Slechte dromen Anno 1915, einde februari. Ook mijn dag was aangebroken om naar de loopgraven te vertrekken. Ik kreeg kapitein Bretherton van de 1st Cavalry Brigade toegewezen als gids ernaartoe. Ik liet mijn wagen achter bij de ‘halte’, de plaats waar de spoorweg kruist met de Menenstraat en de weg naar Zillebeke afsplitst naar het zuiden. Al gauw liepen we glijdend, slippend en ploeterend door de modderige velden. We volgen geen specifiek pad en probeerden op alle mogelijke manieren de plaatsen te vermijden waar er vijandelijke granaten naar beneden kletsten.
Rottende bieten vormden eindeloze stippen in de grond rond ons, afgewisseld met duizenden bomkraters waar Franse en Britse batterijen aan het werk geweest waren, grachten in lijnen of in cirkels, met prikkeldraadversperringen vereisten mijn aandacht bij elke stap ik ik verzette. Overal rond ons was de bodem volgestrooid met allerhande projectielen. Gaande van complete onontplofte Duitse 6-inch-granaten tot blauwe shrapnelhulzen, blinkende tijdszekeringen en gekartelde scherven van alle maten en groottes.
Cavan’s House stelde niet veel meer voor dan een muur, een stapel van vormeloze bakstenen en cementbrokken ernaast. Cavan’s dug-out bestond uit een reeks holen langs de kant van de weg, overdekt met zandzakken en bezet door een deel seiners. Die mannen kregen wel dagelijks bezoek van een storm aan granaten terwijl de sluipschutters van de Hunnen er hun favoriet doelwit van maakten.
We stapten verder langs de hoofdweg, op weg naar Sanctuary Wood. De kogels zongen boven onze hoofden en de granaten ontploften voor ons, met oorverdovend lawaai. Een pad leidde door het kreupelhout. Bij het binnenstappen in het bos kwamen we voorbij aan een eindeloze reeks kleine schuilplaatsen, als holen in de grond. De bomen stonden er versplinterd en aan flarden geschoten bij. Hier een achtergelaten trui en daar een kaki pet. Mijn voet stootte tegen een tinnen drinkbeker en toen ik die omdraaide zag ik dat de bodem van de pot doorzeefd was door een kogel.
We stonden nu tot onze enkels en tot onze knieën in deze kleverige slijkpap en de kogels zoefden in massale hoeveelheden voorbij. Een korte bocht naar beneden door een modderig pad bracht ons tot aan het laatste stukje bos, door moerassen van slijm en over een kreek klauterden we over nog een modderheuvel tot we uiteindelijk ter plekke kwamen bij het brigadehoofdkwartier van generaal Briggs.
Ik spotte een reeks dug-outs in een heuvel, een weg gemaakt van corduroy liep van ingang naar ingang. Een diepe verbindingsgracht die er meer uitzag als een afvoergracht leidde 150 meter verder naar de voorste loopgraven aan het front. De hele namiddag zouden de granaten rechts en achter ons neerdonderen terwijl het lied van de Mauserkogels nooit ophield.
Die avond kon ik ‘veilig’ terugkeren naar Ieper. Op mijn terugweg via de door granaten geteisterde bossen die de vriendelijke heuvels bedekten en waardoor de frontlijn liep zag ik een begrafenis. Ik hield even halt en bekeek hoe de stoffelijke resten van drie soldaten in de grond gelegd werden, mannen die de hoogste prijs betaald hadden met hun leven.
Hun kameraden legden hen eerbiedig neer in de oppervlakkige putten gegraven in de zachte grond van de heuvel. Ze markeerden elk graf met een wit houten kruis waarop ze de naam van elke held aanbrachten, zijn rang, zijn regiment. Mens toch. Die rijen van rauwe houten kruisen. Welke nare herinneringen zouden ze me later nog bezorgen. Slechte dromen.
En die begraven makkers waren nu wel verdwenen uit hun leven, met zoveel waren ze. Eerst hadden ze lange maanden onder het granaatvuur geleefd, getrappeld en geploeterd op eb en vloed van de oorlog terwijl hun linies achteruit getrokken of vooruitgeschoven waren op het tij van de oorlog. Weg waren ze, de jongens, weg van de gegroefde en doorploegde heuvelruggen van Vlaanderen, maar nooit zouden ze verdwijnen uit de harten van wie ze gekend hadden en wisten wat ze waard waren.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


