo al wat hij kan om de door zijn voorganger geschapen toestand ongedaan te maken. Hij slaagt hierin slechts gedeeltelijk. Op 20 juni 839 regelt bisschop Guntbert van Terwaan de toestand aldus: de waardigheid en functie van kerkbewaker in het kanunnikenkoor wordt aan een monnik van Sithiu toevertrouwd, wat onder het toenmalig recht volstond om het Lieve-Vrouweklooster opnieuw onder de rechtsmacht van Sithiu te brengen.

Dit is dan de door pater Bavo beschreven toestand ‘waar een monnik van Sithiu verbleef als custos, vanwaar de uitdrukking praepositus esse videtur. Deze toestand komt echter pas in 839 tot stand, dus 33 jaar na onze akte van 806. Hij wordt overigens nooit ‘proost’ geheten, maar altijd ‘kerkbewaker’, wat een voorname functie schijnt te zijn in dat kanunnikenkoor.

Blijft nog de laatste aanduiding in de werkhypothese van pater Bavo, namelijk dat Guntbert, die in 806 onze akte schreef, er nog andere schreef in het Lieve-Vrouweklooster. Dit lijkt zelfs een meer positief en dwingend verband te leggen tussen onze akten het hoge klooster. Als al de andere aanduidingen blijken juist te zijn, is het wel indrukwekkend als men daarenboven ook nog deze vaststelling kan maken. We hebben echter vastgesteld dat al de overeenstemmingen bij nader onderzoek faliekant uitvallen. Dit argument komt daardoor dus alleen en op zichzelf te staan, wat het reeds zeer verzwakt.

Tussen 800 en 868 werden zowat een half dozijn akten ondertekend door Guntbertus, of minstens door hem mee ondertekend, en minstens een daarvan werd inderdaad in het Lieve Vrouweklooster geschreven, die namelijk van 839, die rechtstreeks dat klooster betreft. Het blijkt dat niet de residentie van de schrijver bepalend is voor de plaats waar de akt geschreven wordt, maar het onderwerp. Overigens zijn er twee schrijvers die deze naam hebben gedragen in Sithiu rond deze tijd, en het is weinig waarschijnlijk dat de schrijver Guntbert van 839, die de akte opstelde in het Lieve-Vrouweklooster, de zelfde is die in 806 onze akt had geschreven.

Wij kunnen gerust besluiten dat het voorstel van pater Bavo bij nader onderzoek geen stand houdt. Ook het LieveVrouweklooster is ons Beborna niet.

BEVEREN-AAN-DE-IJZER

Dit is het jongste voorstel. De auteur ervan is professor Dr. Maurits Gysseling. In zijn oorkondenboek waarin hij de akten samenbracht die betrekking hebben op België, en ouder zijn dan het jaar 1100, prijkt ook onze akte van 806, als akte nr 22, en wel onder het klare en duidelijke opschrift: ‘Beveren-aan-de-IJzer, 806 oktober’. In een korte regest die de akte voorafgaat, zegt hij ook: ‘Erlharius verkoopt aan Nantharius, abt van Sithiu en van de cella te Beveren, een mansus.

Deze publicatie verscheen in 1950. Tien jaar later herhaalt hij deze identificatie in zijn toponymisch woordenboek; en evenzo in een lezing die hij over de toponymie van WestVlaanderen gaf aan leden van het Verbond van Kringen voor Heemkunde in 1979.

Reeds in 1914 had de gekende West-Vlaamse toponymist Karel De Flou gezegd dat bij de niet meer bekende plaats Beborna evengoed aan Beverna kon gedacht als aan Borre, zoals sommigen deden ‘Beverna’ komt herhaaldelijk voor als oudere, meestal zelfs de oudste, vorm voor onze huidige toponiem ‘Beveren’. Als aanduiding blijft dit echter vaag: ‘Beverna’ komt voor als oudere vorm van Beveren-aan-Leie, Beveren-aan-de-IJzer, Beveren~bij-Roeselare, van de wijk met die naam onder Deerlijk, en eveneens onder Oostkamp.

Als De Flou een identificatie had willen doen, zou hij het waarschijnlijk met Beveren-aan-de-Ijzer gedaan hebben, dat niet ver van Vleteren afgelegen is. In werkelijkheid deed hij echter geen identificatie in die zin; hij wilde blijkbaar enkel een theoretische mogelijkheid opgeven, terwijl ‘Beborna’ voor hem is en blijft ‘een onbekende plaats’, zoals Pater Bavo reeds met spijt constateerde.

Deze opinie van M. Gysseling kreeg in onze streek een zekere verspreiding door organen als de ‘De IJzerbode’ en ‘Bachten de Kupe’. In 1976 schreef Pastoor Antoon Deschrevel: ‘De oudst vermelde plaats van de streek -in 806- is de cella de Bebrona in loco noncupante Fletrinio in pago Iseretico: de kloosterkern Bebrona in de plaats genoemd Vleteren gelegen in de Ijzerstreek. Met dit Bebrona -in 961 geworden tot Beborna- zou volgens de huidige geleerden Beveren bedoeld zijn dat in 1163 als Beuera genoteerd staat.

Priester Opdedrinck in zijn werkje ‘Poperinga et ses Signeurs’ (1898) meende evenwel dat het hier gaat om een vroege kloosterstichting te Westvleteren op de Sint-Sixtuswijk’ .

Over deze opinie van Opdedrinck zullen we het een volgende keer hebben. Pastoor Deschrevel aanvaardt blijkbaar de opinie van de ‘huidige geleerden’ niet, en zou het liever houden bij de opinie van onderpastoor Opdedrinck, zij het dan ook op grond van een verkeerde lezing van de akte die hij waarschijnlijk uit het hoofd citeert. Immers de akte zegt niet dat Beborna, maar wel de hoeve van Herlaar te Vleteren in de Ijzergouw lag.

Pastoor Daniël Deschrijver, geboren en getogen Bevernaar, die nu als rustend pastoor te Hoogstade woont, maakt ook de opinie van M. Gysseling bekend in ‘Bachten de Kupe’, jaargangen 1982 en 1985, onder verwijzing naar M. Gysseling.

In zijn eerste bijdrage stelt hij onder meer de vraag ‘waar komt de naam Beveren vandaan?’. Hij geeft heel voorzichtig, enkel ‘Veronderstellingen’ aan. Hij geeft er drie. ‘Een eerste veronderstelling: Is het in het begin van dit artikel de lezer niet opgevallen, dat de woorden Hebrona en Ebroinus zeer sterk op mekaar gelijken? De nederzetting van Beveren zou dan de naam van zijn kloosteroverste gekregen hebben, wat toen niet zo uitzonderlijk voorkwam. Draagt de stad Sint-Omaars niet de naam van de heilige bisschop?’

Tweede veronderstelling: Beveren zou van het latijn ‘febrina’ komen, wat overeenkomt met de bever-etymologie. Maar terwijl M. Gysseling eerder denkt aan de na-romeinse tijden, denkt Deschrijver uitdrukkelijk aan de tijd van de Romeinen als bezetters van het land. Derde veronderstelling: Volgens de etymologist Kiliaan betekent ‘Borne’ ook bron, kwelmput. Beveren zou bij zo een put ontstaan zijn tijdens de Duinkerkse zeetransgressie, put die aan de reizigers drinkbaar water verschafte op het hoogland van Leisele waartoe ook Beveren behoort.

In ziJn tweede bijdrage tracht hij een overzicht te geven van de plaatsen, aan de erediens~ toegewijd op grondgebied Beveren, de eeuwen door. Beborna was het eerste klooster van Beveren. Hij doet ook een inspanning om dit klooster te situeren in de algemene geschiedenis. Het is de tijd van de grote missionering van onze streken, en de paters van Sithiu, Sint-Omaars, gingen hier te werk zoals ook nu nog onze missionarissen te werk gaan in onbeschaafde landen, namelijk ‘zij zochten de mensen op in de bossen en langs rivieren’, en bouwden een klein bedehuis als uitgangspunt voor verder beschavingswerk en hulpbetoon.

Andere auteurs en toponymisten die de oudste akte opgeven die betrekking heeft op Beveren-aan-de-Ijzer, situeren deze heel wat later, en zouden waarschijnlijk op zijn minst aarzelen om deze identificatie aan te nemen. Zo geeft de Seyn in zijn woordenboek de Belgische gemeenten een akte van 1011 als de oudste aan, en Karel De Flou een akte van 1159.

Professor Gysseling geeft niet aan op welke gronden en argumentaties hij zijn opinie steunt. Hij is germanist dus wezenlijk een taalkundige. Zijn beide aangehaalde werken werden uitgegeven door het Belgisch interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, en verschenen in een reeks van ‘Bouwstoffen en studiën voor de geschiedenis en de lexicografie van het Nederlands’. Tenslotte, 1n de algemene inleiding op zijn oorkondenboek bepaalde hij uitdrukkelijk het standpunt dat aan het ~oek ten grondslag ligt, als volgt. Een historicus weet zeer goed, zegt hij, dat de waarde van een bron niet noodzakelijk evenredig is met haar ouderdom.

Het kan daarom voor hem een vreemde en niet bevredigende optie zijn, precies de oudste documenten te willen uitgeven. De auteur van het boek weet dat, maar preciseert daarom dat zijn ‘eigenlijke opzet’ niet is om de historicus de meest waardevolle bronnen aan de hand te doen, maar ‘om de linguist de oude vormen van plaats- en persoonsnamen op het Nederlandstalig gebied van vóór 1100 te verschaffen’.

Hij hoopt dan ook dat de historicus zich met dit standpunt zal willen verenigen, en zijn bezwaren zal laten varen. Ook de auteur van het toponymisch woordenboek beoogt dat het overvloedig en accuraat materiaal dat hij samenbracht, kan leiden tot een vernieuwd inzicht in de vroege taalgeschiedenis van onze gewesten.

De benadering van het probleem door M. Gysseling is dus wèl overwegend linguistisch. Deze vaststelling nodigt ons uit om in de filologische gegevens van.zijn toponymisch woordenboek en van zijn lezing over toponymie van West-Vlaanderen de gronden te zien waarop hij bouwt. ‘Beborna’ *** is een bever-toponiem: een plaatsnaam die afstamt van het oud-germaans ‘bhebbhru’, bever, en wijst op een vroegere aanwezigheid van bevers. Als linguist moet M. Gysseling zonder moeite of aarzeling diezelfde toponiem herkend hebben in ons huidig ‘Beveren’. De verschuiving tussen b en v is een gekend taalkundig fenomeen. Zo is er vlak bij de Sint-Sixtus-Abdij de zogenaamde ‘Vette Colmpit’, eigenlijk: Bette Coolenspit, de put die een paar eeuwen geleden toebehoorde aan Elisabeth Coolens.

De gevolgtrekking lag dus voor de hand, dat Beveren-aan-de-Ijzer het oude Beborna zou zijn, aangezien het ook niet ver van Vleteren is verwijderd.

We hebben hier het zelfde type van redenering als we vroeger reeds bij Dom Jean Mabillon ontmoetten (159), met toch een paar belangrijke verschillen. Beide besluiten. vanuit een plaatsnaam tot een geografische identificering. Mabillon, die geen germanist was had de vorm ‘Beborna’ zelf nodig, en was waarschijnlijk daardoor gedwongen het zo ver te gaan zoeken. M. Gysseling, germanist, kon gemakkelijk ‘Beborna’ terugvinden in ons huidig Beveren-aan-de-IJzer, in de onmiddellijke buurt van Vleteren.

Mabillon, die wel een historicus was zocht een oplossing die ter plaatse een historisch aanknopingspunt vond, terwijl de oplossing van M. Gysseling serieus grond raakt op heel het grondgebied Beveren-aan-de-IJzer: in gans Beveren en in zijn ganse traditie zijn er geen sporen te ontdekken van een monastieke stichting in die oude tijden. Zoals wij reeds zagen in een vorige bijdrage, kan dit type van bewijsvoering hoogstens bewijzen dat er van uit zuiver linguistisch· standpunt geen bezwaren bestaan om Beborna met Beveren te identificeren. Om deze identificatie op geldige wijze te doen, moet men andere bewijsgronden aanbrengen. Trouwens, in onderhavig geval kan men met die redenering evengoed besluiten tot een identificatie met Beveren-aan-Leie of Beveren-bij-Roeselare, die toch ook niet zo ver af liggen. De akte specifieert immers niet dat ook Beborna in de IJzergouw ligt.

Beveren-aan-de-IJzer kan echter een voorkeur krijgen omdat het op kortere afstand van de hoeve van Herlaar gelegen is. Maar ook dit is geen dwingend bewijs voor een identificatie: men kan erdoor enkel tot een grotere waarschijnlijkheid besluiten, meer niet. En in ons geval keert deze bewijsvoering zich tegen een identificatie met Beveren, wanneer men denkt aan de suggestie van Karel De Flou met betrekking tot de Bornebusschen op Westvleteren zelf: dus nóg dichter bij de hoeve van Herlaar.

In zijn tweede ‘veronderstelling’ herneemt Deschrijver dit argument van Gysseling, echter op een originele wijze:

‘Indien Beveren als min of meer gegroepeerde gemeenschap reeds bestond vóór die tijd (nl. van de Karolingers en Merovingers), dan zou men kunnen denken dat het van het Latijn, de taal van de Romeinse bezetter, kwam’. Wij Vlamingen zijn nu eenmaal door onze ganse geschiedenis gewoon in termen van bezetting te denken!

In dat geval gaat Deschrijver verder, zou ‘Beveren’ afgeleid zijn van ‘febrina’, wat zou laten veronderstellen dat er toen kolonies van bevers waren langs de oevers van de IJzer of van de Kallebeek. En inderdaad bestond in het laag en laat latijn het woord ‘beber, door misvorming afgeleid van het eigenlijke woord voor de bever, namelijk: ‘fiber’, waarschijnlijk door contakc met de Germaanse volkeren.

Zijn eerste ‘veronderstelling’ is eveneens persoonlijk en origineel, maar dwingt ook geen instemming af: Beveren zou afgeleid zijn van ‘Hebrona’, en dit op zijn beurt van Ebroinus, de naam van de toenmalige proost van Beborna: deze zou dus zijn naam aan Beveren gegeven hebben, zoals de geloofsverkondiger Sint-Omaars zijn naam gaf aan het stadje Sint-Omaars in Noord-Frankrijk. Wij zagen echter reeds vroeger dat Hebrona een latere verschrijving is voor het oorspronkelijke ‘Bebrona’, en hetzelfde geldt ook voor Ebroinus tegenover Ebrogeer, Deze vaststelling volstaat om de veronderstelling af te wijzen. Tenslotte de derde ‘veronderstelling’, met betrekking tot de zoetwaterbron of -put op de hoogvlakte die tijdens de tweede Duinkerkse zeetransgressie boven het brak water uitstak, bewijst ook niets. Deschrijver beoogde enkel ‘veronderstellingen’ naar voren te brengen, zoals hijzelf herhaaldelijk getuigt: hij wil dus eigenlijk niets bewijzen, en bewijst ook niets. Dit woord geeft wellicht het best de eigen aard van deze identificatie weer: het is een pure ‘veronderstelling’, gesuggereerd doordat én ‘Beborna’ én ‘Beveren’ een ‘bever’-plaatsnaam zijn. Wij kunnen ook geen dwingende bewijzen aanvoeren tegen die identificatie, maar mogen dan toch even gratuit de identificatie afwijzen als de voorstanders ervan ze aannemen.

Uit ‘Vlietmara’ Heemkring van Vleteren – 1986 –

PS: *** De naam Beborna heeft in de verste verte niets te zien met die van Beveren. Wie mijn deel 1 van De Kronieken van de Westhoek gelezen heeft, weet dat ik niet hoog oploop voor de klassieke naamkundigen die namen als Pupurningahem of Flamertingahem zonder blozen toewijzen aan hun stichters Pupurn en Flamert. Dat is natuurlijk een van de pot gerukte theorie. Idem dito met Beveren die ze doodleuk verklaren door de aanwezigheid van bevers. In mijn geschiedenis van Diksmuide vertel ik tot in de details dat al onze Vlaamse ‘Beveren’ plaatsnamen er gekomen zijn dank zij de komst van de Engelse Arnulf de Bevere in het jaar 940 die in opdracht van graaf Boudewijn II moest instaan voor de bouw van burchten op belangrijke strategische plaatsen in het jonge Vlaanderen. Diezelfde Arnulf de Bevere (van het Engelse Bevere Manor) werd burggraaf van Diksmuide en zou opgevolgd worden door talrijke nazaten. Beborna heeft dan natuurlijk wel te zien met de aanwezigheid van water en bronnen.

Article Categories:
van onder het stof gehaald
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *