banner
Jan 29, 2020
1691 Views

Met de handen in het haar

Written by
banner

….

Ook in 1591 blijft het gevaar van de Oostendse uitvallen latent aanwezig. Enkele groepen uit het Engels garnizoen proberen voortdurend alle mogelijke middelen uit om in de kasselrij binnen te dringen om er hun gebruikelijke strapatsen uit te voeren. Zo bijvoorbeeld in de junimaand wanneer enkelen in schuitjes de Ijzer opvaren om vervolgens in de parochie van Ramskapelle verscheidene boerderijen in brand te steken. Kort daarop volgt een algemeen alarm. Met het volk dat nu van alle kanten komt toegestroomd zien de brandstichters nauwelijks een uitweg om zich terug te trekken. Ze geraken in elk geval niet allemaal weg, de landlieden slagen er in om twee Oostendenaars bij de kraag te vatten en op te leiden naar Veurne.

Het tweetal bekoopt zijn raid met de opknoping. Het bastion Oostende krijgt dit jaar trouwens een nieuwe commandant. Dat is Eduard Norrits, een kloeke militair die lange tijd gediend heeft in de Verenigde Staten van de Nederlanden. Norrits focus ligt al van bij het begin van zijn aantreden op de contributies, m.a.w. het dwingen van landlieden in Veurne-Ambacht om schattingen te betalen. De Veurnenaars krijgen de keuze tussen het vrijwillig betalen of hun eigendommen over te geven aan de verwoesting door zijn mannen. Het aantal benden dat binnendringt in de kasselrij stijgt met de dag.

Op 23 juni 1591 vallen de booswichten binnen in het stadje van Lo die ze helemaal leegroven, net zoals dat het geval is met de plaatselijke abdij en het nonnenklooster. Daarbij nemen ze zoveel mogelijk lieden gevangen. De indringers drijven hun gevangenen en de gestolen hoornbeesten op door de parochies van Lo, Nieuwkappelle en andere. Het alarm weerklinkt doorheen heel Veurne-Ambacht. Het landvolk dat verneemt wat er in de stad Lo aan de gang is toont zich in eerste instantie meer bezorgd om de eigen huisgezinnen en eigendommen dan om effectief tegen de vijand op te trekken. Toch zijn er nog wel aan aantal goedmenende boeren die de wapens grijpen en zich aanbieden om weerstand te bieden.

Ondertussen is Pieter De Cerf met zijn compagnie van 140 keurlingen weggetrokken uit de versterking van Knokke en de omliggende forten. Ze zetten samen de achtervolging in op de Oostendenaars. Die van Oostende binden in, te veel volk op komst, te veel alarm her en der. Ze denken nog aan één zaak: de buit veiligstellen. Met de mannen van De Cerf op hun hielen zal dat sowieso een hachelijke onderneming worden. De Engelsen verliezen enkele manschappen en moeten uiteindelijk het grootste deel van de kuddes achterlaten.

Deze halve mislukking verbittert de Oostendenaars om nog meer en hardere uitvallen te riskeren. Er vallen wel dagelijks pogingen in dat verband te noteren. Op 3 juli 1591 proberen ze op gewelddadige wijze door te breken aan Ter Vate en daarmee veroorzaken ze natuurlijk weer de nodige beroering bij het landvolk. Jacob Valcke en zijn soldaten op de Veurne-Ambachtse dijk bieden forse tegenstaand waardoor de Oostendenaars moet wijken terwijl ze zelfs enkele doden moeten achterlaten.

De nacht die er op volgt vernieuwt de vijand zijn pogingen maar opnieuw blijven de verdedigers van de kasselrij pal staan. Desondanks gaat het alarm op de hele kasselrij weer af. De magistraten van Bergen-Ambacht en Hondschote sturen hun keurlingen om hulp te bieden. Ze zullen drie dagen in Lo blijven terwijl de wethouders van Veurne-Ambacht hen ravitailleren met bier, kaas en brood om hen dan te informeren dat de vijand zich teruggetrokken heeft en dat ze terug naar huis mogen.

14 juli 1591. Eduard Norrits geeft niet af. Tijdens een nachtelijke raid wagen de Oostendenaars zich met man en macht over de Ijzer. Ze maken daarbij gebruik van een kunstige brug, een soort platform gemaakt van tonnen en lichte materialen. Ze maken met 800 man de oversteek aan ’s Gravenbrug, ondanks de weerstand die de soldaten bieden vanaf de dijk. Daarbij verwonden de geuzen de lokale kapitein Lioen Spierynck die een musketbal in zijn lichaam krijgt. Na de overtocht van de Ijzer stevenen de Oostendenaars nu af op Ramskapelle. Ze roven er alles wat er te stelen valt, steken de woningen van het centrum in brand, en dat scenario herhalen ze ook voor de boerderijen in de omgeving.

Daarmee is hun vernielzucht nog helemaal niet voldaan. Nu richten ze hun vizieren op Wulpen. In de hele kasselrij gaan de alarmen af. Jonkheer Pieter Vander Burgh, de kapitein van het fort van Nieuwendamme treedt met zijn soldaten in het veld en krijgt de assistentie van de keurlingen van Bergen-Ambacht en Hondschote en van een hele bende vrijwilligers, die haastig, zowel te voet als ’te peerde’ ter hulp snellen. Wanneer ze met zijn allen ter plekke komen zijn de vogels helaas al gaan vliegen, de buit hebben ze dit keer niet moeten achterlaten!

De bezetters van Oostende zijn ervan op de hoogte dat Alexander Farnese tijdens de zomer met een groot leger naar Frankrijk trekt om daar bijstand te gaan verlenen en dat er daardoor minder troepen zullen liggen in de steden van Nieuwpoort en Diksmuide. Rond die tijd hebben ze in Oostende volk op overschot. Deze situatie zorgt er natuurlijk voor dat ze stoutmoediger dan ooit beginnen uit te lopen. Er zwerven nu wel dagelijks hele benden Engelsen langs de Ijzer waar ze voortdurend de Veurne-Ambachters vrees aanjagen. Des te meer omdat de landlieden ervan op de hoogte zijn dat hun gouverneur Norrits gezworen heeft dat hij deze kasselrie volledig in contributie zal stellen of dat hij anders de stad van Veurne in brand zou komen steken.

Een bende volk van de bewuste commandant trekt op 22 juli 1591 de Ieperlee over om vervolgens de parochie Reninge binnen te vallen. Ze banen zich rovend en brandend een weg en ze wagen zich zelfs tot bij de Peereboombrug. Maar Pieter De Cerf en zijn compagnie keurlingen slagen er in om hun de weg af te blokken. Het alarm dat ondertussen her en der weerklinkt lokt de vrijwilligers en het voetvolk van Bergen-Ambacht naar de geteisterde streek. Ze blijven een hele nacht ter plekke om de vijand te helpen verdrijven. Maar wanneer ze vernemen dat die al met buit en al uit Reninge weggemuisd is, vertrekt al het toegelopen volk naar huis.

Het magistraat van Veurne-Ambacht zit hoe dan ook met de handen in het haar. Wat kunnen ze doen om die escalerende uitbraken van de Oostendenaars af te blokken? Ze laten niet enkel de forten op de Veurne-Ambachtse dijk en de Ieperlee versterken, maar laten er nog veel nieuwe bijbouwen. Tussen de zee en de stad van Ieper komen er in de loop van 1591 de hiervolgende versterkingen bij: ter Vierboete bij Nieuwpoort, op de Lekesluis, het Beckaf, Verloren Cost, Nieuwendamme, ter Styllen, te ’s Gravensbrugge, Tard advisé, van het Schoorboomken, van Schoorbakke, van Schrekels ter Vate, Coupe la voye, Blauwe Toren, van ’t Quaet Straetken, van de Hoogebrugge nevens Diksmuide, van Sprangehernesse, ter Halve-mijle-meulen, te Steensluis, ter Knokke, ter Peereboombrugge, ter Hagen, ter Drije Grachten, ter Hoogebrugge, bij ’t Withuyseken, ter Craije, te Steenstraete, ter Steenstraetebrugge en van daar verder nog enkele.

In al die afzonderlijke ‘forten’ liggen er soldaten en keurlingen voor garnizoen. Onder hen de 150 mannen van de compagnie van Jacob Valcke, betaald door de koning. De hertog van Parma zal in de loop van het jaar Francis Simoen aanstellen in de plaats van Jacob Valcke die het nu schopt tot hoogbaljuw in de kasselrij. Het aantal bezetters per verschansing verandert trouwens om de haverklap.

Een voorlopig fragment uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *