banner
dec 12, 2025
50 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het graafschap bestaat niet meer

Het graafschap bestaat niet meer

Written by
banner

Tijdens de wapenstilstand wordt het duidelijk dat Rome een bemiddelingspoging is gestart maar uiteindelijk zelf zal beslissen over de toekomst van Vlaanderen. De bal komt in het kamp te liggen van scheidsrechterpaus Bonifatius VIII die vooral welwillend staat tegenover Filips de Schone. Die Bonifatius is pas 3 jaar paus nadat hij zijn voorganger Celestinus in de gevangenis had laten gooien. Robrecht en enkele van zijn broers worden als gezant naar Rome gestuurd.

Kunnen zij deze hardvochtige paus overtuigen dat hun zus Filippina vrijgelaten wordt? Kunnen zij Bonifatius overtuigen dat Vlaanderen zijn juridisch gelijk haalt in het geschil met Frankrijk? De zonen van de graaf verzoeken de paus officieel om de vrijlating van hun zus Filippina en zijn instemming met haar huwelijk met de Engelse kroonprins. Ze vragen hem om de dreigende excommunicatie van Vlaanderen ongedaan te maken. De paus stelt zich welwillend op en belooft hen hun rechten te respecteren.

Al gauw blijkt het dat geld de doorslag zal geven: wie meer geeft zal meer k rijgen. De Franse koning bezit meteen al een onoverbrugbare voorsprong op de Vlamingen. Dan is het natuurlijk niet moeilijk meer. De paus weigert de Vlaamse vragen in overweging te nemen als hun verzuchtingen op tafel komen in Rome. Op 27 juni 1298 wachten ze vol spanning op het pauselijk verdict. Pas daarna zullen ze opnieuw afreizen naar Vlaanderen.

De uitspraak is verrassend en ontgoochelend voor Robrecht en de zijnen. De Franse en de Engelse koning hebben onder elkaar bedisseld dat ze vrede met elkaar zullen sluiten. Edward laat nu definitief zijn beloften aan Gwijde vallen. Het ultieme verraad. Ze maken het makkelijk voor de paus die hen “verplicht” tot een duurzame vrede die bezegeld dient te worden door het huwelijk van de prins van Wales (de vroegere verloofde van Filippina) met de dochter van Filips de Schone. Er is geen sprake van Filippina, laat staan van Vlaanderen, dat overgeleverd blijft aan de grillen van de Franse koning.

De onstuimige Robrecht van Bethune is woedend om de uitspraak van de paus en het schandelijke hoogverraad. Hij laat zijn woede duidelijk blijken. In een ontroerende brief schrijven Robrecht en zijn broers het verbijsterend nieuws aan hun vader. Ze hebben tijdens hun verblijf in Rome grote kosten gemaakt die allemaal tot niets hebben gediend. Met lege zakken (ze moeten zelfs geld lenen met een intrest van 4% per maand bij Florentijnse bankiers) reizen ze terug naar Vlaanderen. Bij die terugreis wordt een uitgeputte Robrecht van Bethune erg ziek. Hij ziet zich op 27 augustus 1298 in het Zwitserse Lausanne verplicht om zelf zijn testament op te stellen. Maar uiteindelijk herstelt hij van zijn ziekte en kan hij zijn reis afwerken.

Bij zijn terugkeer is de teleurstelling bij het grafelijk hof te Gent groot. Isabella van Luxemburg, de zieke vrouw van Gwijde overlijdt korte tijd later. De 75-jarige Gwijde staat nu helemaal alleen. Zijn graafschap bevindt zich in een erbarmelijke toestand. Hijzelf zit met zijn gat vol schulden. De Engelse kraan is al een tijdje dichtgedraaid en hij kan zijn schulden tegenover Ieper en Douai niet langer terugbetalen. Tegenover de bankiers is hij zelf niet langer in staat om zijn intresten te betalen. Hij probeert nog verder te onderhandelen met de paus maar de zo goed als geruïneerde Gwijde heeft onvoldoende middelen om wat dan ook te bereiken in Rome.

Verbitterd en uitgerangeerd draagt hij op 3 november 1299 te Oudenaarde de Vlaamse kroon over op zijn eerstgeborene Robrecht van Bethune, op dat moment 52 jaar. Zijn tweede zoon, Jan van Namen erft het markgraafschap Namen. Gwijde van Dampierre trekt zich terug in zijn waterburcht te Rupelmonde. Op 6 januari 1300 loopt de wapenstilstand af die in 1297 door de pauselijke kardinalen was ingesteld. De Fransen verlaten onverwijld hun stellingen en trekken de rest van Vlaanderen binnen. Ondertussen, in november 1299, is Holland in de handen gevallen van Jan van Avesnes, de graaf van Henegouwen en erfvijand van de Dampierres. Vlaanderen krijgt er aan zijn noordelijke grens een extra vijand bij.

Ridder Wale Paièle die voor de Fransen de voorbije jaren Sint-Winoksbergen had beschermd trekt op 7 januari met 400 gepantserde ruiters en een leger van voetvolk richting Ieper. Huizen en schuren worden in brand gestoken. Er volgen gevechten in Kassel en Hazebroek. Er volgt een zwaar militair treffen in de buurt van Haringe. Tijdens dit gevecht maken de Vlamingen voor het eerst gebruik van de illustere “goedendag”. De godendac zal de volgende jaren door de Vlaamse legers ingezet worden als een vervaarlijk houten steekwapen van anderhalve meter lengte voorzien van een stalen punt.

Vooralsnog helpt de goedendag niet echt. Graaf Robrecht van Bethune schrijft aan zijn afgevaardigden in Rome dat de Vlaamse zaak er slecht uit ziet. “Zonder hulp volgt de totale ondergang!”. De toestand is uitzichtloos. De volgende weken volgen de Franse plundertochten elkaar in stijgende mate op. Ondertussen zijn we aanbeland in het jaar 1300. De lakenstad Ieper en de haven van Damme vallen in maart in het vizier van de Fransen. Gwijde van Namen zorgt voor de verdediging van Ieper terwijl Willem van Dendermonde zorgt voor Damme. Ondertussen heeft Robrecht de verdediging van Gent overgenomen van zijn vader.

De oorlog van 1299-1300 is er één zoals zoveel voorbije oorlogen of oorlogen die nog zullen volgen. Schrijnende ellende voor de gewone mensen. In de Westhoek schrijven de mensen van Eecke bij Steenvoorde deze intrieste brief naar hun graaf: “Edele heer, wij, arme lieden van uw stad Eecke in het baljuwschap Kassel, smeken u in godsnaam medelijden te hebben met ons. De Fransen hebben het grootste deel van onze parochie in brand gestoken en geplunderd. Ze dreigen er mee dat ze de rest in brand zullen steken waardoor we ten zeerste in rouw zijn.”

“We hebben op raad van mannen die tot uw akkoord behoren, doen spreken met de Fransen, om de brandstichting en de plundering te vermijden, tot acht dagen na Pasen. Dit zou ons negentig ponden van de munt van de koning kosten. Edele heer, wij zijn uw lieden en we willen trouw met u leven en sterven, en dit niet nalaten, wat er ook gebeuren mag. We willen deze overeenkomst met de Fransen niet sluiten indien dit niet uw wil is. We bidden u, edele heer, ons een brief te bezorgen zeggend dat dit volgens uw wil en uw toestemming geschiedt, zodat we geen verwijt zouden krijgen van uw lieden en uw baljuws.”

April 1300. Willem van Dendermonde vraagt zijn broer om hem dringend versterking van duizenden soldaten te bezorgen zodat hij Damme en de streek rond het Zwin kan blijven verdedigen. In Ieper waar de bevoorrading van de soldaten en de bevolking in het gedrang komt, gaat het al niet veel beter. Vreemdelingen kunnen de stad niet meer binnen op straffe van een boete van 10 ponden. De Ieperlingen smeken bij hun graaf Robrecht van Bethune om vrede.

Robrecht stuurt twee gezanten in een wanhopige poging om het moreel van de Ieperlingen op te krikken. Hij laat uitschijnen dat de paus vredesonderhandelingen is opgestart en looft de Ieperlingen om hun financiële en militaire steun goed beseffende dat ze veel bezittingen hebben verloren en dat hun voorsteden in brand zijn gestoken. Indien de Ieperlingen echt versterking nodig hebben, kan hij hen eventueel honderd nieuwe krijgers toesturen.

De boodschap van de graaf biedt valse hoop aan de Ieperlingen. De mensen zijn niet achterlijk. Ondertussen is Damme gevallen. Gwijde van Namen treft bij zijn bezoeker vooral gedesillusioneerde stedelingen aan die niet langer geloven dat hun stad stand zal houden tegen de Franse terreur. De burgers verwijten het stadsbestuur en de graaf een vals positivisme en vooral het grote gebrek aan voorraden en etenswaren.

Ongeacht de situatie in en rond Ieper, trekken de Fransen zonder noemenswaardige weerstand door Vlaanderen. Ieper kan pas op het nippertje ontzet worden. Er wordt nog wel gevochten bij Poperinge, Hazebroek en Maldegem, maar telkens delven de Vlamingen het onderspit tegen het te sterke Franse leger. Het einde is nakend als Damme op 30 april 1300 in Franse handen valt en Willem van Dendermonde, tweede zoon van Gwijde, gevangen genomen wordt.

Charles de Valois, die de Franse troepen aanvoert, laat Willem vrij op voorwaarde dat hij aan Gwijde en Robrecht de Franse eisen voor een stopzetting van de vijandelijkheden overbrengt. Gwijde en Robrecht moeten zich overgeven maar de Vlaamse steden zullen hun rechten en vrijheden behouden. Over de goederen van de Liebaards zal de koning later beslissen en de gevluchte Leliaards zullen hun functies, goederen en eigendommen terug krijgen. Er rest de Dampierres weinig keuze.

Ze gaan akkoord. De oorlog is verloren en Vlaanderen veroverd. Vlaanderen moet zich noodgedwongen onderwerpen aan de grillen van het Franse hof. De voorbije jaren hebben diepe wonden geslagen in de Westhoek. Van Ieper tot Rijsel. Van Poperinge tot Veurne. De Leliaards pikken ongegeneerd en met de steun van de Franse koning het landgoed in van de Klauwaards. Het zal nog veel jaren duren vooraleer de situatie enigszins zal kunnen worden hersteld. En dat allemaal ter ere en glorie van één persoon: sinds Karel de Grote is er nu nog die ene grote heerser over West-Europa: Filips de Schone!

Vlaanderen, eens door een gunstig gesternte geleid
nu door stormen onttakeld, een drijvend wrak.
Vlaanderen, dat ooit in weelde praalde
thans neergeveld in slijk en asse treurt.
Vlaanderen, dat altijd heersen mocht en nu op een slaaf
in lompen lijkt. Hoe diep ben jij gevallen.
En toch, de hoop bestaat dat jij ooit zult opstaan
en troost zult vinden. Dat ieder van ons zegge: het weze zo!

Frankrijk juicht! Maar ’t einde kan verkeren.
Het lot verandert snel….

Gwijde en zijn twee oudste zonen, Robrecht en Willem, met bij zich nog een vijftigtal trouwe ridders gooien de handdoek in de ring en reizen naar Parijs. Ze onderwerpen zich aan Filips de Schone. Het gezelschap wordt bij aankomst aangehouden en gevangen gezet. Zullen Gwijde en Robrecht ooit nog vrijkomen?

Gwijde vliegt in de gevangenis van Compiègne. Robrecht en zijn dichtste aanhang worden gevangen gezet in Chinon (Indre-et-Loire). Ze worden “hoffelijk” bewaakt door negen bewakers en krijgen vier personeelsleden die zich moeten schikken naar de wensen van “Monseigneur Robert”. De rest van de Vlaamse ridders wordt her en der gevangen gezet in Frankrijk. Vlaanderen reageert ontzet op de gevangenneming van Gwijde en zijn twee zonen. Waarom hebben ze zich zo vrijwillig overgegeven? Waarom zijn enkele zonen van Gwijde naar Namen gevlucht? Hadden ze niet beter de strijd tegen de Fransen verder gezet?

Het volk voelt zich verlaten, in de steek gelaten door zijn leiders. De Franse bezetting is daarenboven een verschrikkelijke ervaring. De boeren, ambachtslieden en arbeiders snakken naar vrijheid. De intelligente en berekende Filips de Schone beseft al snel dat er een totale anarchie dreigt in Vlaanderen als er niet snel een bestuurder komt die stabiliteit en orde brengt. Iedereen verwacht dat er een nieuwe graaf zal worden aangesteld maar op 18 mei 1300 stelt hij een gouverneur aan die in zijn naam Vlaanderen moet besturen. Vlaanderen wordt met andere woorden aan Frankrijk toegevoegd. Het graafschap bestaat niet meer.

Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 2
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.