banner
apr 29, 2019
2119 Views

Pestbacillen in de Veurnse wijwatervaten

Written by

Twee mannen en één vrouw worden opgepakt om hun moorddadige praktijken. De schepenbank veroordeelt hen tot een publieke verbranding op de markt van Veurne.

banner

Een levend hert met een halsketting
Er is nu al geruime tijd geen sprake meer van oorlog en verwoestingen. De streek is goed bevolkt door producenten van lakens en van allerhande wol en zijden stoffen. De jaarboeken van Veurne orakelen dat het een wonder is om deze welstand in het Veurne te mogen zien. In 1463 organiseren de broeders van de gilde van St.-Sebastiaan van Poperinge een schiettornooi. Een ‘schietspel’ zoals ze het in hun uitnodiging schrijven. In zowat heel Vlaanderen en de omliggende landen, worden de gilden van de handbogen opgeroepen om deel te nemen aan het tornooi. De eerste prijs is deze keer wel erg bijzonder. Een levend hert dat een zilveren halsband torst van wel 400 gram.

De opkomst is uitstekend. ‘Menige gilde uut Vlaenderen ende uut andere provintien trock derwaerts, om er de prijsen te winnen.’ De Veurnenaars zijn fier als een gieter. ‘Naer lanch campen, wiert den opper prijs eyndelinge gewonnen by de schotters der gilde van St. Sebastiaen, binnen Veurne’. Het team van Veurne wint de hoofdprijs en keert triomfantelijk terug naar zijn thuisstad. Een hele menigte van stedelingen haast zich naar de stadspoorten om er de schutters welkom te heten en om een glimp op te vangen van het zeldzaam dier dat ze met zich meedragen. De erewijn mag natuurlijk niet ontbreken. De hele stad voelt aan als een roes van vreugde en blijdschap. Ook het stadsbestuur laat zich niet kennen. Een vaatje wijn van 50 liter kan er best van af. Bovenop de gelukwensen krijgen de handboogschutters nog eens een kostenvergoeding van 36 Parijse ponden overhandigd.

Heerlijk toch die oude kronieken. De Veurnenaars, het zal wel de elite zijn, zouden wel eens dat hert in actie wil zien. Niet alleen in een kooi, maar ook terwijl het aan het rennen is in de natuur. Zo staat het toch geschreven. ‘Naer dat den geseyden hert eenigen tijdt in de stadt geweest was, wiertter besloten van hem te stellen op het veldt, om eens ’t genoegen te hebben van hem te sien loopen, toen hy gejogen soude worden.’ Het magistraat stuurt een uitnodiging naar enkele vermaarde jagers van die tijd.

Gaspard van Vlaanderen doet mee
Op de afgesproken dag zien we inderdaad het kruim van Vlaanderen opduiken in Veurne. Karel van Vlaanderen, ridder en opperjager van Vlaanderen, biedt zich aan. Ook Gaspard van Vlaanderen en de hoogbaljuw van Ieper is er. Net zoals Pieter Van den Burgh in zijn functie als baljuw van Elverdinge ‘ende andere groote jagers met hunlieder weyknechten ende honden.’ Het zijn precies deze details die geschiedenis zo herkenbaar maken en zich laten ontvouwen tot een boeiend verhaal dat wacht om verteld te worden. Het hert wordt in een wagen vervoerd tot in het midden van het ‘Ghyvelde-veldt’, zowat twaalf km naar het zuidwesten in het hinterland van Bray-Dunes. De jagers staan er al te wachten en in hun zog een massa volk uit de kasselrijen van Veurne, Bergen, Duinkerke en andere plaatsen. ‘Naer dat het dier langen tijdt in ’t gesichte van een ider geloopen hadde om sijn leven te behouden, wiert het ten lesten gevangen ende vande honden doodt gebeten.’ Het dode dier wordt nu teruggebracht naar Veurne, in het gezelschap van de jagers die nu op hun beurt door het magistraat ‘getracteert wierden op een ‘schoone maeltijdt’.

Het bestaan van de valse “reeuwers’ duikt op in het Veurne van 1468. Eerder al vertelden de Ieperse kronieken ook al over hun vervolging. Alles heeft te maken met de pest die tijdens dat jaar uitbreekt in de stad en de kasselrij van Veurne. ‘Eenige reeuwers van dese streecke, die uut de peste profijt trocken, siende dat sy begonde te verminderen, hebben de selve doen verbreyden door middelen die sy door d’ingeving vanden duyvel daer toe gevonden hadden.’ De voetnoot van uitgever Edmond Ronse halfweg de 19de eeuw geeft wat meer informatie prijs over hun duivelse praktijken. De ‘reeuwers’ blijken lijkbezorgers te zijn die er voor zorgen dat de doden tijdig ter aarde besteld worden. De ene zijn dood is de andere zijn brood en dus hebben die reeuwers bij het uitbreken van de pest altijd een prima handeltje. ‘Dese zeer haestige ende pestinentiele maniere van stervene was alsdan overal ghenouch ghemaeckt deur die groote maliteusheit ende malversatie van de reeuwers ende reeuwighen, die welcke de steenpitten ende andere water.’

Pestbacillen in de Veurnse wijwatervaten
‘Ja zelfs die sperwatervaten van der kercken, zo tallen canten infecteerden (metten ghecorrumpeerden bloede van de overledene endere andersins) dat zy by dien middele allomme handen veel wercx ghecreghen, depescherende voorts elc zijne ziecken ofte patienten metten regale zo best zy consten.’ Voor alle duidelijkheid betekent het woord ‘regale’ hier vergif en sperwater staat voor ‘aqua lustralis’. Zeg maar wijwater. Twee mannen en één vrouw worden opgepakt om hun moorddadige praktijken. De schepenbank veroordeelt hen tot een publieke verbranding op de markt van Veurne. Die schepenbank van Veurne komt in 1471 opnieuw in de actualiteit. Om de stad te besturen, bestaat het schepencollege uit de burgemeester en 12 schepenen die allemaal rijkelijk vergoed worden voor hun taak.

En dat in een periode waarbij ‘hunlieder stadt aerme ende niet sterck bewoont was.’ De inwoners sturen een verzoek naar hertog Karel de Stoute, die na de dood van zijn vader in 1467, het roer in Vlaanderen heeft overgenomen. Zou het niet wenselijk zijn om het aantal schepenen terug te brengen tot acht? Ook de Raad van Vlaanderen buigt zich over de kwestie en beslist om in te gaan op de vraag van de Veurnse bevolking. Zo glippen we 1476 binnen. Het liedje van de nieuwe hertog is op 5 januari van dat nieuwe jaar al direct uitgezongen. Het verhaal van zijn dood tijdens de veldslag van Nancy en zijn opvolging door zijn enige dochter Maria van Bourgondië heeft in mijn kronieken al enkele keren de revue gepasseerd. Ik vraag me af wat ze er in Veurne kunnen aan toevoegen. Het hele gebeuren wordt vanaf het achtste ‘capittel’ in geuren en kleuren verteld. Ik begin alvast met de titel van het nieuwe hoofdstuk:

Iedereen rept zich naar de Nieuwe Dijk

‘Van toen den coninck van Vranckerijcke het bestandt van Solimere verbrack, tot dat de Staten van ’t lant met de aertshertogh Maximiliaen peys maeckten (A° 1485).’ Van zodra de koning van Frankrijk op de hoogte gesteld wordt van de dood van Karel de Stoute, verbreekt hij het bestaande vredesakkoord van november 1475. Het moet bijzonder slecht nieuws zijn voor de mensen van het Westland. ‘Hy deed terstont seer groote vyandtschappen bedrijven in de streecken die de princesse geerft hadde ende nam haer af vele landen ende steden, namentlick den meerderen deel van ’t Artoische.’

De jaarboeken geven de ernst van de situatie aan. Na de verovering van Artesië richten de Fransen nu hun vizier op de kasselrijen van de Westhoek en ze gaan nu al onmiddellijk over tot een systematische beroving van de buitenbevolking. Heel wat West-Vlaamse mannen zijn als de bliksem opgerukt naar de Nieuwe Dijk om er de overtocht van de Fransen te gaan verijdelen. Overal worden er versterkingen en verschansingen opgebouwd. Een behoorlijk lange tijd van vrede is achter de rug. Zo veel is duidelijk. Van Veurne en Veurne-Ambacht zijn er 100 man afgevaardigd om, onder leiding van hoogbaljuw Frans van Winnezeele, het land mee te helpen verdedigen.

Met Pasen van 1477 geeft de Franse koning het sein om de Vlamingen ter hoogte van de Nieuwe Dijk aan te vallen en de doorbraak naar de Westhoek te forceren. ‘De Vlamingen, die den dijck bewaerden, stelden hun seer wel te weere; maer de Franschen overal den alarme gevende, hebben onvoorsiens eene brugge over den Nieuwen Dijck gemaeckt, op eene plaetse alwaer luttel volck was.’ De oversteek is natuurlijk massaal en nu kunnen de Vlamingen naar hartenlust van achteraan aangevallen worden.

De Westlanders laten 400 dode metgezellen achter
De gevechten zijn fel en ruw en dwingen de West-Vlaamse mannen om zich terug te trekken tot aan de eerste achterliggende verdedigingsgordel, de ‘Witten Dijcke genaemt, alwaer dat sy corts daer naer van een deel Franschen opgevolcht wierden.’ De Vlamingen verweren zich met de moed der wanhoop. Ze beseffen maar al te goed dat de Fransen met meer volk zijn. Ondanks hun numerieke minderheid zijn ze toch aan de winnende hand. De komst van de Franse ruiterij is er echter te veel aan. De Westlanders moeten het veld ruimen en ze laten 400 metgezellen dood achter op het slagveld aan de Witte Dijk.

Zoals dat altijd het geval is, betekent deze terugtrekking, het startsein voor de gebruikelijke baldadigheden en wandaden van de oorlog. ‘Naer dat de Franschen de Vlamingen verslegen hadden, roofden sy geheel Casselambacht ende andere casselrien van daer ontrent. Sy verwoesten ende verbranden vele casteelen ende sterckten alwaer het lantsvolck hun met hunlieder goederen op vertrocken hadden, ende, naer dat sy de voorseyde vier dagen over den Nieuwen Dijck naer het lant van Artois vertrocken.’ In een voetnoot van Pauwel verneem ik dat de 400 gesneuvelden allemaal jonge mannen van Cassel zijn. De raadsheren van Maria van Bourgondië grijpen in om verder terreur in de Westhoek te stoppen. Alle leenhouders van Vlaanderen krijgen het bevel om zich binnen de vier dagen te melden bij het Vlaams leger. Gewapend wel te verstaan en klaar om tegen de vijand op te trekken. Wie het bevel naast zich neerlegt, zal onteigend worden. Al zijn eigendommen zullen verbeurd verklaard worden en hij zal voortaan als vijand van de staat worden beschouwd. Hun huizen en eigendommen zullen na de oorlog in handen komen van diegenen die terugkeren van de oorlog, die ’ten eeuwigen dage de verbeurde leenen souden blijven besitten.’

De staat zal eigendommen aanslaan
De gedwongen mobilisatie valt niet in goede aarde bij de meesten. De represaillemaatregelen, het verlies van have en goede, is een ongemeen harde maatregel. De staat die eenzijdig dreigt om eigendommen af te nemen. Men kan dit moeilijk netjes noemen. De kronieken laten de weerzin van de leenheren dan ook uitschijnen: ‘dit bevel, het welck aen vele persoonen mishaechde, wiert tot Veurne, op den 5e julii 1477 vercondicht.’ Voor de mensen in de Westhoek is er niet veel tijd om mistevreden te zijn. Vooral in de streek van Veurne en Veurne-Ambacht is er grote beroering ontstaan. Vooral nu de Fransen Bethune en omgeving onder de voet hebben gelopen en daarna ingenomen hebben.

‘Die van Veurne waren om dese reden seer sorchvuldich om hunne stadt te verstercken ende te voorsien van alle gereedtschappen waer mede sy sich souden hebben connen verweeren, in gevalle dat sy door de Franschen besprongen hadden geweest.’ Deze keer mag het trouwens gezegd worden: iedereen doet zijn duit in het zakje. Het kapittel van Sint-Walburga en de abdij van St.-Niklaas komen elk met 120 ponden over de brug. Het magistraat betaalt 100 ponden en die gaan integraal naar de manschappen die opgesteld staan aan de Nieuwe Dijk. Als militaire leider is de befaamde Daniel Van Praet aangetrokken die momenteel dus de functie van gouverneur van Veurne bekleedt. Van Praet zorgt er voor dat de wachtposten verder uitgebreid worden, maar die kunnen natuurlijk niet voorkomen dat de Fransen herhaaldelijk het hinterland binnenvallen en voortdurend aanstalten maken om het hele Westland te bestormen.

Uit deel 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *