De Gentenaars wapenen zich het eerst en kiezen Adolf van Gelderland als aanvoerder. Je weet wel: de man die ze nu al voor een tweede keer uit zijn Kortrijkse gevangenis hebben bevrijd omdat hij zich aangegeven had als zijnde een Gentse poorter en lid van het ambacht van de goudsmeden. Ook Brugge en Ieper mobiliseren hun lieden, het Vlaams leger verzamelt zich in de buurt van Menen. Op de Kezelberg van Moorsele. Van hieruit vertrekt Adolf van Gelderland naar Spierre om het Frans garnizoen van Doornik aan banden te leggen, die daar de hele streek aan het verwoesten is. Op 25 juni 1477 leidt hij zijn volk naar Doornik.
De Vlamingen laten zich gelden met het verwoesten van de voorsteden. De Gentenaars en de Bruggelingen keren met een rijke buit beladen terug naar hun legerplaats. Adolf zelf blijft er met een handvol volk achter om de uit Doornik vertrokken garnizoenen te belagen. De Gentse poorter Gillis Van Der Gracht vindt dat maar een riskante bedoening en adviseert zijn aanvoerder om toch maar te vertrekken. Adolf wil er niet van horen, hij wil vechten, God zal hem wel helpen. Maar God helpt hem helemaal niet, na veel bewijzen van dapperheid krijgt hij twee spiesen door het lijf. Ook de gemelde Gillis en nog enkele andere edellieden verliezen het leven. Het lichaam van Adolf van Gelderland eindigt in de grond van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw te Doornik. Bij zijn Vlaamse krijgslieden komt er ruzie van. De ene verwijt de andere dat ze elkaar in de steek hebben gelaten om hun buit terug te brengen.
Ja; ze hebben Adolf van Gelderland schandelijk verraden en hem aan de vijand overgeleverd. De Gentenaars breken daarop hun tenten op en keren met hun gestolen goed terug naar hun thuisstad. De Bruggelingen menen van hun voorbeeld te volgen maar de Kortrijkzanen overtuigen hen om alsnog te blijven. Of dat veel zal helpen is zeer de vraag. De soldaten beschikken over een rijke soldij (12 groten per dag) die ze met veel genoegen ter plekke aan drinken en spelen verteren. Hun leider Jacob van Gistel heeft daarbij de grootste moeite om zijn mannen in bedwang te houden.
De Fransen lijken wel een fait-divers te zijn
Het lijkt er voor de Vlamingen wel op dat de Fransen een fait-divers zijn. Zo zorgeloos zijn ze met zijn allen. Op 30 juni krijgen ze het deksel op de neus. Het Frans garnizoen valt hen met vreselijk geweld op de hals. Een uitval die resulteert in 1.200 dode Vlamingen en nog eens 800 krijgsgevangenen. Met onder hen de Brugse kapitein Pieter De Mol en hun baljuw Jacob van Haelewijn. De rest slaat op de vlucht en krijgt niet eens de tijd om zijn rijke buit mee te scharrelen. Frankrijk zet de rijkste gevangenen op ‘groot rantsoen’, het betekent dat er flink wat losgeld op tafel moet komen om alsnog op vrije voeten te komen. De volgende dagen leven de zegevierende Fransen zich uit in een storm van geweld en met vreselijke verwoestingen.
De vluchtende Bruggelingen keren op 1 juli 1477 terug in hun stad. Het onthaal is allesbehalve. Ze moeten opnieuw het veld in. Anders zullen ze het poorterschap van hun stad verliezen. Jacob van Gistel ziet het niet meer zitten om met deze bende ongeregeld naar de oorlog te trekken en geeft de fakkel door aan Daniël van Praet en Jan van Nieuwenhove. De Gentenaars die al weggetrokken waren van Spierre komen nu blijkbaar ook tot inkeer. Hun schandelijk gedrag zal ook in Gent niet fel geapprecieerd zijn. Ze nemen de wapens terug op om de Fransen te bestrijden die nu vooral de omgeving van Kortrijk teisteren. Ter plekke gekomen komt het Gents uitschot nu in aanvaring met het krijgsvolk van Jan van Luxemburg en van Jan van Spierre.
Ze doden er zes van deze soldaten en verwonden zelfs de twee Jannen. Het geschil eindigt met de aanhouding en het opknopen van zes Gentse belhamels. Hun dood komt er in opdracht van de dekens van Gent zelf. Het is hoe dan ook allesbehalve vreemd dat de Vlamingen die zich in het verleden zo vaak heldhaftig hebben getoond deze keer nu wel moeten wijken voor het vijandelijk geweld van de Fransen. Van eendracht is er bij de Vlamingen geen sprake. En die is nochtans erg nodig. Deze ongelukkige stand van zaken noopt de jonge gravin begrijpelijkerwijze om zo snel mogelijk te trouwen met haar Maximiliaan.
–
Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Het oud Verhaal van Vlaanderen –


