23 april 1915. Friends ambulance unit. Over de interne werkomstandigheden in het Heilig Harthospitaal langs de Poperingseweg tot aan zijn ultieme evacuatie kon ik maar weinig vertellen. Ik kon het alleen maar hebben over enkele van de moeilijkheden die zijn staf daar ondervonden had. Gedurende enkele van zijn drukste dagen bestond het personeel uit één dokter, twee assistenten, zeven verplegers en vier zusters, een totaal van veertien. Als er belangrijke operaties dienden te gebeuren of in sommige noodgevallen werden één of twee buitendokters opgeroepen, indien die beschikbaar waren. En bij dat personeel moest men dan nog het keukenpersoneel en de chauffeurs bijrekenen.
Maar het was hoe dan ook duidelijk dat deze personeelsbezetting absoluut ontoereikend was om een geschikte verzorging van honderd patiënten – waarvan de helft gewonden – te regelen. De verplegers moesten op gewone werkdagen twaalf uur werken en soms zelfs nog meer als ze werden opgeroepen om aanvullende taken in het ziekenhuis of soms ook ter plekke bij de mensen uit te voeren. Het district dat we met ons hospitaal bedienden bleef lokaal. De zieken of gekwetsten kwamen zo goed als allemaal van Ieper zelf of van de omliggende dorpen van Dikkebus, Kruisstraat, Wieltje, Potyze, Sint-Jan, Sint-Juliaan, Brielen en Boezinge. Een kleine sector leek het wel, maar toch moest hier sprake geweest zijn van 20.000 mensen die hier leefden in de meest erbarmelijke omstandigheden.
Tot aan het begin van de Tweede slag om Ieper (17 april) was het werk in het hospitaal zijn min of meer gebruikelijke gang gegaan. Door de altijd maar groeiende hevigheid van de bombardementen in die dagen werd het voortbestaan van het hospitaal letterlijk onmogelijk. En, hoewel het einde zich dan wel heel erg bruusk aandiende was dat helemaal niet onverwacht geweest. Op dinsdagavond 20 april werd Ieper hevig bestookt en tijdens het verstrijken van de nacht werd het lot van de stad alsmaar duidelijker. Die nacht begonnen we aan de evacuatie van alle patiënten die nog voldoende fit waren om te reizen. Zes gevallen werden weggestuurd.
De tyfusgevallen naar Poperinge en de gewonden naar De Panne. De 21ste april werd er dan toch beslist om het hospitaal verder open te houden in functie van de toevloed aan noodgevallen waarbij er alleen nog maar het personeel van het Heilig Hart soelaas kon brengen. Ogenschijnlijk leken de zaken op woensdag min of meer rustig te verlopen. Dat was een beetje overal de indruk geweest in Ieper; het slechtste zou nu wel achter de rug zijn. Waardoor het verdorie nog moeilijker werd om van de mensen hun toelating te krijgen om te evacueren, zowel vanuit de kelders van hun woningen of van het hospitaal zelf. In de namiddag van 22 april werd de hoop op een verdere immuniteit de kop ingeslagen door het begin van een nieuw intens bombardement.
De staf werd totaal opgeëist met het opvangen van gewonde burgers, het aanleggen van verbanden en de menselijke evacuatie. Ook de vele soldaten die gewond raakten in hun slaapplekken werden naar veiligere oorden overgebracht. Rond 23u van donderdag 22 april kregen we het nieuws van een R.A.M.C. veldambulance die aan de overzijde van het gebouw stond te wachten dat de locatie van het Heilig Hart wel eens zou kunnen afgesneden worden door de Duitse vooruitgang in de slag. Ze hadden instructies gekregen om zich terug te trekken naar Poperinge. Met dergelijke pessimistische inzichten van de legerleiding werd dus besloten om een algemene ontruiming van het Heilig Harthospitaal te beginnen, met inbegrip van het vertrek van de aanwezige vluchtelingen, ouderlingen en kinderen. De evacuatie ving vanochtend – 23 april – aan, nog voor zonsopgang, zo rond 4u en tegen dat het 6u werd waren alle patiënten verdwenen.
Tijdens die twee intense uren bleven de granaten maar neervallen en direct nadat de laatste gevallen vertrokken waren werd het gebouw al getroffen door een voltreffer. Zo werd er een streep getrokken onder het Heilig Harthospitaal. Hoewel er nog een kleine verbandpost zou blijven bestaan in de kelders van het gebouw, bemand door twee dokters en vijf verplegers. Het eerste ‘Friends’ hospitaal had op die manier een onverdroten en vaak spannend bestaan van vijf maanden gekend. Tussen 1 december 1914 en 17 april 1915 waren hier 230 chirurgische ingrepen gebeurd. Tussen 6 januari en 17 april 1915 hadden we 477 gevallen van besmettelijke ziekten behandeld, vooral tyfus. Dat maakte een totaal van 707 patiënten.
Daar moesten zeker ook de bezoeken aan de patiënten buitenshuis bijgerekend worden. Het geheel toonde een opmerkelijke inspanning van vrijwilligers die dan nog eens gebeurd was onder altijd maar erger wordende omstandigheden. Het mocht niet ontkend worden of als een verrassing overkomen dat men hier en daar wel eens vergissingen begaan had. De gebeurtenissen van de voorbije maanden hadden voortdurend gezorgd voor aanpassingen, extra werk voor een relatief onervaren en overwerkte staf die zich altijd maar kranig en positief ingesteld had. Uiteindelijk konden de mensen hier terugblikken op een weldaad van geleverd werk, ze hadden waardevolle ervaringen opgedaan en mochten zich beroemen op de dankbaarheid van de Ieperse burgers.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


