Anno 1916, op de 15de januari. Na twee slapeloze nachten op de trein hadden we niemand nodig gehad om ons in slaap te wiegen. Het werd vanochtend al snel duidelijk dat we net op tijd waren om al de volgende dag met het bataljon op te trekken naar de loopgraven. Veel tijd om kennis te maken met onze collega-officieren kregen we niet. Sommigen van hen hadden we al eerder ontmoet. Majoor Wright, kapitein Welch en de luitenanten Merivale en Clennell waren oude vrienden en we hadden ook al eens luitenant-kolonel Scott Jackson gezien, dat was de commandant van ons betaljon. Het was best aangenaam om al deze vriendelijke gezichten te zien op een moment wanneer we aan onze vuurdoop zouden beginnen.
Het bataljon was al drie dagen aan het werk geweest in voorbereiding voor onze opdracht en we sloten dus aan op de laatste dag ervan. Die laatste uren voor het vertrek naar de frontlijn waren altijd troosteloos en onaangenaam. We spendeerden onze tijd met het inpakken en met beslissingen wat we al dan niet zou meenemen of achterlaten. Voor valiezen en koffers was er uiteraard geen kwestie maar in wintertijden of periodes van wind en regen waren er toch wel een aantal zaken essentieel. We beschikten nog niet over stalen helmen en gasmaskers, alleen maar over twee lichtgewicht stoffen maskers.
Ik werd aangeduid als aanvoerder van het 4th Platoon van de A-Company en kreeg kapitein Smail als commandant met nog twee extra onderluitenanten naast me. Onze eenheid bestond uit pakweg honderd mannen. Voor ons vertrek van ‘Canada Huts’ aan de Ouderdom kreeg ik nog een helper toegewezen in de persoon van William Critchlow, een opgewekte en meer dan handige kerel die in april 1915 gewond was geraakt in Sint-Juliaan en nu terug ingetekend had.
Bij het invallen van het donker plaatste ons bataljon zich op weg door de modder van de natte wegen terwijl de regen onophoudelijk naar beneden plensde. We kwamen al gauw op de kasseiweg die liep door Dikkebus, een lang uitgerekt dorp dat er nog redelijk intact uitzag en bewoond door Belgische burgers. De plek werd momenteel sporadisch gebombardeerd. Bij onze aankomst in Dikkebus ging ons bataljon verder uit elkaar lopen en de diverse pelotons bleven op 200 meter afstand van elkaar, een noodzakelijke voorzorgsmaatregel omdat de Duitsers systematisch de nachtelijke wegen op granaten trakteerden.
Nadat we een tijdje verder geploeterd hadden bereikten we ‘Café Belge’, niet veel meer dan een bouwval maar ooit een welbekende stopplaats voor marcherende troepen. Hier sloegen we rechtsaf en lieten we de kasseiweg richting Ieper achter ons. Onze nieuwe weg was heel wat minder begaanbaar. De route lag vol granaatkraters boordevol water en in de duisternis zou je er zo zijn ingestrompeld. ‘Krater links, krater rechts, krater in het midden’, de bevelen werden voortdurend doorgeroepen.
We maakten maar een trage voortgang onder deze omstandigheden en vooral dan nog met de zware ladingen die we op onze ruggen meesleepten. Maar het was allemaal zo nieuw en uitdagend voor me dat ik me op geen enkel moment slecht of depressief voelde. Uiteindelijk bereikten we illustere ‘Shrapnel Corner’ – het kruispunt van de wegen Ieper-Armentières en Ieper-Kemmel – en daar namen we de route richting ‘Transport Farm’ (bij de hedendaagse Steenen Haene).
We waren op weg naar de loopgraven van Hill 60. Ook al een bekende plaats na de Britse aanval van 1915 en de daaropvolgende succesvolle Duitse tegenaanval met hun stikgas. De plaats was berucht als zijnde een van de heetste plekken van het Britse front. De vijand was in het bezit van de helling en had het niet moeilijk om voortdurend onze loopgraven te beschieten met kogels en granaten.
Bij het benaderen van Transport Farm kwamen we al voor de eerste keer onder vijandelijk vuur. Een deel kogels die afgevuurd waren op onze loopgraven waren slecht gericht en kwamen terecht op de achterliggende wegen. Ze bezorgden ons wel wat schrik in deze duisternis maar we leerden er mee leven want ze richtten maar zelden schade met nu en dan eens een getroffen soldaat die zich aan het terugtrekken was.
Onze eenheid sloeg nu de weg in naar links, leidend naar het station van Zillebeke. We verlieten deze weg om wat later de toegang tot de verbindingsloopgraaf te vinden die ons 100 meter verder naar de ondersteunende loopgraven zou loodsen. Een blik op het plan van de loopgraven bij Hill 60 gaf ons een beeld hoe speciaal deze plek feitelijk was. Terwijl de Duitse frontlijn stevig door de top van de hellingen liep was er een grote ruimte tussen de Britse loopgraven van Hill 60 rechts en Mount Sorrel aan de linkerkant.
Zo op papier leek het er op dat de Duitsers er zomaar konden voorbij marcheren als ze dat wensten. Maar men moest zich voorstellen dat deze lege plaatsen bezaaid waren met onze batterijen – posten gevuld met mitrailleurs – en dat de Britse schutters elke Duitse poging om hier door te breken wel degelijk in de kiem zouden smoren.
Een ander kenmerk van de plaats was natuurlijk de vreselijke toestand van de bodem naast en tussen de loopgraven. Een moeras gevuld met gedeeltelijk begraven lijken, en met dat gedeeltelijk wilde ik zeggen dat het de natuur was die beslist had of de doden al dan niet een laag slijk of blubber over zich heen kregen.
Tijdens een periode van dichte mist werden vanuit de grond achter onze steunloopgraven zeventig gebitten gerecupeerd. En de toestand was nog veel slechter voor de loopgraven tussen beide loopgravenlijnen in. Het was weinig waarschijnlijk dat de Duitsers interesse hadden om ons verder heuvelafwaarts te verdrijven om dan in dit terrein terecht te komen.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


