Boudewijn VII met de bijl of graaf Apken (1111). 18 jaar is hij als hij zijn vader opvolgt. Op het einde van zijn leven heeft Robrecht de tweede nog enkele strenge wetten opgesteld tegen de talrijke misbruiken binnen het graafschap. De naleving van die wetgeving vergt gezag en een sterke hand. Het is bovendien hoog tijd geworden om zich bezig te houden met het intern bestuur van Vlaanderen in plaats van het continu voeren van allerhande oorlogen.
Boudewijn is er de geknipte figuur voor. De nieuwbakken graaf roept bij de aanvang van zijn bestuursperiode alle Vlaamse edelen samen in de stad Ieper. Tijdens een geestdrifitge speech overtuigt hij hen om kordaat alle misbruik en geweld uit te roeien en een kordaat bestuur te voeren in elke regio van het land. Alle leenheren krijgen één maand de tijd om na te denken over de voorstellen die hij in Ieper voorlegt en zullen op het einde van hun bedenktijd op het kasteel van Wijnendale hun antwoord dienen te geven.
Eén maand later, in Torhout, voert de edele heer Van Praet, woordvoerder van alle Vlaamse edelen, het woord en vertelt hij aan de graaf dat er niets urgenter is dan de rust in het land te herstellen en de hervorming van het gerecht uit te voeren. Daarmee stellen de leenheren zich op dezelfde lijn van Boudewijn die nu opnieuw de Staten-Generaal samenroept.
Er dient dringend een einde gemaakt te worden aan de verschrikkelijke buitensporigheden die zich overal in het land voordoen. De oorlogen die Boudewijn VI en Robrecht de Vries voerden hebben geleid tot een algemene verbastering van de zeden bij de Vlaamse bevolking. De ene ramp volgt de andere op in die 11de eeuw die door de mensen ook wordt omschreven als de “ijzeren eeuw”. Iedereen vecht en moordt er op los, het ene dorp vecht tegen het andere maar ook de huisgezinnen zijn verdeeld. Broers tegen broers, vaders tegen zonen gebruiken dolken en messen om elkaar te bevechten en te vermoorden. De situatie is werkelijk schrijnend.
De zogezegde “landsvrede” van Boudewijn VII stelt uiteindelijk perk en paal aan het geweld en is de voorloper van de rechtspraak die we op vandaag nog kennen. Maar bij de uitoefening van het gerecht ontstaan er grote misbruiken. Vooral de water- en vuurproeven, waarbij bekentenissen afgedwongen worden bij het toebrengen van excessieve pijnen zijn voorbeelden van onterechte bestraffingen en gekleurde rechtspraak.
Het feodaal bestuur, nog ingevoerd door Karel de Grote in de 9de eeuw, wordt door de adel fel misbruikt. De leenheren oefenen een ongenadig bestuur uit op hun onderdanen die ze als slaven behandelen. Binnen de grenzen van hun domeinen heersen geen wetten. Integendeel: hun kastelen zijn roversnesten waar ze gestolen goederen en de vruchten van hun onderdanen stockeren. Zogezegde misdadigers worden in onderaardse hokken opgesloten waar ze al of niet van de honger en ontbering omkomen terwijl de heren zichzelf te goed doen aan drinkgelag en baldadigheden.
De landbebouwers proberen zich te beschermen tegen de vele roofbenden en ze proberen hun pachthoeven te omwallen. Geleidelijk aan worden die met aarden wallen ommuurd en omringd door grachten. In de 11de eeuw is de onkunde en onwetenheid even groot zoniet groter dan die in de 7de eeuw. De edelen zelf kunnen noch lezen noch schrijven en ze gaan er zelfs prat op dat ze ongeletterd zijn. Voortaan dient de wet echter nageleefd te worden door alle burgers, edelen of niet-edelen en eveneens staatsbeambten die bij het niet-respecteren van de wetten zelf een dubbele straf zullen ondergaan. De zware bestraffing wordt omschreven als de “eerlijke vrede van Ieper” omdat ze het recht en de vrede van alle klassen in de samenleving ambieert.
Boudewijn blijkt inderdaad erg streng in de uitvoering van de wetten: als de heer van Oostkamp bij Brugge enkele koeien koopt bij een arme weduwe en haar daarbij betaalt met twee valse munten, wordt hij op de markt van Brugge levend in een kokende verfketel gegooid. Boudewijn toont niet het minste pardon of verschoning voor misdaden in Vlaanderen. Hij laat 10 edele ridders beticht van moord en geweld met de strop om de hals ophangen aan een balk van zijn kasteel.
Een ander voorval schetst de doortastendheid van Boudewijn: de heer van Calloo en 9 andere edellieden hebben vernomen dat er enkele oosterse juwelenhandelaars zijn aangekomen in Brugge met als bedoeling om hun juwelen te slijten op de jaarmarkt van Torhout. Ze besluiten de handelaars in een hinderlaag te lokken en stellen zich op in “De Leepe” een bos tussen Brugge en Torhout (nu Zedelgem) waar ze de oosterlingen vermoorden en beroven van hun juwelen.
Ondertussen wachten de knechten van de handelaars vol ongeduld op hun komst. Als ze uiteindelijk het nieuws krijgen van de moorden klagen ze de smerige edellieden aan bij de graaf van Vlaanderen. Zonder verwijl vertrekt de graaf met een groep gewapende mannen op zoek naar de vermeende moordenaars en dieven. Hun reistassen worden doorzocht en de gestolen juwelen worden er inderdaad in teruggevonden. Ze worden alle 10 gevangen weggevoerd naar Wijnendale waar ze op 30 juni 1112 opgehangen worden.
Boudewijn met de bijl (hij heeft die inderdaad steeds bij) stelt zich scrupuleus en zonder pardon op voor dieven en stropers die zonder scrupules aan de bomen worden opgeknoopt. Overal in het land heerst er groot ontzag voor de graaf die er in slaagt om van zijn gebied een veilige regio te maken.
Wanneer Boudewijn VII afreist naar Frankrijk om er Lodewijk de Dikke te ondersteunen in zijn strijd tegen de Engelsen wordt hij in Normandië aan het hoofd gewond. Aanvankelijk lijkt de blessure mee te vallen, maar gaandeweg wordt deze levensbedreigend.
Hij verlaat noodgedwongen zijn leger en trekt naar Roeselare waar hij de staten van Vlaanderen bijeenroept. Hij benoemt er Karel, de zoon van de Deense koning Canutus en de kleinzoon van gewezen graaf Robrecht de Fries tot zijn opvolger. Boudewijn trekt zich terug in een klooster waar hij in 1119 op amper 26-jarige leeftijd overlijdt. Hij wordt begraven in het klooster van de heilige Bertinus te Gent.
Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek


