Alles is weer eens beslist boven de hoofden van het gewone volk. De situatie is eigenlijk absurd. Het volk neemt de regio over en tijdens de onderhandelingen wat dat betreft verdelen de heren doodleuk de postjes in de deze raad van Vlaanderen die in feite niet eens aan hen toebehoren. Op 11 juni 1325 dienen de hoofdmannen met hun gewapende aanhang zich dus aan in Ter Duinen. Ze zijn benieuwd naar de uitspraak. Zullen de edelen gestraft worden? Maar de scheidsrechters dienen zich zoals bekend niet aan. Er komt geen uitspraak. Het volk is razend en teleurgesteld omdat het zich opnieuw in de luren heeft laten leggen. Het geweld barst los. De strijd begint opnieuw. Hardnekkiger en wreder dan ooit!
De graaf verblijft op 11 juni nog altijd in Ieper. Maar het wordt warm onder zijn voeten. Met het opnieuw uitbreken van het volksgeweld in het Westland, acht hij het raadzaam om zich terug te trekken. De milities van het volk hebben hun strijdposities opnieuw ingenomen en Zannekin bewaakt Ieper nauwgezet. De graaf, zijn vierhonderd ridders, en de pas aangestelde raadsheren, kiezen het zekere voor het onzekere en vluchten in de vroege morgen van 13 juni 1325 alvast naar Kortrijk. Vanuit Kortrijk kan hij zich in geval van nood nog steeds terugplooien op Gent.
De snelheid waarmee de opstandelingen opnieuw hun posities hebben ingenomen, laat vermoeden dat ze natuurlijk wantrouwig stonden tegenover het al dan niet doorgaan van de zitting van de rechtbank en de bizarre gevolgen van een eventuele uitspraak. Ze beschikken natuurlijk over een goed georganiseerd strijdplan dat op 11 juni vrijwel onmiddellijk ten uitvoer wordt gebracht. Het volgende punt op hun agenda is het veroveren van het strategische Kortrijk.
Op 12 juni reizen zes Brugse onderhandelaars naar Kortrijk in een poging het Kortrijkse gemeen te laten aansluiten bij de revolutie. De houding van de Kortrijkzanen is in die dagen niet zo agressief tegenover de adel en de graaf. De graaf treft bij zijn aankomst die onderhandelaars die aan het proberen zijn om verder de poten onder zijn stoel af te zagen. Hij zet de zes gevangen. Als de Bruggelingen vernemen dat hun kompanen in een Kortrijkse cel zitten, breekt opnieuw hevig geweld uit. Het geprovoceerde volksleger van vijfduizend textielarbeiders en ambachtslieden van alle slag en soort rukt onder leiding van Thomas Danckaert, van volder Jan van den Driessche en van makelaar Claikin de Deken op naar Kortrijk om hun collega’s te bevrijden en de laffe graaf mores te leren.
De achterban van de graaf slaat aan het panikeren als ze vernemen dat de woeste Bruggelingen uit zijn op hun vel. Ze zijn dan ook ferm in de minderheid tegen het reusachtige leger dat op hen afkomt. Kortrijk is in gevaar! Ze komen op het dwaze idee om de voorgeborchten aan de noordelijke buitenzijde van de stad, aan de overkant van de Leie, in brand te steken. Zo goed als alle huizen zijn in die tijd gebouwd in hout. En er staat die dag een flukse noordenwind. En midden in de zomer staat alles sowieso al kurkdroog. Heel Overleie brandt in de kortste tijd als een fakkel. Het vuur rukt op naar de binnenstad van Kortrijk waar de graaf de zes Bruggelingen in een wagen laat opsluiten en probeert weg te geraken uit de brandende, gensterende en rokende stad.
Het volk van Kortrijk is woedend om die smerige ondermaatse brandstichting in hun stad. En als ze dan nog vaststellen dat ze aan hun lot worden overgelaten en de graaf op de vlucht slaat, slaan de stoppen bij de Kortrijkzanen helemaal door. De hel breekt los. Een losgebroken apocalyptische stad is tot het ergste in staat. Ze storten zich met vol geweld op de aanhang van de graaf die probeert zich een weg te banen door de smalle straatjes van de stad. Iedereen vecht. Mannen, vrouwen, kinderen. Ze vallen de graaf en zijn aanhang aan met groot geschreeuw. Ze zijn waanzinnig omdat ze zo ongenadig aan het vuur zijn overgeleverd. Ze doden zonder genade, zonder er over na te denken. Paarden en ridders moeten er aan geloven. Huisraad wordt door de vensters gegooid om de uitwegen te barricaderen voor de ruiters.
En dan luiden de stormklokken en stroomt een voorpost van gewapende Brugse ambachtslieden de stadspoorten binnen. Na drieëntwintig jaar is Kortrijk opnieuw het toneel van een heuse slag tussen de Klauwaards en de Leliaards. Er volgt een slachting waarbij de heren van Veurne, Dendermonde en Nevele gedood worden. Er vallen massaal burgerslachtoffers te betreuren. Vrouwen en kinderen sterven in het barbaarse geweld. Wat niet voor mogelijkheid gehouden werd, gebeurt alsnog: de graaf (hij wou vluchten naar Frankrijk) valt in handen van het verzet en wordt met enkele van zijn getrouwen gevangen gezet. Jan van Namen wordt gewond tijdens de aanval en kan zich via de Rijselse poort ternauwernood redden uit het verwoeste Kortrijk. Hij is niet aan zijn eerste ontsnappingstruuk toe. De Henegouwse graaf slaat op de vlucht naar Doornik en slaat alarm bij het Franse hof.
De Bruggelingen hadden zich verwacht hadden aan een vijandelijk onthaal bij de Kortrijkse bevolking. Maar ze worden er op 20 juni 1325 als echte volkshelden en “beleders” van de stad ontvangen. De gevangen graaf wordt overgedragen. Lodewijk zal worden overgebracht naar Brugge. Hij vraagt de opstandelingen om zijn medewerkers mee te krijgen, maar hier botst hij op een ferm “njet” van de teleurgestelde en verbijsterde bevolking.
Minstens veertien getrouwen worden voor de ogen van de graaf op een gruwelijke manier ter dood gebracht. Onder hen zien we Robrecht van Saemslacht, de leermeester van de graaf. Maar ook Jan van Verrières, de burggraaf van Rupelmonde en Boudewijn van Zegerscapelle ondergaan hun wrede lot. Allen worden geradbraakt en op beestachtige manier verminkt. De verminkte lichamen betekenen voor de Kortrijkzanen en de Bruggelingen de dood van de feodaliteit. Symbolischer kan niet. Lodewijk van Nevers zelf ligt hier machteloos en eerloos vastgebonden op een boerenkar. “Zie hem liggen op enkele bundels stro”. De grafelijke nietsnut wordt met een zotskap op zijn hoofd aan zijn volk getoond. Zijn gemenen, lijfeigenen, vrijen en de “strontboeren” zingen vol spot hun spotlied over de “Kerels van Vlaanderen”: “Si souden die Kaereln hangen!”.
Stevig vastgebonden op het kleinste paardje dat men in en rond Kortrijk heeft kunnen vinden, wordt de graaf de stad uitgeleid. Van nabij bewaakt door de Westhoekse Kerels en onder het gejouw en geschreeuw van het volk. De kruisweg van de hoge adellijke heer zal tot in het hart van Brugge worden voortgezet. Zo eindigden de Kortrijkse Metten onder de bittere schaterlach van een volk dat een ogenblik zijn graaf als een slaaf heeft gezien. En ook in Brugge worden een aantal graafsgezinden op dezelfde manier gelyncht.
Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek


